Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:138

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
EJ nr. 2571 van 2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kennelijk onredelijk ontslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 30 juni 2015

Behorend bij EJ nr. 2571 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

A,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, verder te noemen: A,

gemachtigde: de advocaat mr. M.O. Lopez,

tegen:

de Stichting Protestants Christelijk Onderwijs Aruba ( S.P.C.O.A.),

gevestigd,

VERWEERDER, verder te noemen: Spcoa,

gemachtigde: mr. D.M. Canwood.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 23 oktober 2014 ingediende verzoekschrift met producties;

- het op 9 december 2014 ingediende verweerschrift met productie;

- het faxbericht houdende producties d.d. 30 januari 2015 van de zijde van A;

- de aantekeningen van de behandeling ter terechtzitting van 17 maart 2015 tijdens welke behandeling de gemachtigde van A aanwezig was evenals de Spcoa en zijn vertegenwoordiger alsmede de raadvrouw van Spcoa.

Vervolgens is de uitspraak (nader) bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

A is bij akte van benoeming door de Spcoa sedert 1 augustus 2013 voor onbepaalde tijd als directeur van het .....College aangesteld.

2.2

Per brief van 12 juni 2014 is de arbeidsovereenkomst met A door Spcoa opgezegd per 1 september 2014. Als reden daarvoor werd in de genoemd het disfunctioneren van A.

2.3

Bij brief van de gemachtigde van A van 17 juni 2014 is de nietigheid van het ontslag in geroepen en heeft A zich beschikbaar gehouden voor zijn werk.

2.4

Bij uitspraak in kort geding van 29 augustus 2014 is de vordering tot doorbetaling loon van A, afgewezen. A heeft tegen dat vonnis d.d. 9 september 2014 hoger beroep ingesteld. Bij brief van het gerecht in eerste aanleg van Aruba van 14 november 2014 is aan A medegedeeld dat het beroep is vervallen.

3 HET GESCHIL EN DE BEOORDELING DAARVAN

3.1

A verzoekt het gerecht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat het hem gegeven ontslag onredelijk is, dat ontslag te vernietigen, de dienstbetrekking te herstellenen, Spcoa te veroordelen het salaris van A door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de vertragingsrente en met veroordeling van Spcoa in de kosten van het geding.

3.2

Spcoa heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht de vorderingen van A af te wijzen, met veroordeling van A de kosten van het geding.

3.3

Overwogen wordt dat de grondslag van hetgeen wordt gevorderd de kennelijke onredelijkheid van het gegeven ontslag betreft. Indien een der partijen de dienstbetrekking al of niet met inachtneming van de voor de beëindiging geldende bepalingen kennelijk onredelijk doet eindigen, kan de rechter ingevolge artikel 7A:1615s BW aan de wederpartij naar billijkheid een schadevergoeding toekennen. Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een valse reden en wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de beëindiging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij die beëindiging.

3.3.1

Ter beantwoording van de vraag of het ontslag op de voet van art. 7A:1615s BW kennelijk onredelijk is, dienen alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in aanmerking te worden genomen. De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor een vordering als bedoeld in art. 7A:1615 lid 1BW. In een dergelijk geval moet voor het aannemen van kennelijke onredelijkheid sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging geheel of ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen. Indien er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, heeft de werknemer recht op een schadevergoeding.

3.3.2

De bewijslast van de stelling dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag ligt in dit geval bij A.

3.4

A heeft aangevoerd dat Spcoa ten onrechte vindt dat hij ongeschikt is voor de functie en ook ten onrechte vindt dat zijn disfunctioneren tot onrust en een negatief leerklimaat heeft geleid. Verder heeft hij aangevoerd dat hij bij zijn aantreden niet is ingewerkt en dat hem geen redelijke kans is gegund om aanpassingen op school door te voeren. Gezien de korte tijdsspanne was het voorts feitelijk niet mogelijk voor hem om “een negatief leerklimaat” te doen laten ontstaan, aldus A. Dat negatieve leerklimaat was er ook al voor hij kwam, aldus verder A. A is er voorts van overtuigd dat de teleurstellende examenresultaten de ware reden voor zijn ontslag is. Die slechte resultaten zijn echter hem niet te toe te rekenen. Er is derhalve sprake van een valse reden dan wel voorgewende reden en van slecht werkgeverschap. De persoonlijke omstandigheden van A maken het ontslag tenslotte ook onrechtmatig.

3.5

Spcoa heeft aangevoerd dat er goede gronden waren voor het ontslag en dat een redelijke opzegtermijn in acht genomen is. Het ontslag is daarom conform titel 7A van het burgerlijk wetboek en rechtsgeldig. Spcoa heeft verwezen naar overlegde stukken, zoals het rapport van de Inspectie van het Onderwijs en verschillende andere brieven en verslagen.

Verder heeft Spcoa gewezen op de aan A geboden mogelijkheid op kosten van Spcoa naar Nederland te repatriëren, en is gewezen op de duur van de gehanteerde opzegtermijn in relatie tot het korte dienstverband. Verder heeft Spcoa er op gewezen dat men A een coaching traject heeft aangeboden voor het zoeken naar ander werk op Aruba of in Nederland, terwijl A al hetgeen hem is aangeboden heeft geweigerd.

3.6

Spcoa heeft uitvoerig onderbouwd waarom A niet langer houdbaar was in zijn functie als directeur. Anders dan A heeft aangevoerd blijkt uit de door Spcoa overlegde stukken dat de belangrijkste reden voor het ontslag van A niet de teleurstellende examenresultaten van de school waren maar het functioneren van A als directeur. In die zin is geen sprake van een voorgewende reden. A heeft die beschuldigingen niet of nauwelijks weersproken. Dit terwijl die beschuldigingen heel gedetailleerd aan A zijn voorgelegd. A heeft voor wat de beschuldigingen aangaande zijn functioneren slechts verwezen naar een te korte of onjuiste inwerkperiode en voorts heeft hij de beschuldigingen bloot ontkend en verwezen naar zijn goede staat van dienst in Nederland. Gelet op het gedetailleerde verweer van Spcoa had van A echter meer verwacht mogen en moeten worden. Hij is immers degene die stelling dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag dient te onderbouwen. In die zin is geen sprake van een valse reden.

3.6.1

Bovenstaande klemt temeer omdat ook onweersproken is gebleven dat Spcoa een relatieve lange opzegtermijn in acht heeft genomen, coaching heeft aangeboden en aangeboden heeft de kosten van repatriëring van A en zijn gezin te voldoen. Met de persoonlijke omstandigheden van A is derhalve wel degelijk rekening gehouden.

3.7

De conclusie van bovenstaande is dat A er niet in is geslaagd aan te tonen dat zijn ontslag kennelijk onredelijk was. Het verzochte moet worden afgewezen.

3.8

Gezien de overlegde stukken zal aan A toestemming worden verleend kosteloos te procederen.

3.9

Als de meest in het ongelijk te stellen partij moet A veroordeeld worden in de proceskosten aan de zijde van Spcoa gevallen en te begroten op het salaris van de gemachtigde ( 2 procespunten in tariefgroep 5 ).

4 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

4.1

staat A toe kosteloos te procederen;

4.2

wijst het verzochte af;

4.3

veroordeelt A in de proceskosten, gevallen aan de zijde van Spcoa en te begroten op Afl. 1.800,-.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Mol, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag, 30 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.