Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:188

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
03-08-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
K.G. no. 1585 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De toelatingseisen voor toelating tot de vierde klas van de HAVO van MAVO-afgestudeerden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 3 augustus 2015 (bij vervroeging)

Behorend bij K.G. no. 1585 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in kort geding van:

de stichting

STICHTING MIDDELBAAR ONDERWIJS ARUBA,

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: de SMOA,

gemachtigde: de advocaat mr. E.R. Zeppenfeldt,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigde: de advocaat mr. D.M. Canwood.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting van 31 juli 2015.

1.2

De SMOA is toen ter zitting verschenen bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door dhr. [X], mw. [Y] en mw. [Z] (bestuursvoorzitter respectievelijk bestuurslid van en conrector bij de SMOA). Het Land is verschenen bij zijn gemachtigde, die werd vergezeld door dhr. [A] (adviseur bij het Bureau van de minister van Onderwijs). De gemachtigden hebben in twee termijnen het woord gevoerd - mede aan de hand van overgelegde pleitnota’s, voorzien van toegelaten producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

De SMOA vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis en kosten rechtens het Land beveelt om te gehengen en te gedogen dat de SMOA de ministeriële beschikking van 8 juli 2015 buiten toepassing laat.

2.2

Het Land voert verweer, en concludeert tot afwijzing van het door de SMOA verzochte, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1.1

Ter zake van de vraag of de SMOA een rechtens te respecteren spoedeisend belang heeft bij het door haar verzochte wordt het volgende overwogen. In dit verband stelt de SMOA dat zij dat belang heeft, aangezien de krachtens de bij partijen genoegzaam bekende ministeriële beschikking van 8 juli 2015 vastgestelde eisen waaraan MAVO-afgestudeerden moeten voldoen voor toelating tot de vierde klas van de HAVO, waaronder begrepen die van het onder de SMOA ressorterende Colegio Arubano (hierna: Colegio), meteen en zonder overgangsperiode van toepassing zijn op het op 17 augustus 2015 aan te vangen schooljaar 2015-2016, terwijl Colegio de toelating voor dat schooljaar - waarvoor studenten zich tot 3 juli 2015 konden inschrijven - al heeft afgerond.

3.1.2

Het Land heeft in dit verband gesteld dat voormelde door de minister vastgestelde toelatingseisen (hierna: de eisen) de facto niet afwijken van de toelatingseisen zoals die golden voor het schooljaar 2014-2015, die voor het schooljaar 2015-2016 unilateraal door de SMOA zijn vervangen door zwaardere toelatingseisen. Die stelling heeft de SMOA niet of onvoldoende bestreden. Vast staat daarom onder meer dat de eisen de facto niet afwijken van de voor het schooljaar 2014-2015 geldende toelatingseisen. Tegen die achtergrond heeft het Gerecht ter zitting de SMOA de vraag ter beantwoording voorgelegd hoeveel MAVO-afgestudeerden er door toepassing van de door haar eenzijdig vastgestelde zwaardere eisen voor het schooljaar 2015-2016 niet tot Colegio HAVO-4 zijn toegelaten, terwijl die afgestudeerden in geval van toepassing van de toelatingseisen voor het schooljaar 2014-2015 (die dus de facto gelijk zijn aan de thans door de minister vastgestelde eisen) wel zouden zijn toegelaten. Hoewel dat op haar weg had gelegen om dat wel te doen heeft de SMOA die te verwachten vraag niet stellig kunnen beantwoorden, maar zij denkt dat het gaat om vijf tot hooguit vijftig gevallen. Voorts heeft de SMOA desgevraagd verklaard dat Colegio voor het schooljaar 2015-2016 negen HAVO-4 klassen heeft. De door het Land bestreden stelling van de SMOA dat die klassen reeds vol zitten heeft de SMOA niet verificatoir onderbouwd, en wordt daarom gepasseerd.

3.1.3

Bij voormelde stand van zaken valt niet in te zien waarom van de SMOA in redelijkheid niet gevergd kan worden om te dezen een beslissing van de bodemrechter af te wachten. Niet aannemelijk is immers geworden dat er voor de SMOA (lees tevens Colegio) een onwerkbare of onverantwoordelijke situatie ontstaat (door het alsnog moeten toelaten tot HAVO-4 van bedoelde buiten de boot gevallen MAVO-afgestudeerden) indien de door de minister vastgestelde eisen van toepassing zijn zolang zij te dezen niet wordt teruggefloten door de bodemrechter. Hierbij heeft te gelden dat niet voorshands aannemelijk is geworden dat het onmogelijk is dat die afgestudeerden alsnog (nog voor aanvang van het schooljaar 2015-2016) worden ingeschreven als HAVO-4 leerlingen bij Colegio, en evenmin is voorshands aannemelijk geworden dat die leerlingen niet verspreid over de negen HAVO-4 klassen die Colegio heeft geplaatst en ingeroosterd kunnen worden. De slotsom luidt dat het door de SMOA verzochte zal worden afgewezen.

3.2

Overigens heeft te gelden dat het Gerecht in geval van een inhoudelijke beoordeling van dit geschil bij afweging van de betrokken belangen van partijen (waarbij aan de zijde van het Land tevens de belangen van de thans niet toegelaten MAVO-afgestudeerden mee worden gewogen) tot het oordeel zou zijn gekomen dat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van de SMOA bij toewijzing van het door haar verzochte ten opzichte van de belangen van het Land bij afwijzing daarvan.

3.3

De SMOA zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

3.4.1

Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen, waarbij het Gerecht gebruik maakt van zijn in artikel 118 Rv neergelegde bevoegdheid.

3.4.2

Gedurende de aanloop van en hangende de door de SMOA te starten bodemprocedure heeft het Land de tijd om met weging van de door de SMOA te dien aanzien aangevoerde argumenten te beoordelen of hij al dan niet de door de minister vastgestelde toelatingseisen door middel van een gewichtiger wettelijk vehicle (Lb-ham) vaststelt. Daarbij heeft te gelden dat het Gerecht, en al helemaal het Gerecht in kort geding, terughoudendheid dient te betrachten bij de beantwoording van de vraag of de minister (zoals zij - door de SMOA gemotiveerd bestreden - stelt) op grond van (sub)delegatie bevoegd is om bedoelde regels vast te stellen zoals ze heeft gedaan.

3.4.3

Ook kan het Land overwegen of hij in de bodemprocedure al dan niet een reconventionele vordering instelt ter beantwoording van de vraag of de SMOA al dan niet bevoegd is om eenzijdig (verzwaarde) toelatingseisen vast te stellen voor toelating tot Colegio HAVO-4 van MAVO-afgestudeerden, zoals zij heeft gedaan voor het schooljaar 2015-2016. De SMOA stelt in dit verband dat zij op grond van het bepaalde in het eerste lid van artikel 2 van het Landsbesluit dagscholen v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o. (AB 1999 no. 62, zoals gewijzigd bij AB 2015 no. 28) als zijnde het bevoegde gezag over Colegio beslist over de toelating van leerlingen. Het is echter in het licht van strekking en geest van de hier toepasselijke wettelijke bepalingen (meer in bijzonder artikel 29 van de Landsverordening voortgezet onderwijs in verbinding met artikel 5 en 2 van voormeld Landsbesluit) nog maar zeer de vraag of de SMOA krachtens die bepaling bevoegd is om toelatingseisen vast te stellen zoals ze heeft gedaan en naar haar zeggen mocht doen, of dat de SMOA op de voet van voormeld artikel 2 alleen bevoegd is om op grond van (rechtsgeldig) wettelijk vastgestelde toelatingseisen of -voorwaarden te beoordelen of in dit geval een MAVO-afgestudeerde wel of niet aan die eisen/voorwaarden voldoet, en aldus vaststelt/beslist of die afgestudeerde wel of niet wordt toegelaten tot Colegio HAVO-4.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-wijst af het door de SMOA verzochte;

-veroordeelt de SMOA in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op maandag 3 augustus 2015.