Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:186

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
L.A.R. nr. 1555 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 30 juli 2015

L.A.R. nr. 1555 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

de coöperatieve vereniging

LA CABANA BEACH & RACKET CLUB ,

gevestigd in Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,

gericht tegen:

de Landsbemiddelaar ,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras-Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 15 juli 2015 heeft de Landsbemiddelaar bepaald dat het referendum onder de werknemers van verzoekster, in de afdeling Housekeeping, zoals door de vakbond STA is verzocht, zal plaatsvinden op vrijdag 31 juli 2015 en dat die vakbond aan het referendum mag deelnemen.

Tegen deze beschikking heeft verzoekster bij verweerder bezwaar gemaakt.

Verzoekster heeft zich voorts tot het gerecht gewend met het verzoek ex artikel 54 van de Lar, tot schorsing van de beschikking van verweerder van 15 juli 2015.

Dit verzoek is op 27 juli 2015 behandeld ter zitting van dit gerecht, waar verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en haar directeur, de heer Najar. De Landsbemiddelaar, de heer A. Pontilius, is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking te schorsen op de grond dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

2.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de beslissing van de Landsbemiddelaar vatbaar is voor bezwaar en beroep uit hoofde van de Lar – een lijn die het gerecht in recente uitspraken ook aanhoudt - en evenmin staat ter discussie dat verzoekster belanghebbende is.

2.3

Het spoedeisend belang aan de zijde van verzoekster is genoegzaam aannemelijk gemaakt, nu zij, indien de uitslag van het referendum zal zijn dat de deelnemende vakbond de meerderheid van de werknemers vertegenwoordigt, gedwongen zal kunnen worden om op korte termijn met deze vakbond te onderhandelen over een collectieve arbeidsovereenkomst.

2.4

Het belangrijkste argument van verzoekster is dat de Landsbemiddelaar niet op goede gronden heeft kunnen aannemen dat de meerderheid van de werknemers in de afdeling Housekeeping lid is van de STA. Zij voert daarbij aan dat de Landsbemiddelaar personen heeft meegeteld die zich nog maar net hadden ingeschreven als lid of die inmiddels weer hadden opgezegd.

2.5

Namens verweerder zijn overgelegd 31 formulieren van werknemers die lid zouden zijn (geworden) van de STA. Op een bestand van 57 werknemers is dat een meerderheid. De Landsbemiddelaar is ermee op de hoogte dat een aantal werknemers zijn lidmaatschap alweer zou hebben opgezegd. Zijn redenering is dat zij dan in ieder geval tot 1 januari volgend jaar lid zijn.

2.6

Het gerecht oordeelt als volgt. Op basis van de overgelegde stukken lijkt het er op dat er aan de werknemers van de afdeling Huishouding van verschillende kanten wordt ‘getrokken’, waardoor deze van de weeromstuit lid worden van de vakbond en dit lidmaatschap vervolgens weer opzeggen. De arbeidsvrede lijkt te zijn aangetast. De Landsbemiddelaar die daarmee wordt geconfronteerd, moet een afweging maken en hem komt daarbij een zekere beoordelingsmarge toe. Daarbij is van belang de memorie van toelichting op artikel 14A, eerste lid, van de Arbeidsgeschillenlandsverordening. Hij moet beoordelen of het houden van een referendum zin heeft. Er moet een redelijke kans bestaan op de aanwijzing van een meerderheidsvakbond. De wetgever lijkt daarbij een materieel-inhoudelijke toets voor ogen te hebben. Met een dergelijk soort inschatting verhoudt zich, voorshands geoordeeld, geen al te beperkende definitie van het begrip lidmaatschap, die de Landsbemiddelaar bij het maken van die inschatting zou beperken. Voorshands staat dus niet buiten redelijke twijfel vast dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de afweging van de Landsbemiddelaar, zoals weergegeven in overweging 2.5, in strijd is met de wet of in redelijkheid niet door hem gemaakt had mogen worden.

2.7

Verzoekster heeft voorts aangegeven de Landsbemiddelaar geen referendum had mogen aankondigen voor slechts één afdeling binnen het bedrijf. Een afdeling kan niet gelijk worden gesteld aan de wettelijke term ‘categorie’. Dat zou leiden tot versnippering.

2.8

De vraag hoe het begrip ‘categorie’ moet worden uitgelegd, is eveneens al voorlopig aan de orde geweest in de zaak Lar 1092/2015. Daar is voorlopig geoordeeld dat de wet noch de wetsgeschiedenis de door de Landsbemiddelaar aan bedoeld begrip gegeven invulling, uitsluit. Dat de wetgever met ‘categorieën’ uitsluitend heeft gedoeld op onderverdeling van de werknemers in horizontale zin, vloeit niet zonder meer voort uit de wettekst noch uit de wetsgeschiedenis. De voorzieningenrechter in de onderhavige procedure sluit zich bij deze overweging aan. Ook hier geldt dat de memorie van toelichting op artikel 14a geen aanleiding geeft het begrip ‘categorie’ beperkend te definiëren. Ook hier heeft de Landsbemiddelaar een zekere beoordelingsmarge. Daarmee is niet gezegd dat verzoekster in het geheel geen punt heeft. Het betreft echter een belang dat door de Landsbemiddelaar dient te worden meegewogen en dat niet op zichzelf staat. Voor de behandeling van de verzochte voorlopige voorziening heeft te gelden dat het gevaar van fragmentatie in de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen voor verzoekster niet zodanig acuut lijkt dat reeds daarin een belang zou zijn gelegen om bij voorlopige voorziening in te grijpen.

2.9

De vragen die in dit geding aan de orde zijn, zijn vragen van meer principiële aard, die in de bodemprocedure anders kunnen uitpakken dan de voorlopige inschatting van de voorzieningenrechter. Is er aanleiding – alles afwegende - de bestreden beslissing te schorsen op grond, zoals door verzoekster gesteld, dat de uitvoering daarvan voor haar een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang? Tot dat oordeel komt de voorzieningenrechter niet. Mogelijk blijkt dat STA geen meerderheid krijgt. In dat geval is voorlopig duidelijk dat zij geen voet heeft om op te staan in haar bedoeling aan tafel te mogen zitten met de directie van verzoekster. Krijgt zij wel een meerderheid, dan zal verzoekster voorlopig met de STA om de tafel moeten. Dat dit in de context van deze zaak tot onevenredig nadeel voor verzoekster zou leiden, heeft zij onvoldoende duidelijk gemaakt. Dat zij bij voorkeur niet met de STA onderhandelt, maar rechtstreeks met haar personeel, levert zodanig nadeel niet op.

2.10

Alles afwegende, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.A.H. Lemaire, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 30 juli 2015 in aanwezigheid van de griffier.