Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:104

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22-06-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
LAR nr. 172 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering optieverklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap ongegrond. Vast is komen te staan dat appellante geen onafgebroken verblijf heeft gehad in Aruba. De aan appellante in 2014 verstrekte vergunning tot verblijf voor onbepaalde duur heelt de verblijfsgaten niet. Nederlanderschap kan niet worden verkregen door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 22 juni 2015

LAR nr. 172 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellante]

wonende in Aruba,

APPELLANTE

procederende in persoon,

gericht tegen:

De Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigden: mr. N.J. Abdul Hamid

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 19 december 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de beslissing van verweerder waarbij het verzoek van appellante tot bevestiging van haar optie tot verkrijging van het Nederlanderschap is geweigerd, ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking heeft appellante op 30 januari 2015 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 20 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 mei 2015, alwaar appellante in persoon is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijn waarbinnen verweerder op haar bezwaar heeft beslist onredelijk lang, namelijk twee jaar, heeft geduurd. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de situatie dat de verblijfspositie van appellante in die twee jaar reeds in voor haar gunstige zin is veranderd. Appellante stelt in dat kader dat zij inmiddels een verklaring van toelating van rechtswege (firma liber) heeft verkregen en dat daaruit geconcludeerd kan worden dat zij aan alle voorwaarden van het vreemdelingenbeleid voldoet. Zij is immers sedert 26 november 2011 met een Nederlander getrouwd en had zodoende ook voordat zij de verklaring van toelating van rechtswege verkreeg, ex lege een verblijfstitel. Zij betwist verblijfsgaten te hebben gehad en stelt te voldoen aan alle voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap.

2.2

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) wordt in deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder toelating: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2.3

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de RWN, verkrijgt na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap:

g: de vreemdeling die gedurende tenminste drie jaren de echtgenoot is van een Nederlander en gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Ingevolge het derde lid beoordeelt de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.

2.4

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de RWN kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze Rijkswet.

2.5

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van het (ter uitvoering van voornoemd artikel) Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN) is tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en naturalisatieverzoeken en tot het uitreiken van uittreksels van naturalisatiebesluiten in Aruba bevoegd de Gouverneur.

2.6

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het BVVN onderzoekt de Gouverneur, behoudens in de gevallen waarin toelating niet is vereist, de verblijfsrechtelijke status van de optant en van de personen die in de optieverklaring zijn genoemd.

2.7

Ingevolge artikel 72 van het BVVN kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit besluit.

2.8

Ingevolge artikel 2 van de (ter uitvoering van voornoemd artikel) Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RVVN), voor zover thans van belang, oefent de uitvoeringsautoriteit de hem in het BVVN opgedragen werkzaamheden uit in overeenstemming met de Handleiding, alsmede met de nadere instructies ter zake die in het desbetreffende Rijksdeel gelden, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

2.9

In de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba (de Handleiding) is ter zake de betekenis van de term toelating in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN als volgt vermeld: “‘Toelating’ betekent in de Arubaanse situatie concreet dat een vreemdeling (niet-Nederlander) verblijfsrecht heeft in Aruba op grond van de LTU(V). Het verblijfsrecht voor een niet-Nederlander kan voor een bepaalde of onbepaalde tijd zijn. De vreemdeling verblijft in de volgende gevallen rechtmatig in Aruba als hij in het bezit is van één van de volgende documenten:

1. een vergunning tot tijdelijk verblijf (artikel 6, tweede lid, LTUV jo. artikel 7 LTUV); of

2. een vergunning tot verblijf (artikel 6, derde lid, LTUV jo. artikel 7a LTUV); of

3. een verklaring van toelating van rechtswege (artikel 3 LTU(V)); of

4. een verklaring van toelating van rechtswege op grond van het beoogde artikel 3, eerste lid aanhef en onder g, uit het voorstel (ZJ 2011-2012-736) tot aanpassing van de LTU(V).”

In de Handleiding is ter zake de toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN als volgt vermeld: “Van toelating in Aruba is sprake indien optant rechtmatig verblijf heeft op grond van de artikelen 1, 3 en 6 LTUV. Optant dient dit rechtmatige verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aan te tonen. De periode van vijftien jaren toelating en hoofdverblijf moet ‘onafgebroken’ zijn. In bedoelde periode mogen er dus geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijftien jaren te lopen. Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de Gouverneur afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens uit de bevolkingsadministratie. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de DIMAS aan de hand van de gegevens in het NAVAS. In die situatie zal de Gouverneur de DIMAS verzoeken om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd indien de Gouverneur niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de DIMAS en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn, waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de optant of verzoeker, dient een bericht omtrent toelating te worden gevraagd. Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN”.

2.10

Verweerder heeft aangevoerd dat appellante niet aan de in artikel 6, eerste lid van de Rijkswet op het Nederlanderschap gestelde voorwaarde van een onafgebroken verblijf op Aruba van tenminste vijftien jaren, voldoet. Aan die stelling heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit informatie verkregen van de DIMAS is gebleken dat appellante over de periodes 1 september 1999 tot 16 juli 2001 en 16 juli 2002 tot 28 oktober 2003 niet over een geldige verblijfstitel heeft beschikt en deze periodes dienen te worden aangemerkt als verblijfsgaten. Daarnaast heeft appellante ook over de periode 1 juli 2012 tot 27 mei 2014 niet over een geldige verblijfstitel beschikt, waardoor ook die periode als een verblijfsgat dient te worden aangemerkt. Deze motivering kan de bestreden beslissing dragen.

2.11

De verblijfsgaten waarnaar door verweerder is verwezen zijn ook ter zitting, aan de hand van de door appellante getoonde verblijfsvergunningen, vast komen te staan. De aan appellante op 12 juni 2014 verstrekte vergunning, welke een vergunning tot verblijf voor onbepaalde duur betreft en geen verklaring van toelating van rechtswege zoals ten onrechte gesteld door appellante, heelt voornoemde verblijfsgaten niet. Zoals hiervoor onder 2.9 overwogen, is in de Handleiding ter zake de term ‘toelating’ in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN uiteengezet dat een vreemdeling daarover in de Arubaanse situatie beschikt, indien hem, voor zover thans van belang, een vergunning tot tijdelijk verblijf is verleend. Niet in geschil is dat aan appellante van 1 september 1999 tot 16 juli 2001 en van 16 juli 2002 tot 28 oktober 2003 en laatstelijk van 1 juli 2012 tot 27 mei 2014 geen zodanige vergunning is verleend. Reeds om deze reden heeft verweerder zich bij de beschikking van 19 december 2014 terecht op het standpunt gesteld dat appellante gedurende die periodes geen toelating in vorenbedoelde zin in Aruba had, zodat niet aan de in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN voor het verkrijgen van het Nederlanderschap gestelde vereisten is voldaan.1

2.12

De omstandigheid dat de bestreden beschikking van verweerder ruim twee jaar op zich heeft laten wachten, geeft geen grond voor een ander oordeel. Immers, conform vaste jurisprudentie kan het Nederlanderschap niet worden verkregen door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.2

2.13

Op grond van het voorgaande luidt de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

2.14

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).

1 Zie ook: Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 24 januari 2014, ECLI:NL:OGHACMB:2014:68.

2 Hoge Raad, 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8544.