Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2014:2

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
Behorend bij A.R. nr. 1280 van 2012
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening aansprakelijkheid motorrijtuigen. Verkeersongeval. Verkoopster heeft auto verkocht maar verzuimt om het verzekeringsbewijs bij de verzekeraar in te leveren. De onverzekerde koper veroorzaakt een ongeval. De verzekeringsmaatschappij neemt regres op de verkoopster en de koper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing van 29 januari 2014

Behorend bij A.R. nr. 1280 van 2012

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

BOOGAARD ASSURANTIËN N.V.

te Aruba,

hierna ook te noemen: Boogaard,

gemachtigde: de advocaat mr.T.D. Croes-Fernandes,

tegen:

[L]

te Aruba,

hierna ook te noemen: [L],

in persoon,

[R],

te Aruba,

hierna ook te noemen: [R],

gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 30 oktober 2013;

  • -

    de mondelinge conclusie van antwoord zijdens [L] op de rolzitting van 27 november 2013 waarmee het verstek is gezuiverd.

1 DE VASTSTAANDE FEITEN

1.1

Boogaard is makelaar in verzekeringen en bevoegd op eigen naam en (kennelijk) voor eigen rekening en risico schadeclaims van verzekeraars af te handelen en ter zake te procederen.

1.2

[L] was verzekeringneemster met betrekking tot een Toyota Starlet, gekentekend A-[ ], verder: de auto. De verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid is door bemiddeling van Boogaard tot stand gekomen.

1.3

[L] heeft de auto op 30 maart 2011 verkocht en geleverd aan [R].

1.4

Op 3 april 2011 omstreeks 3 uur 30 heeft een ongeval plaatsgevonden op de Caya G.F. Betico Croes. Daarbij was de auto, bestuurd door [R], betrokken.

1.5

Van het ongeval is door de politie rapport opgemaakt. Voor zover van belang staat in dat rapport:


Korte omschrijving van het ongeval.
Oorzaak: de 13.1 (de auto bestuurd door [R]; toevoeging GEA) reed in de oostelijke richting over de Caya G.F. Betico Croes. De 13.2 (een Chevrolet pick-up bestuurd door .[M],verder: [M]) reed in de westelijke richting over voornoemde weg. Gekomen ter hoogte van lantaarnpaal nummer 27212 ging de 13.1 links de rijbaan af en botste tegen de tegemoetkomende 13.2.
Verz 13.1: onbekend en of geen
13.2: Nagico (…)
schade 13.1: voorzijde helemaal en linker voorkant
13.2: linker voorwiel en as vernield, linker achteras en rechter achteras aanhangwagen met een race auto daarop werd ook vernield en of liep schade op

1.6

Op de datum van de aanrijding had [L] het verzekeringsbewijs van de auto nog niet ingeleverd bij Boogaard.

1.7

Boogaard heeft de door [M] door het ongeval geleden schade vergoed en hem AWG 26.848,48 betaald.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Boogaard vordert – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijke veroordeling van [L] en [R] tot betaling van AWG 26.848,48 aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2011 en AWG 4.027,27 aan buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van [L] en [R] tot vergoeding van de proceskosten.

2.2

Boogaard grondt de vordering erop dat [L] niet heeft voldaan aan haar wettelijke verplichting om het verzekeringsbewijs met betrekking tot de auto tijdig in te leveren bij Boogaard en zij daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens Boogaard. Jegens [R] baseert Boogaard haar vordering erop dat zij op grond van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen (verder: Lam) regres heeft op [R], als veroorzaker van het ongeval.

2.3

[L] erkent de vordering.

2.4

[R] voert gemotiveerd verweer, met vordering – uitvoerbaar bij voorraad – tot veroordeling van Boogaard in de proceskosten.

3 DE BEOORDELING

3.1

[R] verzoekt toegelaten te worden om kosteloos te procederen. Bij gebrek aan bewijs van onvermogen wordt dat verzoek afgewezen.

3.2

De verplichting tot verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid waartoe een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven rust op de bezitter van het motorrijtuig, tenzij dit in duurzaam gebruik is bij een houder; in dat geval rust de verplichting op deze houder, aldus artikel 2 eerste en tweede lid Lam. In dit geval rust die verplichting dus op [R] als bezitter (en eigenaar).

3.3

Ingevolge artikel 10 lid 1 Lam kan geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval door een verzekeraar aan een benadeelde worden tegengeworpen. Volgens het tweede lid van dit artikel kan de verzekeraar die ingevolge de Lam de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten overeenkomst was gedekt, voor het bedrag van de schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon nemen.

3.4

Artikel 12 Lam bepaalt dat de houder van een verzekeringsbewijs waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken, verplicht is dit, zodra de verplichting tot verzekering met betrekking tot het motorrijtuig op een ander overgaat, in te leveren bij de verzekeraar door wie het werd uitgereikt. De verzekering eindigt, wanneer de verplichting tot verzekering op een ander overgaat, met dien verstande dat de verplichtingen van de verzekeraar jegens een benadeelde blijven bestaan, zolang het verzekeringsbewijs niet bij de verzekeraar is ingeleverd, als bedoeld in het eerste lid, aldus het tweede lid van dit artikel.

3.5

Voorgaande wettelijke bepalingen komen er, kort gezegd, op neer dat Boogaard jegens een benadeelde aansprakelijk blijft zolang de motorrijtuigenverzekering nog niet is geëindigd doordat [L] het verzekeringsbewijs van de auto aan Boogaard retourneert, nadat de verplichting om de auto te verzekeren ten gevolge van de eigendomsoverdracht op [R] was overgegaan. Nu [L] niet aan haar wettelijke verplichting heeft voldaan om het verzekeringsbewijs onmiddellijk na verkoop en (af)levering van de auto aan Boogaard te retourneren, heeft zij onrechtmatig gehandeld, dan wel is zij toerekenbaar tekort geschoten in haar uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende verplichting. Boogaard heeft daardoor schade geleden nu zij op grond van de Lam gehouden is jegens de benadeelde tot schadevergoeding over te gaan.

3.6

De vordering jegens [L] is daarom toewijsbaar. De wettelijke rente is niet bestreden en komt voor toewijzing in aanmerking. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen nu niet voldoende gemotiveerd is gesteld en met stukken is onderbouwd, dat Boogaard meer of andere kosten heeft moeten maken dan geacht worden onder de proceskostenveroordeling te vallen.

3.7

[R] voert bij conclusie van dupliek aan dat hij wel verzekerd was en wel bij of via Boogaard doch deze “weigerde hem te erkennen als verzekeraar”.
Aangenomen dat [R] bedoelt dat Boogaard hem weigerde te erkennen als verzekerde, is door hem niet voldoende gemotiveerd aangegeven waarop, in het licht van het hierboven geparafraseerd weergegeven artikel 2 Lam, zijn betoog dat hij bij of via Boogaard verzekerd was tegen wettelijke aansprakelijkheid is gebaseerd. Het verweer faalt.

3.8

[R] betwist aansprakelijkheid jegens [M]. Nu Boogaard regres neemt uit hoofde van het feit dat zij de schade van [M] heeft vergoed, moet worden beoordeeld of [R] onrechtmatig jegens Marduro als eigenaar van de Chevrolet heeft gehandeld.

3.9

Volgens [R] klopt bovengenoemd rapport van de politie niet. [R] wijt dat aan het feit dat hij niet is ondervraagd zodat het rapport een eenzijdig beeld schetst van het ongeval.
De toedracht is volgens [R] in zijn conclusie van antwoord als volgt: Hij wilde linksaf slaan en is tegen de aanhangwagen achter de Chevrolet gebotst. Deze voerde geen licht, aldus [R]. Hij had niet gezien dat er nog een aanhangwagen achter de Chevrolet hing. De Chevrolet reed te veel naar rechts (vanuit rijrichting van [R] gezien). Bovendien waren de wielen van de Chevrolet zo breed, dat die buiten de carrosserie uitstaken. De Chevrolet voerde geen waarschuwingslicht (knipperlicht).
Volgens de conclusie van dupliek sloeg [R] niet links- maar rechtsaf toen het ongeval plaatsvond. Hij reed – kennelijk niettegenstaande het feit dat hij afsloeg – met gewone snelheid. Hij heeft juist niet eerst de aanhangwagen geraakt maar eerst het linker voorwiel van de Chevrolet en pas daarna het linker wiel van de aanhangwagen.

3.10

Het verweer van [R] is op deze manier niet voldoende toegelicht. [R] geeft geen enkele verklaring voor het feit dat hij in beide conclusies deels tegengestelde feiten aanvoert om het ongeval te verklaren en de oorzaak daarvan aan [M] toe te rekenen.

3.11

Uitgaande van de conclusie van antwoord is overigens niet duidelijk waarom de omstandigheid dat de wielen van de Chevrolet breed zouden zijn geweest – waarbij overigens onduidelijk blijft op grond van welke feiten [R] tot die conclusie komt, uit de door [R] zelf overgelegde foto’s blijkt daarvan niet – er mede oorzaak van is dat [R] bij het linksaf slaan tegen de achter de Chevrolet hangende aanhangwagen is gereden. Onvoldoende toegelicht is voorts waarom op [M] een verplichting zou hebben gerust om de aanhanger – kennelijk aan de voor- en de zijkant daarvan – te voorzien van alarm- of andere lichten. Voldoende gemotiveerd gesteld noch gebleken is dat met de aanhangwagen niet op de openbare weg mocht worden gereden. Het politierapport maakt daar ook geen melding van terwijl de omstandigheid dat [R] onmiddellijk na het ongeval het bewustzijn zou hebben verloren geen invloed heeft hoeven hebben op het vermogen van de politieambtenaren om dat te constateren. Dat de Chevrolet, vanuit [M] gezien, niet genoeg links zou hebben gehouden verklaart ook niet waarom [R] bij het (voor hem) links- of (uitgaande van de conclusie van dupliek) rechtsaf slaan tegen de achter de Chevrolet hangende aanhangwagen is gereden. Ook dit blijkt overigens niet uit de door [R] zelf overgelegde foto’s.
Hoe zich het latere verweer van [R], dat hij eerst de (linker) wielen van de Chevrolet heeft geraakt en pas daarna het eerste (linker) wiel van de aanhangwagen, zich verhoudt tot het verweer, dat hij bij het links – of kennelijk door het naar links uitwijken de bocht naar rechts inzetten – rechtsaf slaan de aanhangwagen niet heeft gezien omdat die geen voor hem zichtbaar licht voerde, blijft onduidelijk. Wat de relevantie is van de omstandigheid dat de aanhangwagen niet voldoende licht voerde als [R] eerst de – volgens de conclusie van dupliek opeens (ook) onvoldoende verlichte Chevrolet – heeft geraakt is ook onverklaard gebleven.

3.12

De stelling van Boogaard dat [R] bij het afslaan onvoldoende heeft opgelet en aan de recht doorgaande Chevrolet geen voorrang heeft verleend zoals hij gehouden was te doen is dan ook onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat [M] eigen schuld aan het ongeval had is niet voldoende gemotiveerd gesteld. Aan (verdere) bewijslevering ter zake komt het gerecht niet toe.

3.13

[R] betwist ten slotte de hoogte van de schade. Daarbij voert hij onder meer aan dat slechts de Chevrolet schade zou hebben opgelopen. Hoe dit betoog te rijmen is met het betoog van [R] dat hij (ook) tegen het linker wiel van de aanhangwagen is aangereden is onduidelijk zodat dit verweer faalt. Verder betoogt hij dat de Chevrolet een total loss is en de racewagen die op de aanhanger vervoerd werd is niet beschadigd. Beschadigd zijn alleen de linker wielen van de Chevrolet en het linker wiel van de aanhangwagen. Althans, een alinea verder heet het opeens (en onverklaard) dat alleen het linker voorwiel en het linker achter wiel van de Chevrolet is geraakt, “en geen enkel ander wiel”.

3.14

Ter onderbouwing van de schade heeft Boogaard bij repliek twee rapporten overgelegd van schade expert [x] van 12 april 2011. Waarom deze rapporten niet al bij inleidend verzoekschrift van 10 mei 2012 zijn overgelegd, terwijl artikel 18c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorschrijft dat partijen verplicht zijn alle voor de beslissing van belang zijn de feiten volledig - waaronder mede valt te verstaan goed gemotiveerd en waar mogelijk met relevante stukken onderbouwd - naar waarheid en in een zo vroeg mogelijke stadium aan te voeren is niet duidelijk gemaakt. Het gerecht zal daaraan op grond van dit artikel de gevolgen verbinden die hij in de omstandigheden van dit geval geraden acht, te weten dat bij de proceskostenveroordeling rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat Boogaard [R] nodeloos op kosten heeft gejaagd en overigens in zijn verweermogelijkheid heeft beperkt, door hem niet in staat te stellen in de conclusie van antwoord op deze rapporten te reageren en die reactie desgewenst naar aanleiding van de conclusie van repliek bij dupliek nader uit te werken.

3.15

Het gerecht constateert dat de schade expert de Chevrolet als total loss beschouwt en de dagwaarde van de auto op AWG 10.088, stelt. [R] voert daartegen geen gemotiveerd verweer, los van de onbegrijpelijke stelling: “de verzekering vergoed geen McWheels zodat het vreemd is dat deze als schadepost is opgenomen” en het betoog dat in een andere zaak een ander type auto van een ander bouwjaar minder waard was. Zijdens [R] is geen op deze auto betrekking hebbend expertiserapport overgelegd hoewel hij daartoe wel in staat moet worden geacht, althans niet is aangegeven waarom dat niet kon. De schade aan de Chevrolet is onvoldoende gemotiveerd weersproken.

3.16

[R] betwist verder, gemotiveerd en met stukken onderbouwd, dat de racewagen die op de aanhangwagen stond beschadigd is omdat hij door het ongeval van de aanhangwagen afviel.

3.17

Uit de overgelegde foto’s blijkt niet dat de racewagen door de klap van de aanrijding van de aanhanger is gevallen en daarbij beschadigd is geraakt. Uit het politierapport blijkt dat evenmin. Dat maakte er alleen melding van dat de aanhangwagen met een raceauto daarop (ook) werd vernield en/of schade opliep. De tekst van het rapport sluit niet uit dat de rapporteur het alleen heeft over de aanhangwagen zelf. Het ligt niet voor dat hand dat, als de raceauto inderdaad door de klap van de aanrijding van de aanhangwagen was gevallen, de politie daarvan geen melding zou hebben gemaakt. Ten slotte acht het gerecht, zonder nadere niet gestelde bijzondere omstandigheden, ook niet aannemelijk dat een raceauto die voor vervoer deugdelijk op een aanhanger is (vast)gezet, door een aanrijding van een aanhanger kan afvallen. Dat de raceauto (kennelijk) niet goed was vastgezet is door Boogaard niet aangevoerd. Uit het rapport van de schade expert kan ook niet blijken dat de raceauto van de aanhanger is gevallen. De verklaring van de expert is kennelijk gebaseerd op ‘horen zeggen’ en niet op eigen onderzoek en expertise. Een voldoende concreet getuigenbewijsaanbod ontbreekt.

3.18

Het gerecht zal dit deel van de schade daarom afwijzen. Dat brengt mee dat alleen met betrekking tot de schade aan de Chevrolet sprake is van hoofdelijkheid.

3.19

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [L] de proceskosten voor zover die betrekking hebben op de procedure tegen haar moeten vergoeden. Ten aanzien van [R] zal het gerecht de proceskosten, gezien hetgeen is overwogen onder 3.14, compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht, recht doende:

veroordeelt [L] tot betaling aan Boogaard van een bedrag van AWG 26.848,48 in hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2011, steeds over het dan uitstaande saldo totdat geheel is betaald;

veroordeelt [L] in de kosten van de procedure, welke kosten tot op heden aan de zijde van Boogaard worden begroot op AWG. 750, aan griffierecht, AWG. 384, aan explootkosten en AWG 900, aan salaris van de gemachtigde;

veroordeelt [R] tot betaling aan Boogaard van een bedrag van AWG 10.088, in hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2011, steeds over het dan uitstaande saldo totdat geheel is betaald;

compenseert de proceskosten tussen Boogaard en [R] aldus dat ieder de eigen kosten draagt

verklaart [L] en [R] met betrekking tot bovengenoemde hoofdsom van AWG 10.088, met rente hoofdelijk aansprakelijk, zodanig dat als de ene schuldenaar betaalt, de andere zal zijn bevrijd ten opzichte van schuldeiser;

verklaart dit vonnis met betrekking tot de betalingsverplichtingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 januari 2014 in aanwezigheid van de griffier.