Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:211

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
24-08-2015
Zaaknummer
A.R. nr. 1533 van 2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiele zaak, ongerechtvaardigde verrijking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 19 augustus 2015

Behorend bij A.R. nr. 1533 van 2013

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

A,

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: A,

gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn,

tegen:

B,

wonende in Curaçao,

gedaagde,

hierna ook te noemen: B,

gemachtigde: de advocaat mr. N.C. Pietersz.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord;

-de conclusie van repliek;

-de conclusie van dupliek.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

A vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis B veroordeelt:

-om tegen kwijting te betalen aan A Afl. 43.509,50, althans een door het Gerecht te bepalen ander bedrag, ten titel van schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking, te vermeerderen met (1) wettelijke rente en (2) 15% aan buitengerechtelijke incassokosten;

-in de proceskosten.

2.2

B voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van het door A verzochte, en subsidiair - indien wordt geoordeeld dat A ten koste van B ongerechtvaardigd is verrijkt - tot vaststelling van een veel lager dan het door B gevorderde bedrag aan schadevergoeding.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Vast staat tussen partijen het volgende. A is op 10 maart 2000 in Nederland binnen gemeenschap van goederen gehuwd met [naam] (hierna: C). C is de dochter van B. In de maand augustus 2008 is het echtpaar (A en C dus; hierna ook: het echtpaar) gaan wonen in de in Aruba te [adres] gelegen aan B in eigendom toebehorende woning (hierna: de woning). Het echtpaar heeft een zeker bedrag geïnvesteerd in de woning ter zake van de in het verzoekschrift onder 5. vermelde reparaties, aanpassingen, vervangingen, et cetera. Het huwelijk van het echtpaar is op 11 juli 2011 of enige daarna gelegen datum door echtscheiding geëindigd. A heeft op enig na augustus 2011 gelegen moment de woning verlaten.

3.2

A stelt tegen voormelde achtergrond dat B door de door het echtpaar verrichte aanpassingen/verbeteringen aan woning ten koste van het echtpaar ongerechtvaardigd is verrijkt voor een bedrag van Afl. 87.019,--, en dat het huwelijksgoederenregime waaronder het echtpaar was gehuwd met zich brengt dat A gerechtigd is tot de door B ten titel van schadevergoeding aan hem uit te betalen helft van dat bedrag (zijnde het in hoofdsom gevorderde bedrag).

3.3

Voorop wordt gesteld dat ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 6:212 BW hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, voor zover dit redelijk is, diens schade dient te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.

3.4

B heeft onbestreden gesteld dat de woning groot en goed gelegen is en dat die een huurwaarde had van maandelijks Afl. 2.500,--. B heeft in dat verband verder gesteld dat het echtpaar de woning om niet heeft bewoond, uit welke stelling het Gerecht begrijpt dat B zich op het standpunt stelt dat - zo hij is verrijkt als door A gesteld - het onder die omstandigheden niet redelijk is dat A de helft van het door het echtpaar in de woning geïnvesteerde bedrag wenst terug te krijgen als vergoeding van schade. A betwist dat het echtpaar om niet de woning heeft bewoond, maar dat verweer mist voldoende feitelijke grondslag en verificatoire onderbouwing. Het had te dezen op de weg van A gelegen om aan te geven hoeveel het echtpaar precies betaalde voor het gebruik van de woning en voorts om betalingsbewijzen dienaangaande in het geding te brengen. Vast komt derhalve te staan dat het echtpaar om niet (in de zin van geen - verplichting tot - betaling van huur of gebruiksvergoeding) de woning heeft bewoond.

3.5

Los van het gegeven dat A het tegenovergestelde niet heeft gesteld, is het onder de hiervoor geschetste omstandigheden naar het oordeel van het Gerecht niet redelijk dat B (de helft van) het bedrag ten belope waarvan hij ten koste van het echtpaar of A (mogelijk) is verrijkt dient te vergoeden aan A. In het licht van het vaststaande gegeven dat het echtpaar de woning met een huur- of gebruikswaarde van maandelijks Afl. 2.500,-- om niet bewoonde, is immers gesteld noch gebleken dat het echtpaar, althans A, minder dan 35 maanden in de woning heeft gewoond, terwijl de huur- of gebruikswaarde van de woning over 35 maanden gerekend het beweerdelijke door het echtpaar in de woning geïnvesteerde bedrag overstijgt.

3.6

Vorenstaande brengt reeds mee dat de vorderingen van A moeten worden afgewezen, en dat alle overige stellingen van partijen - wat van de inhoud daarvan ook zij - onbesproken kunnen blijven.

3.7

A zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van B, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.200,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van liquidatietarief 6, ad

Afl. 1.100,-- per punt).

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-wijst af het door A verzochte;

-veroordeelt A in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van B, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.200,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 augustus 2015 in aanwezigheid van de griffier.