Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:161

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
06-07-2015
Zaaknummer
AR no. 1081 van 2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eindvonnis kostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 1juli 2015 (bij vervroeging)

Behorend bij AR no. 1081 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

E*,

wonende te Aruba,

eiser,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen:

de openbare rechtspersoon HET LAND ARUBA,

zetelende te Aruba,

gedaagde,

gemachtigde: dhr. A. Lumenier.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingediend op 9 mei 2014;

- de conclusie van antwoord inhoudende verklaring;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

Eiser heeft op 20 maart 2014 executoriaal derdenbeslag doen leggen onder gedaagde ten laste van Javinand N.V., zulks uit kracht van een beschikking van dit gerecht van 7 januari 2014, waarin Javinand N.V. (onder meer) veroordeeld is bepaalde geldsommen aan eiser te betalen.

2.2

Het Land heeft voorafgaande aan deze procedure geen verklaring in de zin van artikel 476a Rv gedaan.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Eiser vordert na vermindering van eis dat het gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis gedaagde veroordeelt in de proceskosten.

3.2

Eiser legt aan de gevorderde proceskostenveroordeling ten grondslag dat gedaagde pas bij conclusie van antwoord een verklaring heeft afgelegd, waaruit volgt dat gedaagde niets aan Javinand N.V. verschuldigd is en aan welke verklaring niet wordt getwijfeld door eiser. Volgens eiser had gedaagde de procedure en de daarmee gepaarde gaande kosten kunnen voorkomen door tijdig een verklaring af te leggen. Doordat gedaagde dit niet heeft gedaan, dient het Land veroordeeld te worden in de proceskosten.

3.3

Gedaagde voert verweer.

3.4

Op de stellingen van partijen zal in het hiernavolgende, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Ingevolge artikel 476a Rv is de derde verplicht om verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen zodra vier weken zijn verstreken na beslaglegging. Indien de derde daarmee in gebreke blijft, kan de executant de derde ex artikel 477a Rv in rechte betrekken, waarna de derde alsnog een gerechtelijke verklaring kan doen. De kosten die in dat geval nodeloos zijn veroorzaakt, komen ingevolge dit artikel voor rekening van de derde.

4.2

Vast staat dat gedaagde niet tijdig verklaring heeft gedaan. De door gedaagde aangevoerde argumenten voor het uitblijven van een tijdige verklaring, inhoudende dat gedaagde er vanuit ging dat eiser een zorgvuldig onderzoek zou verrichten alvorens tot beslaglegging over te gaan en dat eiser tot kort voor het afleggen van de gerechtelijke verklaring aan gedaagde had verzocht om uit te zoeken of er sprake was van een rechtsverhouding tussen Javinand N.V. en gedaagde en/of gedaagde gelden/goederen/geldswaarden onder zich had, leveren onvoldoende reden op om geen proceskostenvergoeding uit te spreken ten laste van gedaagde. De proceskosten van eiser zijn nodeloos door gedaagde veroorzaakt.

4.3

Gedaagde dient op grond van het voorgaande veroordeeld te worden in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van eiser. Die kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 450,00 aan griffierechten, Afl. 189,00 aan oproepingskosten Afl. 900,00 aan gemachtigdensalaris (1 punt bij tarief 5 van het toepasselijke liquidatietarief).

5 DE BESLISSING

het Gerecht:

veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van eiser, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 450,00 aan griffierechten, Afl. 189,00 aan oproepingskosten en Afl. 900,00 aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 1 juli 2015 in aanwezigheid van de griffier.