Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:116

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
E.J. no. 463 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeid - ontbinding arbeidsovereenkomst - afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 23 juni 2015

E.J. no. 463 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

de rechtspersoon naar vreemd recht

DESAROLLOS HOTELCO CORPORATION ARUBA N.V.,

h.o.d.n. Ritz Carlton,

gevestigd in Aruba,

verzoekster,

hierna ook te noemen: Ritz,

gemachtigde: de advocaat mr. D. Canwood,

tegen:

[verweerder],

wonende in Aruba,

verweerder,

hierna ook te noemen: [verweerder],

gemachtigde: de advocaat mr. Chris Lejuez.

1 HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-het verweerschrift, met producties;

-de aantekeningen van de griffier van de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 20 maart 2015.

1.2

Ritz is toen ter zitting verschenen bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door mw. L. Brezovar-van Veen en mw. A. Lampe (general manager casino respectievelijk manager personeelszaken bij Ritz). [verweerder] is verschenen samen met zijn gemachtigde. De gemachtigden van partijen hebben het woord gevoerd - mede aan de hand van door hen overgelegde pleitnota’s, beiden voorzien van toegelaten producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Beschikking is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Ritz verzoekt dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van de in het verzoekschrift gestelde gewichtige redenen, kosten rechtens.

2.2 [

verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door Ritz verzochte, kosten rechtens. Subsidiair, voor het geval het Gerecht overgaat tot ontbinding van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, concludeert [verweerder] tot toekenning aan hem van een door Ritz te betalen billijkheidsvergoeding ad Afl. 120.300,--, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Vast staat tussen partijen dat Ritz omwille van een meer rendabele of efficiëntere bedrijfsvoering de functie van [verweerder] heeft opgeheven, en dat zij de binnen die functie te verrichten werkzaamheden heeft onderbracht bij andere door collega’s van [verweerder] ingevulde functies. Anders dan [verweerder] stelt Ritz dat (1) zij deze wijziging in de bedrijfsvoering mocht doorvoeren, en (2) dat zij [verweerder] een passende andere functie binnen haar gelederen heeft aangeboden welke [verweerder] heeft geweigerd maar redelijkerwijze niet mocht weigeren. Onder deze omstandigheden meent Ritz dat ontbinding van de tussen partijen bestaande overeenkomst gerechtvaardigd is. Het Gerecht oordeelt echter dat dit niet het geval is, en wel om het volgende.

3.2

Alvorens de aan hem door Ritz aangeboden functie mogelijk te aanvaarden, heeft [verweerder] eerstens bij email van 23 januari 2015 en daarna nog vaker Ritz verzocht om aan hem uit te reiken het de bij die functie behorende “Personal Development Plan”, zijnde een document waarin onder meer de binnen die functie uit te voeren werkzaamheden staan beschreven (hierna: het PDP). [verweerder] heeft om uitreiking van het PDP gevraagd omdat hij geen enkele ervaring had binnen de aan hem aangeboden functie en hij onder meer voor zichzelf wilde beoordelen of hij wel geschikt was voor de uitvoering daarvan.

3.3

Ritz stelt tegen de hiervoor geschetste achtergrond dat zij het PDP heeft uitgereikt aan [verweerder], en dat [verweerder] daarna niet is ingegaan op het aanbod. Die stelling heeft [verweerder] gemotiveerd bestreden, en komt daarom in deze procedure, waarin geen ruimte voor bewijslevering bestaat, niet vast te staan. Het Gerecht ziet evenmin grond om die stelling van Ritz aannemelijk te oordelen. Het had te dezen op de weg gelegen van Ritz om [verweerder] voor ontvangst van het PDP te laten tekenen en/of om verklaringen van getuigen in het geding te brengen die de lezing van Ritz bevestigen. Overigens mist de stelling van Ritz voldoende feitelijke grondslag, omdat zij heeft gesteld dat het PDP aan [verweerder] is uitgereikt, maar niet heeft gesteld dat dit tijdig is gebeurd.

3.4

Vorenstaande brengt mee dat aannemelijk wordt geoordeeld dat Ritz [verweerder] niet in de gelegenheid heeft gesteld om te beoordelen of zij hem al dan niet een passende andere functie binnen haar bedrijf heeft aangeboden. [verweerder] mocht daarom de aan hem aangeboden functie weigeren, terwijl Ritz redelijkerwijze niet van [verweerder] mocht verwachten dat hij tot aanvaarding daarvan was gehouden. Bovendien heeft te gelden dat gesteld noch is gebleken dat de door Ritz doorgevoerde reorganisatie van haar casino absoluut noodzakelijk was om de continuïteit daarvan te waarborgen. Overigens wordt wel aannemelijk geoordeeld dat Ritz op bedenkelijke wijze, want ten koste van [verweerder], nog meer winst wenst te behalen.

3.5

De slotsom luidt dat het verzoek van Ritz zal worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen dragen. Het feit dat Ritz onder de gegeven omstandigheden de functie van [verweerder] heeft opgeheven komt en blijft voor haar risico en rekening.

3.6

Ritz zal - als de in het ongelijk gestelde partij - worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder], tot aan deze uitspraak begroot op

Afl. 1.800,-- (2 punten van liquidatietarief 5, ad Afl. 900,-- per punt) aan salaris voor de gemachtigde.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht:

-wijst af het door Ritz verzochte;

-veroordeelt Ritz in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.800,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 23 juni 2015.