Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:136

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
EJ nr. 1546 van 2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

hoofdverblijfplaats minderjarigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 30 juni 2015

Behorend bij EJ nr. 1546 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

A,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna: de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,

tegen

B,

wonende in Nederland,

VERWEERSTER, hierna: de moeder,

van schriftuur gediend.

Belanghebbenden:

C,

D,

E,

de minderjarigen,

DE VOOGDIJRAAD.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingediend op 2 juli 2014;

- het verweerschrift d.d. 2 september 2014;

- het minderjarigenverhoor op 6 oktober 2014;

- de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 7 oktober 2014,

waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader bijgestaan door mr. P.M.E. Mohamed en de vertegenwoordiger van de Voogdijraad;

- het rapport zijdens de Voogdijraad, ingediend op 2 maart 2015;

- de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 19 mei 2015,

waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader bijgestaan door mr. P.M.E. Mohamed en

de vertegenwoordiger van de Voogdijraad.

1.2

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

Partijen hebben elkaar in het jaar 2000 leren kennen en zijn gehuwd geweest van 11 juni 2004 tot 16 september 2009.

2.2

Uit het huwelijk tussen de moeder en de vader is op ….. 2001 in Aruba geboren D en is op ….. 2006 in Aruba geboren E. De op …… 1999 in Aruba uit de moeder geboren A is tijdens het huwelijk door de vader erkend. De drie kinderen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als de minderjarigen.

2.3

Bij beschikking van dit gerecht d.d. 16 september 2009 (EJ-2229/09) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn partijen gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen, met hoofdverblijf bij de moeder.

2.4

Van oktober 2008 tot en met december 2010 hebben de minderjarigen het hoofdverblijf gehad bij de moeder, die toen in Curacao woonde. In december 2010 heeft de moeder de kinderen naar Aruba gestuurd, waar zij tot juni dan wel juli 2011 hun hoofdverblijf bij de vader hadden. Nadat ook de moeder in juni dan wel juli 2011 naar Aruba was teruggekeerd, verbleven de minderjarigen doordeweeks bij de moeder en in de weekeinden bij de vader. In mei 2014 is de moeder naar Nederland vertrokken. De minderjarigen hebben sindsdien hun hoofdverblijf bij de vader.

2.5

Op 13 februari 2015, derhalve nadat deze procedure aanhangig was gemaakt bij het gerecht, is C naar Nederland vertrokken en sindsdien heeft hij het hoofdverblijf bij de moeder.

3 HET VERZOEK

3.1

De vader verzoekt om de moeder te verbieden om de minderjarigen metterwoon naar Nederland mee te nemen en te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen voortaan bij de vader zal zijn, kosten rechtens.

3.2

De moeder verzoekt bij haar verweerschrift d.d. 2 september 2014 om de hoofdverblijfplaats bij de moeder in Nederland te bepalen en te bepalen dat vader zijn medewerking aan de verhuizing van de minderjarigen zal verlenen, kosten rechtens.

4 DE BEOORDELING

4.1

C is op 13 februari 2015, met instemming van de vader, naar Nederland vertrokken en heeft sedertdien hoofdverblijfplaats bij de moeder. Het gerecht zal om die reden het verzoek van vader ten aanzien van C afwijzen. De moeder heeft ten aanzien van C geen belang bij een beslissing op haar tegenverzoek, zodat ook het verzoek van de moeder dienaangaande zal worden afgewezen.

4.2

Ten aanzien van D (13 jaar) en E (9 jaar) geldt het volgende. Sedert het feitelijk uiteengaan van partijen hebben de minderjarigen vanaf oktober 2008 achtereenvolgens hun hoofdverblijf gehad bij de moeder in Curacao, bij de vader in Aruba en vervolgens bij de moeder in Aruba. Sedert het vertrek van de moeder naar Nederland in mei 2014 hebben D en E hun hoofdverblijf weer bij de vader in Aruba. Afwijzing van het verzoek van de vader en toewijzing van het tegenverzoek van de moeder zal meebrengen dat er voor de vijfde keer in 7 jaar tijd een wijziging in de hoofdverblijfplaats plaatsvindt en voor de derde keer een wijziging van het woonland. In zijn algemeenheid geldt dat het juist in het belang van minderjarigen is dat er stabiliteit is in hun woonsituatie en dat er niet te vaak en te snel achter elkaar wijzigingen plaatsvinden ten aanzien van het hoofdverblijf, zeker niet als dat tegelijkertijd ook een wijziging meebrengt ten aanzien van het woonland. In onderhavig geval komt daar nog bij dat uit mededelingen van de Voogdijraad ter zitting is gebleken dat D en E voornamelijk Papiamento spreken en dat hun Nederlands gebrekkig is. Het is om die reden niet zeker dat zij na hun aankomst in Nederland voldoende in staat zijn om daar het reguliere onderwijs te volgen. Voorts is het zo dat de moeder sedert mei 2014 in Nederland samenwoont met een nieuwe partner. Het is onvoldoende gebleken dat dit een stabiele relatie is.

4.3

De Voogdijraad heeft geadviseerd om het hoofdverblijf van D en E bij de moeder te bepalen, nadat zij het schooljaar (2014/2015) in Aruba hebben afgerond. De Voogdijraad komt, kort gezegd, tot dit oordeel op grond van de wens van D en E zelf, die die wens niet alleen tegenover de Voogdijraad, maar ook herhaaldelijk en reeds vanaf mei 2014 op school hebben geuit. Uit onderzoek van de Raad van de Kinderbescherming te Maastricht is gebleken dat er geen bijzonderheden zijn in de leefsituatie van de moeder die het onmogelijk maken dat de minderjarigen bij haar hun hoofdverblijf hebben.

4.4

Het gerecht zal onder afweging van alle belangen het advies van de Voogdijraad volgen. Daartoe overweegt het als volgt. Met de Voogdijraad acht het gerecht het bij de beoordeling van belang dat D en E zelf consistent te kennen geven dat zij graag bij de moeder willen wonen. Vooral voor D, die reeds 13 jaar is, weegt dit zwaar. Na de scheiding van de ouders hebben de minderjarigen feitelijk de langste periode hun hoofdverblijfplaats bij de moeder gehad. Niet is gebleken dat dit niet in het belang van de minderjarigen zou zijn geweest. Daar komt bij dat de huidige leefsituatie van de moeder er blijkens het advies van de Raad van de Kinderbescherming te Maastricht niet aan in de weg staat dat de minderjarigen daar met hun drieën het hoofdverblijf hebben. Ook overigens is niet gebleken dat door een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de vader naar de moeder in Nederland, de belangen van D en E direct worden geschaad. Daar staat tegenover dat de woonsituatie bij de vader, zeker op termijn, niet ideaal is. De vader heeft met zijn nieuwe partner 2 kinderen die op dit moment bij hun ouders in de slaapkamer slapen. Daarnaast heeft de nieuwe partner van de vader 2 kinderen uit een eerder huwelijk, die in de weekeinden ook bij het gezin van de vader en zijn partner verblijven en een eigen slaapkamer hebben. D en E delen de derde slaapkamer in de woning. Daar komt bij dat er van de zijde van de school ten aanzien van D is medegedeeld dat hij door de huidige leefsituatie, veel boosheid in zich heeft. Het is derhalve niet zonder meer in zijn belang dat de huidige situatie wordt gecontinueerd. Het gerecht is daarom op grond van alle hiervoor genoemde omstandigheden (gezien in hun onderlinge samenhang) van oordeel dat het in het belang van D en E is dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de moeder in Nederland krijgen.

4.5

Van de zijde van de vader is nog verzocht om de huidige verblijfplaats van de minderjarigen bij de vader thans voorlopig te continueren en om over een half jaar tot een jaar die situatie te evalueren om er zeker van te zijn dat een eventuele verandering ten aanzien van de hoofdverblijfplaats in het belang van de minderjarigen is. Hoewel er voor een dergelijke benadering goede argumenten zijn, acht het gerecht het niet wenselijk dat de onzekerheid van D en van E ten aanzien van hun hoofdverblijfplaats nog langer zal voortduren.

4.6

De slotsom van het bovenstaande is dat de verzoeken van de vader hierna worden afgewezen en dat de tegenverzoeken van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder in Nederland te bepalen en om de vader te veroordelen hieraan de noodzakelijke medewerking te verlenen, zullen worden toegewezen.

4.7

Gezien de aard van het geschil zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt.

5 DE BESLISSING

Het gerecht:

5.1

wijst de verzoeken van de vader af;

5.2

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen met ingang van augustus 2015 bij de moeder in Nederland;

5.3

veroordeelt de vader om aan het vertrek van de minderjarigen van Aruba naar Nederland zijn medewerking te verlenen;

5.4

wijst af het meer of anders door de moeder verzochte;

5.5

compenseert de kosten van de procedure, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, ter zitting van dinsdag, 30 juni 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.