Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:228

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
A.R. 2254 van 2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiele zaak betaling schuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 19 augustus 2015

Behorend bij A.R. 2254 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

BANCO DI CARIBE N.V.,

gevestigd te Aruba,

eiseres,

gemachtigde: advocaat mr. W.G.T.M. Kloes,

tegen:

de naamloze vennootschap

RUPCHAND SONS N.V.,

gevestigd te Aruba,

gedaagde,

gemachtigde: advocaat mr. G. de Hoogd.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek;

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Eiseres vordert veroordeling van gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) tot betaling van Afl. 187.844,12, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 9,5% per jaar vanaf 28 augustus 2014; en

b) tot afgifte aan eiseres van aan deze overgedragen goederen, kosten rechtens.

2.2

Eiseres voert aan dat haar vordering uit hoofde van verstrekt krediet opeisbaar is, gedaagde niet terug betaalt en zij in verzuim is. Uit hoofde van een met het verstrekte krediet samenhangende overeenkomst tot fiduciaire eigendomsoverdracht is gedaagde bovendien verplicht goederen aan haar af te geven.

2.3

Gedaagde voert hiertegen verweer, strekkende tot afwijzing van de vordering. Zij betwist de omvang van de schuld op zich niet en evenmin dat zij in verzuim is. Zij verzet zich tegen de in haar ogen te ver doorgevoerde incassomaatregelen, die bestaan uit beslaglegging op goederen die de waarde van de vordering te boven gaan, waardoor de bedrijfsvoering van gedaagde lam ligt (volgens gedaagde is 1/3e van gedaagdes inventaris beslagen). Eiseres handelt volgens gedaagde disproportioneel.

3 DE BEOORDELING

3.1

De omvang van de vordering wordt niet betwist. Evenmin wordt betwist dat de vordering opeisbaar en gedaagde in verzuim is. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen.

3.2

Hetzelfde geldt voor de vordering tot afgifte van tot zekerheid overgedragen goederen. De grondslag van deze vordering is gelegen in de overeenkomst, getiteld “Fiduciary title transfer”. Daarin worden tot zekerheid van eiseres alle tegenwoordige en toekomstige roerende zaken die eigendom zijn van gedaagde, overgedragen. Ingevolge artikel 6 is gedaagde verplicht in geval van onder andere ‘default’ deze zaken aan eiseres ter beschikking te stellen (“make available”) en heeft gedaagde eiseres gemachtigd alles te doen om fysieke controle over de zaken te krijgen.

3.3

Ook dit heeft gedaagde niet uitdrukkelijk betwist. Zij stelt dat eiseres disproportioneel handelt. Op haar beurt heeft eiseres dat betwist. Zij geeft aan eerst van plan te zijn geweest een tot zekerheid verbonden onroerende zaak van een derde uit te winnen. Deze derde heeft echter een beroep gedaan op artikel 3:234 van het Burgerlijk Wetboek, waarna eiseres zich eerst moet verhalen op de goederen van gedaagde zelf. Naar aanleiding daarvan heeft eiseres beslagverlof met sekwestratie gevraagd en gekregen tot een bedrag van Afl. 490.000,--, met het argument dat de executiewaarde van sieraden doorgaans ver onder de winkelwaarde ligt (50%). Is de vordering tot afgifte van zaken tot dit bedrag aan verkoopwaarde disproportioneel en heeft eiseres daarmee in onvoldoende mate rekening gehouden met de belangen van gedaagde bij voortzetting van haar bedrijf? Het gerecht beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiseres heeft een reëel belang bij de onderhavige vordering. Gedaagde is op 27 augustus 2013 in gebreke gesteld. Blijkens de brief van eiseres van die datum, overgelegd als productie 5 bij inleidend verzoekschrift, heeft gedaagde niet gereageerd op aanmaningen en heeft zij evenmin aangegeven hoe zij de kwestie dacht op te lossen. Dat eiseres haar zekerheden wil uitoefenen en veilig wil stellen, is derhalve begrijpelijk. Naar opgave van gedaagde zou het beslag ongeveer 1/3e van gedaagdes inventaris betreffen. Gelet op haar contractueel verdergaande bevoegdheden, die haar in theorie in staat stellen alles aan zich te laten afgeven, heeft eiseres zich dus gematigd. Dat zij ervan uitgaat dat de executiewaarde beduidend lager zal zijn dan de verkoopwaarde, komt het gerecht niet onredelijk voor. Eiseres is bovendien contractueel verplicht de eventuele meeropbrengst terug te geven aan gedaagde. Ook dit onderdeel van de vordering zal derhalve worden toegewezen. Het gerecht merkt hierbij op dat de ingevolge het dictum onder b) over te dragen goederen gespecificeerd zijn door de bij beslaglegging overgelegde lijsten.

3.4

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van eiseres.

4 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

veroordeelt gedaagde:

a. a) tot betaling aan eiseres van Afl. 187.844,12, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 9,5% per jaar vanaf 28 augustus 2014; en

b) tot afgifte aan eiseres van aan deze overgedragen goederen;

veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van eiseres worden begroot op Afl. 1.880,-- aan griffierecht, Afl. 1.599,65 aan explootkosten en Afl. 4.200,-- aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.H. Lemaire, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 augustus 2015 in aanwezigheid van de griffier.