Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2014:43

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
CVB nr. 379 van 2013
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedurende de periode dat appellant in Aruba geen werkelijke verblijfplaats hield, kan hij niet als ingezetene van Aruba worden beschouwd. Ook niet in het geval hij – in strijd met zijn wettelijke verplichting – van deze wijziging in zijn werkelijke verblijfplaats geen kennis heeft gegeven aan het hoofd van het Bureau Bevolking en Burgerlijke Stand, en daarom in het bevolkingsregister alhier ingeschreven is gebleven. De bank heeft op goede gronden geconcludeerd dat appellant gedurende de periode dat hij in Nederland verbleef niet verzekerd was in de zin van de LvAOV, dat hij op de voet van artikel 8, lid 1 van de LvAOV geen aanspraak maakt op de volledige pensioenuitkering en dat zijn pensioen dient te worden verlaagd. De bank heeft ten onrechte aan de verlaging een terugwerkende kracht van 15 jaren gegeven.

Appellant heeft pas op 16 oktober 2012 bij de bank geklaagd over het stopzetten van de uitbetaling van zijn pensioenuitkering vanaf september 2008. Uit artikel 15 LvAOV volgt dat de onbetaalde termijnen van het ouderdomspensioen tussen september 2008 en 16 oktober 2010, niet meer aan appellant kunnen worden uitbetaald en ook niet (meer) kunnen worden verrekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 23 januari 2014.

CVB nr. 379 van 2013

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening Algemene ouderdomsverzekering (LvAOV) van:

[APPELLANT ],

wonende in Aruba,

APPELLANT

gemachtigde: de advocaat mr. H.S. Croes,

tegen de beslissing van 30 januari 2013 van

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER, hierna te noemen de bank,

gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Bij beslissing van 30 januari 2013 heeft de bank het aan appellant toegekende ouderdomspensioen achtereenvolgens met ingang van 1 maart 1998, 1 januari 2005, 1 januari 2006, 1 februari 2006, 1 januari 2008 en 1 januari 2009 herzien en verlaagd, en de bedragen die ten onrechte zijn geïnd verrekend met het reeds verjaarde niet geïnde pensioen over de maanden september 2008 tot en met oktober 2010.

1.2

Tegen deze beslissing heeft appellante op 18 februari 2013 schriftelijk beroep aangetekend.

1.3

Op 19 april 2013 heeft de bank een verweerschrift ingediend.

1.4

Het beroep van appellant is op de bijeenkomst van 4 december 2013 van dit college behandeld, in aanwezigheid van de gemachtigde van appellant en [ jurist ], namens de bank, bijgestaan door de advocaat voornoemd.

2 OVERWEGINGEN

Het standpunt van appellant

2.1

Appellant, geboren op 8 februari 1938 in Aruba, heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestreden beslissing van de bank in strijd is met algemene rechtsbeginselen, nu de bank (a) in redelijkheid niet kon overgaan tot stopzetting van zijn ouderdomspensioen in 2008 zonder hem hierover te berichten, (b) niet met zulk een grote terugwerkende kracht het pensioen heeft mogen verlagen en (c) appellant geheel in het ongewisse laat hoe de berekeningen van zijn pensioen heeft plaatsgevonden. Appellant concludeert tot vernietiging van de bestreden beslissing en verzoekt om de bank te gelasten de ouderdomsuitkering zonder verlaging uit te keren, kosten rechtens.

2.2

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant aangevoerd dat hij nooit heeft nagelaten enige informatie aan de bank te melden, dat blijkens de verklaring van inschrijving van 16 juli 1998, hij vanaf zijn geboorte tot zijn 60e jaar in het bevolkingsregister was ingeschreven en dat hij zich op verzoek van het Bisdom Willemstad tijdelijk in Nederland heeft gevestigd om de opleiding tot pastoraal werker te volgen en pastoraal werk te verrichten, zonder zijn woonstede in Aruba prijs te geven.

Het standpunt van de bank

2.3

De bank heeft –kort samengevat– als verweer aangevoerd dat aan appellant ten onrechte een hoger pensioenuitkering van de bank is toegekend dan waarop hij aanspraak kon maken, nu is gebleken dat appellant in strijd met de waarheid op de aanvraagformulier tot toekenning van een ouderdomspensioen, ingediend op 13 juli 1998, heeft aangegeven dat hij sinds zijn geboorte steeds in Aruba woonachtig was, terwijl hij vanaf 1 februari 1989 tot en met 15 september 1994 in Nederland heeft gewoond en op 30 november 2012 in Nederland om toekenning van een ouderdomspensioen heeft verzocht. Gelet hierop heeft appellant geen recht op een volledige ouderdomspensioen en dient een kortingspercentage van 10.8194% te worden toegepast op het reeds aan appellant uitgekeerde ouderdomspensioen, hetgeen tot gevolg heeft dat appellant vanaf maart 1998 voor een totaal bedrag van Afl. 9.878,- teveel aan ouderdomspensioen heeft ontvangen.

Voorts stelt de bank dat appellant geen aanspraak heeft op het voordeel van de fictieve verzekeringsjaren, omdat hij vanaf 2006 niet in Aruba woonde. Gelet hierop heeft appellant in de periode van 1 februari 2006 tot en met augustus 2008 een bedrag van Afl. 8.677,- teveel aan ouderdomspensioen ontvangen.

Het geschil

2.4

Het College merkt op dat het eerste geschilpunt tussen partijen betreft de vraag of appellant gedurende de periode waarin hij in Nederland heeft verbleven, als ingezetene van Aruba zoals bedoeld in de LvAOV moet worden beschouwd, en zo niet of terecht met terugwerkende kracht kortingen zijn toegepast en inhoudingen hebben plaatsgevonden. Het tweede geschilpunt betreft de vraag of de bank terecht het pensioen van appellant in 2008 heeft stopgezet.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

2.5

Artikel 1 van de LvAOV bepaalt dat ingevolge deze landsverordening onder ingezetene wordt verstaan degene wiens persoonsgegevens in de bevolkingsadministratie van Aruba worden bijgehouden.

Artikel 5, lid 1 van de LvAOV bepaalt dat verzekerd overeenkomstig deze landsverordening is, de ingezetene die de leeftijd van vijftien jaar, doch nog niet de pensioengerechtigde leeftijd bereikt heeft.

Artikel 6, lid 1 van de LvAOV bepaalt dat degene die verzekerd is geweest, en de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening recht heeft op ouderdomspensioen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid worden op de pensioenbedragen, bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, een korting toegepast van 2,22% voor elk jaar dat een pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige leeftijd en vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, niet verzekerd was in de zin van deze landsverordening.

2.6

Ingevolge artikel 12, lid 1 in samenhang met artikelen 22, lid 1 en 31 lid 1 van het Landsbesluit bevolkingsregister, geeft het bevolkingsregister de staat der bevolking te kennen en worden in het bevolkingsregister bijgehouden, de gegevens van de personen die hun werkelijke verblijfplaats in Aruba behouden.

Voor zover hier van belang bepaalt artikel 27, lid 1 van genoemd landsbesluit, dat zij die hun werkelijke woonplaats in Aruba verlaten om haar over te brengen naar Nederland, daarvan kennis geven aan het hoofd van het Bureau Bevolking en Burgerlijke Stand.

Inhoudelijke beoordeling

2.7

Niet in geschil is dat appellant vanaf 1 februari 1989 tot en met 15 september 1994 in Nederland heeft gewoond en dat hij in die periode nog niet de pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar had bereikt. Uit de voorgaande bepalingen volgt dat nu appellant gedurende die periode alhier geen werkelijke verblijfplaats hield, hij niet als ingezetene van Aruba kan worden beschouwd. Dat hij – in strijd met zijn wettelijke verplichting – van deze wijziging in zijn werkelijke verblijfplaats geen kennis heeft gegeven aan het hoofd van het Bureau Bevolking en Burgerlijke Stand, en daarom in het bevolkingsregister ingeschreven is gebleven, maakt dit niet anders.

2.8

Het voorgaande brengt met zich dat de bank op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant gedurende de periode dat hij in Nederland verbleef niet verzekerd was in de zin van de LvAOV, dat hij op de voet van artikel 8, lid 1 van de LvAOV geen aanspraak maakt op de volledige pensioenuitkering en dat zijn pensioen dient te worden verlaagd.

2.9

Beoordeeld dient dan te worden of de bank terecht met terugwerkende kracht van 15 jaar, de pensioenuitkering heeft verlaagd.

2.10

Bij de beoordeling hiervan overweegt het College dat artikel 12, lid 1 van de LvAOV bepaalt dat het ouderdomspensioen door de bank wordt ingetrokken of herzien, wanneer degene aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt. Het derde lid bepaalt – voor zover hier van belang – dat de herziening van het ouderdomspensioen, welke een verlaging van dit pensioen tot gevolg heeft, ingaat op de eerste dag der maand, volgende op die waarin de dag der dagtekening van de kennisgeving ingevolge artikel 37, eerste lid, onderdeel a, is gelegen. Artikel 37, eerste lid onderdeel a bepaalt dat aan de belanghebbende schriftelijk kennis wordt gegeven van een beslissing welke verband houdt met het recht op en uitbetaling van pensioenuitkering of kerstuitkering.

2.11

In dit geval heeft de bank bij beslissing van 30 januari 2013 aan appellant schriftelijk kennis gegeven dat op zijn pensioen een korting dient te worden toegepast en dat zijn pensioenuitkering dientengevolge zal worden verlaagd. Op de voet van artikel 12, lid 3 van de LvAOV had deze verlaging niet eerder mogen ingaan dan vanaf 1 februari 2013.

2.12

Gelet hierop heeft de bank ten onrechte aan de verlaging een terugwerkende kracht van 15 jaren gegeven, zodat de beslissing d.d. 30 januari 2013 in zoverre zal worden vernietigd.

2.13

Wat betreft het tweede geschilpunt, overweegt het College als volgt.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende weersproken, is vast komen te staan dat de bank in 2008 geen contact kon krijgen met appellant, zodat zij zich er niet van kon vergewissen dat appellant nog leefde. Vervolgens bleek dat appellant sinds 1 januari 2006 Aruba metterwoon had verlaten zonder hiervan kennis te geven aan de bank. De bank heeft vervolgens, naar het oordeel van de bank niet onterecht, met ingang van september 2008 de uitbetaling van de pensioenuitkering stopgezet.

2.14

Tussen partijen is verder niet in geschil dat appellant pas op 16 oktober 2012 contact heeft opgenomen met de bank om te klagen over het stopzetten van de uitbetaling van de pensioenuitkering vanaf september 2008.

2.15

Ingevolge artikel 15 van de LVAOV worden de termijnen van het ouderdomspensioen, welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaar na de eerste dag waarop zij konden worden ingevorderd, niet meer uitbetaald.

Uit deze bepaling volgt dat de onbetaalde termijnen van het ouderdomspensioen tussen september 2008 en 16 oktober 2010, niet meer aan appellant kunnen worden uitbetaald en ook niet (meer) kunnen worden verrekend.

2.16

Het een en ander leidt tot de beslissing dat het beroep gedeeltelijk gegrond is en dat het verzoek van appellant om zijn ouderdomspensioen vanaf september 2008 onverkort en ongewijzigd te continueren, dient te worden afgewezen. Voor een kostenveroordeling bestaat geen grondslag.

3 DE BESLISSING

Het college

verklaart het beroep van appellant gedeeltelijk gegrond;

vernietigt de beslissing van de bank d.d. 30 januari 2013 voor zover de verlaging van het ouderdomspensioen is ingegaan vóór 1 februari 2013;

bepaalt dat het ouderdomspensioen van appellant in verband met kortingen zal worden verlaagd, met ingang van 1 februari 2013 in plaats van 1 maart 1998;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven op 23 januari 2014 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, A.S. Pontilius en I. Reyes, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris, R.P. Lee.