Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:143

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
E.J. 602 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kennelijk onredelijk ontslag en voorwaardelijke ontbinding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 30 juni15

Behorend bij E.J. 602 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

A,

wonende te Aruba,

hierna ook te noemen: A,

gemachtigde: de advocaat mr. C. Foy.

tegen

de naamloze vennootschap

ARUBA CARIBBEAN HOTEL LIMITED PARTNERSCHIP N.V.

gevestigd te Aruba,

verzoekster, hierna ook te noemen: ACHLP,

gemachtigde: de advocaat mr. D. Canwood,

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de behandeling op de zitting van 16 juni 2015 en de daarvan gemaakte aantekeningen.

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag beschikking zou worden gegeven.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

A is op 24 februari 1990 in dienst getreden bij ACHLP. Laatstelijk was zij werkzaam als …..(hierna GSR) met een salaris ad AWG 2.076,10 bruto per quincena.

2.2

Op 13 november 2011 is A op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is onder meer te lezen:


On November 7, 2014, B, C and D met with you to discuss the fact that on November 6, 2014. B received a complaint from a guest named E staying in room 3532. E complained that he did not receive a receipt for the $ 250,00 upgrade fee he paid in cash upon check-in on November 4, 2014 to a GSR. B tried to provide E with his receipt but was unable to do so as he noticed that the upgrade fee was not posted in the guest’s folio. E insisted that he had paid the GRS who handled his check-in process $ 250 in cash for an upgrade. E stated that he gave the GRS 3 bills of $100 and received 2 bills of $ 20 and 1 bill of $10 back. After reviewing the surveillance video footage of that day, it was confirmed that you were the GRS that handled the check-in and upgrade process of E and that you did receive cash money from him.

We conducted an investigation in Opera and noticed that you upgraded E from a guest room to a guest suite at 06.42 PM. On the surveillance video footage we noticed that you were fervently selling an upgrade to E. We also noticed that at 06.45 PM a cash transaction took place between E and you as the GRS. This was just a few minutes after 2 keys were created for their new room. No backup of the mandatory standard room upgrade slip was found and your cashier closure of November 4, 2014 does not show this transaction nor was the cash payment of $250 received by the general cashier.

[…]

Upon completion of the investigation, we have now decided that your actions, each independently and jointly, constitute an urgent reason for the immediate termination of your working agreement due to severity and serious breach of trust and confidence.’

2.3

ACHLP heeft op 14 november 2014 aangifte gedaan van diefstal in dienstbetrekking.

2.4

Bij beschikking van 19 mei 2015 is de arbeidsovereenkomst per die dag ontbonden zonder toekenning van een vergoeding ten laste van ACHLP. Het gerecht overwoog daartoe:

4.1

Aan de orde is de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk ontbonden dient te worden wegens gewijzigde omstandigheden, bestaande hierin dat ACHLP het vertrouwen in A heeft verloren. In het onderstaande zal blijken dat deze vraag bevestigend beantwoord dient te worden.

4.2

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling - A is niet verschenen - zijn de videobeelden van de ‘surveillance camera’ getoond. Deze camera hangt boven de werkplek van A. Op de beelden is te zien dat A in gesprek is met een gast. Vermoedelijk wordt er gesproken over ‘the rates’ voor een update. Even later is te zien dat A de ‘roomcards’ maakt, zij de gast een ‘key package’ geeft en hem de resortmap toont. Hierna opent de gast zijn portemonnee en legt 3 geldbiljetten op de balie. Te zien is dat A hem geld terug geeft. Op de beelden is niet te zien dat A de gast een betalingsbewijs overhandigt.

4.3

Ter toelichting op de gang van zaken met betrekking tot een door een gast gekozen upgrade verklaarde de heer B ter zitting het volgende. Na toestemming en acceptatie van de klant dient de GSR een hiervoor bestemd formulier in te vullen en door de betreffende gast te laten ondertekenen. Hierna tekent ook de manager dit formulier, dat daarna in het computersysteem geregistreerd dient te worden. Een kopie van het formulier bewaart de manager, teneinde de commissie voor de betrokken GSR te berekenen. Uit de beschreven videobeelden blijkt niet dat A deze standaard procedure heeft gevolgd.

4.4

Ook zijn videobeelden getoond van de ‘droproom’, de kamer waar de kluisjes zijn, waarin de GSR de ontvangen cash gelden opbergt. Te zien is dat de heer B aanwezig is en dat A de box opent en de geldzak eruit haalt. B verklaarde tijdens het bekijken van de beelden dat hij op dat moment vier keer tegen A zei dat zij de geldzak niet mocht openen. Ondanks deze instructie opende A de geldzak. De heer B verklaarde tevens dat hij gezien had dat A geld in haar hand had en dat zij dit in de geldzak stopte. De heer B verklaar voorts dat ze $22 in haar geldzaakje stopte omdat zij dacht dat ze $22 te weinig zou hebben.

4.5

A heeft op de getoonde beelden geen adequate reactie gegeven. In eerste instantie kon zij zich niet herinneren zij dat E een upgrade had gegeven. Ter zitting gaf mr. Foy aan dat A van E een fooi van $250 had gekregen.

4.6

Wat hier verder ook van zij, vast staat dat E een upgrade heeft gekregen en dat deze door A niet op de voorgeschreven wijze is geregistreerd. De stelling van mr. Foy ter zitting dat A van E een fooi van $250,00 gekregen zou hebben, acht het gerecht onaannemelijk, te meer uit de door E ondertekende verklaring blijkt dat hij $250,00 heeft betaald voor een upgrade. A heeft de zaak vervolgens niet beter gemaakt door eerst te verklaren dat zij de upgrade van E niet kon herinneren en voorts in de ‘droproom’ tegen de duidelijke instructies van de heer B in de geldzak te openen en hierin geld te stoppen. Deze handelwijze wekt argwaan. Voorts staat vast dat het bedrag dat E aan A betaald heeft voor de upgrade niet is aangetroffen in de geldzak, noch heeft A dit op andere wijze aan ACHLP ter beschikking gesteld.

4.7

Dan komt vervolgens de vraag aan de orde of voormeld gedrag van A - alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, alsmede haar leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, het ontbreken van klachten over haar gedrag en functioneren (behoudens voormeld incident) en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor haar hebben - een dringende reden voor ontslag op staande voet opleverde. Het gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend. ACHLP dient haar werknemers, die uit hoofde van hun functie als GSR dagelijks geld voor haar in ontvangst nemen, volledig te kunnen vertrouwen. In casu heeft A er blijk van gegeven dit vertrouwen ernstig te hebben beschaamd, door het bedrag van de upgrade van E niet op de voorgeschreven wijze te registreren en niet af te staan. Aldus heeft A ACHLP een, in zowel objectieve als subjectieve zin, dringende reden gegeven voor een ontslag op staande voet. Het lange dienstverband ten spijt, van ACHLP kan onder de geschetste omstandigheden redelijkerwijs niet langer gevergd worden het dienstverband met A te handhaven.

4.8

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek toewijsbaar is.

2.5

A heeft (mede) in verband met persoonlijke omstandigheden, zoals het overlijden van haar zoon, nog niet gesolliciteerd naar een andere baan.

3 HET VERZOEK EN HET VERWEER

3.1

A vordert veroordeling van ACHLP tot schadevergoeding, kosten rechtens.

3.2

A baseert haar verzoek - samengevat - op de kennelijke onredelijkheid van het ontslag.

3.3

ACHLP voert verweer dat voor zover voor de beslissing van belang hieronder zal worden besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het gerecht stelt voorop, dat als sprake was van een dringende reden de arbeidsovereenkomst door opzegging onmiddellijk te beëindigen, geen sprake meer kan zijn van kennelijk onredelijk ontslag.

4.2

Het gerecht stelt voorts voorop dat, als geen sprake is van een dringende reden om de arbeidsovereenkomst door opzegging onmiddellijk te beëindigen, de overeenkomst ingevolge de beschikking van 19 mei 2015 per die datum is ontbonden zonder enige vergoeding en wel omdat A ACHLP een, in zowel objectieve als subjectieve zin, dringende reden [heeft] gegeven voor een ontslag op staande voet. Daarmee heeft het gerecht in de ontbindingsprocedure geoordeeld dat sprake is van een gewichtige redenen en wel in de vorm van een dringende reden als bedoeld in artikel 7A:1615o, eerste lid BW.

4.3

Aan dat oordeel, waarvan niet in hoger beroep is gegaan, komt gezag van gewijsde toe, ook al is dat oordeel slechts voorwaardelijk gegeven in het geval het ontslag op staande voet niet in stand kan blijven, terwijl dat in de onderhavige zaak, doordat A in het ontslag berust, juist wel het geval is. Daarop bedoelt ACHLP zich, met de verwijzing naar het oordeel in de (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure, kennelijk ook te beroepen.

4.4.

Gegeven de omstandigheid dat tussen partijen vaststaat, dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval is geëindigd doordat sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7A:1615o, eerste lid BW, is geen plaats meer voor toewijzing van een schadevergoeding naar billijkheid als bedoeld in artikel 7A:1615s lid 1 BW.
Van een valse reden in de zin van artikel 7A:1615s lid 2 aanhef en onder a is immers geen sprake omdat het gerecht op het verzoek tot (voorwaardelijke) ontbinding al heeft geoordeeld dat zich wel een dringende reden als bedoeld in artikel 7A:1615o eerste lid BW voordeed en aan dat oordeel gezag van gewijsde tussen partijen toekomt.
Ook op grond van het gevolgencriterium van artikel 7A:1615o lid 2 aanhef en onder b BW kan geen vergoeding naar billijkheid worden toegekend. Het gerecht heeft in de ontbindingsprocedure reeds geoordeeld, dat sprake is van een dringende reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Bij die toetsing spelen de gevolgen van de ontbinding mede een rol. Die zijn in dit geval ook meegewogen zoals uit de hierboven geciteerde rechtsoverweging 4.7 blijkt, maar hebben niet tot de conclusie geleid dat de ontbinding wegens dringende reden niet gerechtvaardigd is. Het zou ongerijmd zijn als diezelfde gevolgen dan toch tot een vergoeding naar billijkheid aanleiding zouden geven. Daar speelt een rol bij, dat in gevolge artikel 7A:1615w lid 5 BW slechts een vergoeding naar redelijkheid kan worden toegekend bij ontbinding wegens gewijzigde omstandigheden - waarvan in dit geval geen sprake is en niet bij ontbinding wegens dringende reden, welk geval zich hier nu juist voordeed.
Het valt dan ook niet in te zien hoe een schadevergoeding naar billijkheid als bedoeld in artikel 7A:1615s lid 1 BW wegens de kennelijke onredelijkheid van een ontslag, dat is gebaseerd op de dringende reden van artikel 7A:1615o lid 1 BW, op zijn plaats kan zijn, terwijl het gerecht in de voorwaardelijke ontbindingsprocedure heeft geoordeeld, dat die dringende reden grond is om de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding te ontbinden, zo het ontslag op staande voet geen stand kan houden op, dan dus alleen of voornamelijk, formele en niet inhoudelijke gronden.

4.5

Op het voorgaande stuit de vordering al af.

4.6

A zal, nu zij in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten veroordeeld.

5 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst de vordering af;

veroordeelt A in de kosten van deze procedure, aan de zijde van ACHLP te begroten op Afl. 1.800, aan gemachtigdensalaris.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 30 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.