Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:168

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
A.R. 17-2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onrechtmatige overheidsdaad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 1 juli 2015

Behorend bij A.R. 17-2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

E*,

wonende te Aruba,

eiser, hierna ook te noemen: E*

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,

tegen:

de openbare rechtspersoon

HET LAND ARUBA

gevestigd te Aruba,

gedaagde, hierna ook te noemen: het Land

gemachtigde: de advocaat mr. V.M. Emerencia.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek;

- de brief van 19 mei 2015 met producties aan de zijde van E*;

- de brieven van 19 mei 2015 met producties aan de zijde van het Land;

- de pleitnota’s van beide gemachtigden, overgelegd op 26 mei 2015, ter gelegenheid van het door mr. De Hoogd aangevraagde pleidooi.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Op 21 november 2003 heeft E* een vergunning tot tijdelijk verblijf in Aruba verkregen. Hierin is als voorwaarde opgenomen dat E* een particuliere verzekering tegen ziektekosten diende af te sluiten.

2.2

Op 12 maart 2005 is E* van rechtswege toegelaten.

2.3

Bij brief van 11 december 2006 deelt AZV aan E* het volgende mee:

‘Hierbij verklaart het Uitvoeringsorgaan AZV dat meneer [E*], geboortedatum [datum]-1955 per heden als verzekerde bij het Uitvoeringsorgaan kan worden ingeschreven.

[…]

Uit onze administratie blijkt dat meneer [E*] [..] in de periode(s) vanaf 01-01-2001 tot en met heden niet staat ingeschreven bij het Uitvoeringsorgaan.

Voor een eventueel verzoek om premierestitutie verwijzen wij u naar de Inspectie der Belastingen’.

2.4

Op en vanaf 4 december 2006 ontving E* aanslagen premie AZV met terugwerkende kracht vanaf 2004.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

E* vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

A. voor recht te verklaren dat het Land onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld en/of voor recht te verklaren dat de door het Land toegepaste regelgeving in casu niet van toepassing is;

Primair

B. het Land te veroordelen om de schade van E* te vergoeden, door de premie-aanslagen en/of belasting heffingen terug te draaien cq kwijt te schelden;

C. het Land te veroordelen om een tegemoetkoming voor eigen kosten van E* over de jaren 2007 tot en met 2012 te betalen, begroot op Awg. 5.000,00;

Subsidiair

D. iedere andere beslissing te nemen die het gerecht vermeent te behoren,

een en ander met veroordeling van het Land in de kosten van het geding.

3.2

Aan deze vorderingen legt E* samengevat het volgende ten grondslag.

Door foutieve informatie van Dimas en het doorverwijzen van instanties naar elkaar heeft E* schade geleden. Hiervoor is het Land aansprakelijk.

3.3

Het Land voert - samengevat - het volgende verweer.

Het Land erkent dat bij de afgifte van de tijdelijke verblijfvergunning de dato 21 november 2003 ten onrechte de verplichting van de particuliere ziektekostenverzekering was opgelegd. Bij de afgifte van de verklaring van rechtswege d.d. 12 maart 2005 ontbrak deze verplichting. E* had dan ook niet mogen aannemen dat deze verplichting nog immer gold. E* had bij het verkrijgen van zijn tijdelijke verblijfsvergunning nader onderzoek moeten doen naar de vraag waarom hij particulier verzekerd diende te zijn.

Het Land betwist het causale verband tussen de dwangbevelen die E* heeft ontvangen en de door Dimas verstrekte onjuiste informatie.

4 DE BEOORDELING

4.1

De kern van het geschil betreft de vraag of het Land onrechtmatig jegens E* heeft gehandeld, doordat Dimas op 21 november 2003 een tijdelijke verblijfsvergunning verleende onder de (zoals achteraf bleek onjuiste) voorwaarde , inhoudende dat E* zich particulier tegen ziektekosten diende te verzekeren.

4.2

Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Het gerecht is - in lijn met ECLI:NL:HR:2014:3073 - van oordeel dat nu Dimas, zijnde een overheidsorgaan, onjuiste informatie aan E* heeft verstrekt, zij een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, die tevens strekte ter bescherming van zijn belangen. Immers, door onjuiste informatie aan E* te verstrekken, heeft hij zich genoodzaakt gevoeld een particuliere ziektekostenverzekering af te sluiten, terwijl hij tegen betaling van minder premie verplicht verzekerd was bij het Uitvoeringsorgaan AZV.

4.3

Anders dan het Land stelt bestond er voor E* geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door Dimas opgelegde voorwaarde. De ‘renteniersvergunning’ was immers verleend omdat E* beschikte over voldoende bestaansmiddelen en de voorwaarde dat hij zich particulier diende te verzekeren tegen ziektekosten was in lijn met de gedachte dat hij zijn ‘eigen broek diende op te houden’. Voorts wordt de stelling van het Land dat E* had dienen te onderzoeken of de voorwaarde wel juist was verworpen, nu gesteld noch gebleken is dat er sterke aanwijzingen bestonden op grond waarvan E* in redelijkheid diende te twijfelen aan de juistheid hiervan.

4.4

Uit het voorgaande volgt dat het Land jegens E* onrechtmatig heeft gehandeld door hem onjuist te informeren. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:!62 lid 1 BWA is het Land gehouden de schade te vergoeden die E* door het onrechtmatige handelen heeft geleden. Anders dan E* stelt bestaat zijn schade niet uit de (uiteindelijk) betaalde premie-aanslagen, maar uit de door hem - ten onrechte - betaalde premie aan de particuliere verzekeraar. Immers, indien Dimas geen onjuiste informatie had verstrekt, had E* zich niet particulier verzekerd en was hij van meet af aan verzekerd bij en premieplichtig geweest aan AZV.

4.5

Hetgeen gevorderd is achter sustenu B van het petitum in het inleidende verzoekschrift wordt afgewezen, omdat het gerecht niet bevoegd is om besluiten met formele rechtskracht aan te tasten. Het gerecht kan evenwel het mindere toewijzen. De zaak wordt dan ook naar de rol verwezen voor onderbouwing schade aan de zijde van E*, bestaande uit de ten onrechte betaalde premies voor de particuliere ziektekostenverzekering.

4.6

E* vordert tevens in sustenu C van het petitum vergoeding van kosten in verband met het door hem aangetekende bezwaar tegen de premie-aanslagen. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. E* is hiervan niet in beroep gegaan. Tegen de vervolgens uitgevaardigde dwangbevelen is E* in verzet gegaan, welk verzet door het GEA op 16 april 2014 ongegrond is verklaard, op grond van het beginsel van formele rechtskracht. Dit impliceert dat van de rechtmatigheid van de op de premie-aanslagen gebaseerde dwangbevelen moet worden uitgegaan. Dit heeft tot gevolg dat het Land niet aansprakelijk is voor de door De Jong gemaakte kosten, nu het Land met betrekking tot de premie-aanslagen niet onrechtmatig heeft gehandeld. Dit onderdeel van de vordering wordt om deze reden afgewezen.

4.7

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

5.1

verwijst de zaak naar de rol van 17 augustus 2015 voor akte onderbouwing schade aan de zijde van E*;

5.2

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter, en uitgesproken ter zitting van 1 juli 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.