Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:17

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
12-05-2015
Zaaknummer
K.G. no. 624 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

rectificatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 6 mei 2015

Behorend bij K.G. no. 624 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in kort geding van:

A,

wonende in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: A,

gemachtigden: de advocaten mrs. A.M. Wever en M.J.J.L.P. Willems,

tegen:

1 B,

hierna ook te noemen: B,

2 C,

hierna ook te noemen: C,

beiden wonende in Aruba,

gedaagden,

hierna gezamenlijk ook te noemen: B c.s.,

gemachtigde voor beiden: de advocaat mr. A.A. Ruiz.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting van 9 april 2015.

1.2

A is toen ter zitting verschenen, samen met haar gemachtigde. B c.s. zijn eveneens samen met hun gemachtigde ter zitting verschenen. De gemachtigden van partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - mede aan de hand van overgelegde pleitnota’s, voorzien van tijdig ingezonden producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

A vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

-B c.s. persoonlijk c.q. hoofdelijk en in onderling verband beveelt om binnen 48 uur na de uitspraak van dit vonnis zowel via het dagblad B op de voorpagina althans pagina 3 alsook in een aan A gerichte brief af te geven aan het kantoor van haar gemachtigden zonder daaraan afdoend commentaar de in het petitum van het verzoekschrift vermelde schriftelijke verklaring af te leggen;

-bepaalt dat B c.s. ten behoeve van A een dwangsom verbeuren van

Afl. 10.000,-- per dag of deel daarvan dat zij voormeld bevel niet opvolgen;

-B c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.

2.2

B c.s. voeren verweer, en concluderen dat A niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot ontzegging daarvan, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat A niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Indien A geen vorderingsrechten heeft op B en/of C moeten haar jegens hen gerichte rechtsvorderingen worden afgewezen.

3.2.1

Alvorens over te gaan tot beantwoording van de vraag of A voldoende rechtens te respecteren spoedeisend belang heeft bij het door haar verzochte, wordt voorop gesteld dat toewijzing daarvan een beperking vormt op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting dat aan een ieder, derhalve ook aan B en/of C, op grond van het eerste lid van artikel I.12 van de Staatsregeling van Aruba en het in de Arubaanse rechtsorde rechtstreeks doorwerkende eerste lid van artikel 10 van het EVRM toekomt. Dit grondrecht geldt volgens voormeld artikel van de Staatsregeling van Aruba “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening” en kan volgens het tweede lid van voormeld verdragsartikel slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Van een toelaatbare beperking die in Aruba bij (formele) wet is voorzien is sprake wanneer de uitlatingen van B en/of C onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BWA.

3.2.2

Bij de beantwoording van de vraag of dit zich hier voordoet staan twee gelijkwaardige, ieder voor zich hoogwaardige maatschappelijke en persoonlijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang van A om, ook als politicus, niet door uitlatingen in de media te worden aangetast in haar eer, goede naam en persoonlijke integriteit; aan de andere kant het belang van B c.s. om zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en/of waarschuwend te kunnen uitlaten over een persoon die een openbaar ambt bekleedt of ter signalering van misstanden die de samenleving raken.

3.2.3

De vrijheid van meningsuiting betreft niet alleen de inhoud van meningen, maar ook de vorm waarin zij worden geuit en strekt zich in beginsel ook uit tot uitingen die kwetsend, schokkend of verontrustend (kunnen) zijn. In de rechtspraak is verder onderscheid gemaakt tussen feitelijke verklaringen en waardeoordelen. Feitelijke verklaringen die de persoonlijke levenssfeer van een ander in negatieve zin raken moeten van een voldoende feitelijke grondslag worden voorzien, om het onrechtmatige karakter daaraan te ontnemen. Dat is niet het geval bij waardeoordelen, zij het dat een waardeoordeel excessief kan worden bevonden indien daarvoor een onvoldoende feitelijke basis is.

3.2.4

Verder volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat ten aanzien van politici (zoals A dus) niet snel kan worden aangenomen dat een beperking van het recht van vrije meningsuiting is toegestaan. In het geval van een politieke discussie of een politiek debat over openbare aangelegenheden moeten de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zowel ten aanzien van vorm als ten aanzien van inhoud ruim worden gesteld. Tenslotte is in de jurisprudentie relevant geacht in hoeverre een persoon tot wie de uitlatingen zich richten, in staat is daarop te reageren.

3.3.1

Het Gerecht is met [B c.s.] van oordeel dat de hiervoor onder 3.2.1 vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zonder meer valt niet in te zien dat van A in redelijkheid niet gevergd kan worden om ter zake van de door haar beoogde rectificatie een uitspraak van de bodemrechter af te wachten. Dit klemt temeer om het volgende.

3.3.2

B en/of C zijn volgens A begonnen met publicatie van de door haar gewraakte artikelen (hierna: de artikelen) in de edities van B van 29, 30 en 31 december 2014, en dergelijke publicaties zijn daarna volgens A ook verschenen in de edities van 6, 7, 10, 13, 15, en 20 januari 2015. Het was in dat verband voor A duidelijk, althans had het voor haar duidelijk behoren te zijn, dat B en/of C niet tot de door haar (bij schrijven van 19 januari 2015) verzochte vrijwillige rectificatie zouden overgaan toen B bij email van 21 januari 2015 aan A te kennen gaf dat rectificatie eerst aan de orde zou kunnen zijn als er aan door hem gestelde voorwaarden (in de zin van verschaffing van informatie) zou zijn voldaan. Daarbij is van belang dat A zich op het standpunt heeft gesteld dat zij niet gehouden was in te gaan op of te voldoen aan die door B gestelde voorwaarden. In het licht van dit alles heeft A echter om voor haar moverende reden er voor gekozen om eerst op 25 maart 2015 haar inleidend verzoekschrift in te dienen ter griffie van dit Gerecht. Dat is ruim twee maanden nadat het voor A duidelijk was of moest zijn dat vrijwillige rectificatie zou uitblijven. Als het allemaal werkelijk zo klemmend en spoedeisend zou zijn zoals door A gesteld, had het op haar weg gelegen om veel eerder dan thans het geval haar verzoek tot rectificatie aan het Gerecht ter beoordeling voor te leggen.

3.3.3

Bij vorenstaande komt nog het algemeen bekende feit dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid valt te verwachten dat de eerstvolgende verkiezing voor de Staten van Aruba zal plaatsvinden in het najaar van 2017. Voor zover A meent dat zij schade als gevolg van de artikelen dreigt op te lopen in de zin van verlies van stemmen (op haar of de partij waaraan zij is gelieerd) van alsdan stemgerechtigden bestaat er in dat verband meer dan genoeg ruimte om een (uitvoerbaar bij voorraad te verklaren) uitspraak van de bodemrechter af te wachten. De procedure in kort geding is niet bedoeld om via een zogeheten “short cut” te proberen sneller dan anders thuis te komen.

3.4

Vorenstaande leidt reeds tot de slotsom dat het door A verzochte zal worden afgewezen, en dat A - als de in het ongelijk gestelde partij - zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van B c.s., tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

3.5

Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.

3.6

Vast staat dat het Land Aruba op 3 december 2014 een openbare aanbesteding heeft uitgeschreven ter zake van nieuw af te sluiten “ziektekosten- en ZIP verzekering” voor de in Nederland studerende Arubaanse studenten met een Arubalening (hierna: de aanbesteding), en dat voor gunning daarvan moest worden voldaan aan de bij partijen genoegzaam bekende aanbestedingsvoorwaarden. In dat verband hebben B c.s. niet of onvoldoende bestreden gesteld dat één van die voorwaarden inhield dat iedere deelnemer aan de aanbesteding een financieel verslag over de twee aan voormelde datum voorafgaande jaren alsmede een bankreferentie moest overleggen.

3.7

Vast staat verder dat de aanbestedingsprocedure heeft geleid tot gunning aan het Nederlandse bedrijf InsureToStudy B.V. (hierna: het bedrijf), terwijl B c.s. onbestreden hebben gesteld dat (1) dit bedrijf eerst zo’n twee weken voor de aanbesteding is opgericht (te weten op 18 november 2014) en daarom niet kon voldoen aan voormelde aanbestedingsvoorwaarde, (2) het gestorte en geplaatste kapitaal van dat bedrijf slechts 1 Euro bedraagt (wat bij B c.s. de vraag heeft doen rijzen of het bedrijf wel kapitaalkrachtig genoeg voor jaarlijkse miljoenentransacties), (3) het bedrijf geen werknemers heeft en niet beschikt over een vaste telefoonlijn, maar alleen over een zogeheten 06 nummer (wat bij B c.s. de vraag heeft doen rijzen hoe het bedrijf onder die omstandigheden de belangen van 1200 in Nederland studerende Arubaanse studenten kan behartigen). Voorts hebben B c.s. gesteld dat (4) de echtgenoot van A internetcontact heeft en/of onderhoudt met aandeelhouders in het bedrijf. Die met bij partijen genoegzaam bekende stukken onderbouwde stelling heeft A onvoldoende (onderbouwd) bestreden (zie in dit verband productie 6 van B c.s.).. Voorshands aannemelijk wordt daarom geoordeeld dat de echtgenoot van A internetcontact heeft en/of onderhoudt met aandeelhouders in het bedrijf, welke omstandigheid bij B c.s. de vraag heeft doen rijzen of die heeft bijgedragen aan gunning aan het bedrijf van de te verrichten (in het openbaar aanbestede) dienstverlening.

3.8

In het licht van het vorenstaande kan naar het voorlopig oordeel van het Gerecht niet gezegd worden dat de publicaties zijn gespeend van enige grond. Het is dan ook zeer de vraag of de artikelen hebben te gelden als onrechtmatig jegens A, zoals door haar betoogd. De omstandigheid dat B c.s. op geen enkel moment voorafgaande aan de publicatie van de artikelen aan A om opheldering hebben gevraagd, kan niet bijdragen aan het door A gestelde onrechtmatige karakter daarvan. Tegen de achtergrond van de onbestreden stelling van B c.s. dat A tot heden nog nooit vragen van hen heeft beantwoord valt overigens niet in te zien waarom B c.s. evenwel om die opheldering hadden moeten vragen.

3.9

In het verdere licht van vorenstaande had het op de weg van A gelegen om heldere openbare uitleg te geven over hoe volgens haar de vork dan wèl precies in de steel steekt. Dit temeer omdat B c.s. onbestreden hebben gesteld dat de huidige Arubaanse regering, waarvan A dus deel uitmaakt, beschikt over een uitgebreide media-infrastructuur. In dit verband wordt verwezen naar de slotsom van de hiervoor vermelde rechtsoverweging 3.2.4. Bij dit alles heeft te gelden dat het aan B gerichte schrijven van 19 januari 2015 van (de gemachtigde van) A geen of onvoldoende uitleg geeft ter zake van de hiervoor onder (1) tot en met (4) geschetste stellingen van B c.s., en de vragen die naar aanleiding daarvan bij hen zijn gerezen. Naar het oordeel van het Gerecht vragen die stellingen en vragen node om heldere en toereikende (ministeriële) uitleg. Door die uitleg tot nog toe niet of in onvoldoende mate te geven, heeft A de thans door haar gewraakte artikelen - wat van de inhoud daarvan verder ook zij - in elk geval over zich afgeroepen.

3.10

Het gegeven dat het bedrijf volgens A deel uit maakt van Jonker-Schotte Adviesgroep B.V, zijnde een onderneming die volgens A sinds 1951 bestaat en waarvan de medewerkers meer dan 15 jaar ervaring hebben met schadebehandeling en acceptatie van internationale studentenverzekeringen, maakt al het vorenstaande niet anders. Dit met name omdat is gesteld noch gebleken dat InsureToStudy B.V. valt te vereenzelvigen met Jonker-Schotte Adviesgroep B.V., waardoor het onduidelijk is of de bij het pas opgerichte bedrijf verzekerde Arubaanse studenten al dan niet achter het net vissen indien het haar contractuele verplichtingen jegens hen om welke redenen dan ook niet kan nakomen.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-wijst af het door A verzochte;

-veroordeelt A in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van B c.s., tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 6 mei 2015.