Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:207

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
24-08-2015
Zaaknummer
E.J. no. 2715 van 2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Redelijke uitleg van het tweede lid van artikel 9 van de Landsverordening minimumlonen brengt mee dat het in dat artikel vermelde minimum maandloon van

Afl. 763,55 bruto alleen geldt voor kost en inwoning genietend huishoudelijk personeel in dienst (in het huishouden) van een natuurlijke persoon. Voor geen kost en inwoning genietend huishoudelijk personeel in dienst (in het huishouden) van een natuurlijke persoon geldt - net als voor het overige deel van de Arubaanse beroepsbevolking - het in het eerste lid van artikel 9 van de Landsverordening minimumlonen vermelde minimum maandloon, dat thans is gesteld op maandelijks Afl. 1.636,70 bruto. De door gedaagde andersluidende uitleg, dat ook voor geen kost en inwoning genietend huishoudelijk personeel het minimum loon van Afl. 763,55 heeft te gelden, zou ontoelaatbaar onderscheid opleveren. Een dergelijk onderscheid is niet verenigbaar met artikel I van de Staatsregeling van Aruba, wat ingevolge artikel I.22 van diezelfde Staatsregeling zou betekenen dat het tweede lid van artikel 9 van de Landsverordening minimumlonen geen toepassing kan vinden, oftewel onverbindend zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0824
AR 2015/1558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 18 augustus 2015

Behorend bij E.J. no. 2715 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING in de zaak van:

X,

wonende in Aruba,

verzoekster,

hierna ook te noemen: X,

gemachtigden: de advocaten mrs. M.P. Jansen en D.G. Illes,

tegen:

Y,

wonende in Aruba,

verweerster,

hierna ook te noemen: Y,

gemachtigde: de advocaat mr. J.A. Saade.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-het verweerschrift, met producties;

-de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 24 februari 2015.

1.2

X is toen ter zitting verschenen samen met mr. Illes voornoemd. Y is eveneens verschenen samen met haar gemachtigde. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd - X mede aan de hand van een overgelegde pleitnota - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Beschikking is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Naast verlof tot kosteloos procederen verzoekt X dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking Y veroordeelt:

a. om aan X te betalen Afl. 1.636,70 wegens kennelijk onregelmatig ontslag, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 11 juni 2014;

b. om aan X te betalen Afl. 1.133,10 aan cessantia, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 11 juni 2014;

c. om aan X te betalen Afl. 15.564,30 aan achterstallig loon, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 11 juni 2014;

d. in de proceskosten.

2.2

Y voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door X verzochte, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Uit het daartoe overgelegde bevoegdelijk afgegeven bewijs van onvermogen blijkt dat X niet in staat is om de kosten van deze procedure te dragen. Aan haar zal daarom bij nog te wijzen eindbeschikking verlof tot kosteloos procederen worden verleend.

3.2

Vast staat tussen partijen dat X krachtens een daartoe tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst op 27 juli 2011 als dienstbode of huishoudster voor onbepaalde tijd in loondienst is getreden (in het huishouden) van Y, tegen een laatstelijk genoten bruto maandloon van Afl. 1.100,--. X stelt tegen die achtergrond als grondslagen voor haar vorderingen dat Y haar op 2 januari 2014 om voor X onbekende redenen ten onrechte op staande voet heeft ontslagen, en voorts stelt X dat Y haar gedurende haar dienstverband niet het voor Aruba geldende minimum loon ad

Afl. 1.636,70 maandelijks heeft uitbetaald, terwijl Y daartoe volgens X wel was gehouden omdat X geen bij Y inwonende dienstbode was.

3.3

Y heeft de stelling van X ter zake van ontslag op staande voet gemotiveerd bestreden, waardoor die vooralsnog niet vast staat. X, die zich beroept op rechtsgevolgen van het door haar gestelde, zal ter zake van het door haar onder a. en b. gevorderde volgens de in artikel 129 Rv neergelegde hoofdregel van het bewijsrecht moeten bewijzen dat zij op 2 januari 2014 op staande voet is ontslagen door Y. Dat bewijs kan worden geleverd met alle middelen rechtens, te beginnen met het doen horen van getuige(n). De zaak zal daartoe worden verwezen naar de in het dictum vermelde terechtzitting. X dient uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuige(n) schriftelijk kenbaar te maken aan het Gerecht en aan Y.

3.4

Wat betreft de vordering tot betaling van achterstallig loon wordt het volgende overwogen. Redelijke uitleg van het tweede lid van artikel 9 van de Landsverordening minimumlonen (hierna: de Landsverordening) in het licht van de daarbij door de wetgever gegeven toelichting brengt mee dat het in dat artikel vermelde minimumloon (van thans ad Afl. 763,55 bruto maandelijks) voor het in dat artikel bedoelde huishoudelijk personeel (zoals X) alleen geldt indien sprake is van huishoudelijk personeel dat kost en inwoning geniet van de werkgever, welk genot heeft te gelden als betaling van (een deel van het) loon in natura. De andersluidende door Y gegeven uitleg van bedoeld artikel - dat het minimum maandloon van ook niet kost en inwoning genietend huishoudelijk personeel ingevolge het in het tweede lid van artikel 9 van de Landsverordening Afl. 763,55 bedraagt - zou naar het oordeel van het Gerecht ontoelaatbare discriminatie opleveren tussen niet kost en inwoning genietend huishoudelijk personeel ten opzichte van de rest van de beroepsbevolking die gerechtigd is tot het in het eerste lid van voormeld artikel 9 vermelde minimum loon (van thans Afl. 1.636,70 bruto maandelijks), hetgeen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Dat laatste klemt temeer omdat een dergelijk ontoelaatbaar onderscheid naar het oordeel van het Gerecht niet verenigbaar is met artikel I van de Staatsregeling van Aruba, wat ingevolge artikel I.22 van diezelfde Staatsregeling zou betekenen dat het tweede lid van artikel 9 van de Landsverordening minimumlonen geen toepassing kan vinden, oftewel onverbindend zou zijn. Bij dit alles heeft te gelden dat is gesteld noch gebleken dat de arbeidsproductiviteit van niet kost en inwoning genietend huishoudelijk personeel betaling van het in het eerste lid van artikel 9 van de Landsverordening vermelde minimumloon niet rechtvaardigt, en dat het van algemene bekendheid is dat de door dat personeel uit te voeren werkzaamheden bepaaldelijk niet licht zijn.

3.5

Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is niet in geschil tussen partijen dat voor X telkens een vergunning is aangevraagd en verkregen om voor Y werkzaam te zijn als inwonende dienstbode. Y heeft in dat verband niet of onvoldoende bestreden gesteld dat (1) ten behoeve van X het perceel van Y naar de daartoe door de wetgever gestelde eisen was ingericht voor een inwonende dienstbode, (2) X haar maaltijden kreeg van en at bij Y, (3) X douchte en haar kleren waste bij Y en (4) dat X in het bevolkingsregister van Aruba stond ingeschreven als woonachtig op het adres van Y. Hoewel niet in geschil is tussen partijen dat X zelf opteerde om doorgaans bij een op loopafstand van Y wonend familielid van X te overnachten, mist het betoog van X - dat Y gedurende het dienstverband van X telkens het eerste lid van artikel 9 van de Landsverordening minimumlonen heeft geschonden en daarom nog loon aan X verschuldigd is - in het licht van het hiervoor onder (1) tot en met (4) vermelde voldoende feitelijke grondslag, en wordt daarom gepasseerd. Dit betekent dat de vordering onder c. bij nog te wijzen eindbeschikking zal worden afgewezen, en dat alle overige stellingen van partijen dienaangaande - wat van de inhoud daarvan ook zij - onbesproken kunnen blijven.

3.6

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht:

-stelt X in de gelegenheid om met alle middelen rechtens te bewijzen wat zij ingevolge rechtsoverweging 3.3 dient te bewijzen, te beginnen met het doen horen van getuige(n);

-verwijst de zaak daartoe naar de terechtzitting van dinsdag 6 oktober 2015 om 09:00 uur, te houden in de enquêtezaal van het in Aruba te J.G. Emanstraat 51 gelegen gerechtsgebouw;

-bepaalt dat X uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuige(n) schriftelijk kenbaar moet maken aan het Gerecht en aan Y;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 18 augustus 2015.