Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2013:43

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
14-01-2019
Zaaknummer
CVB nr. 3185 van 2012
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7, lid 1 sub e LvZv; Nog daargelaten de vraag of het onderzoek naar pre-existentie van een bepaalde ziekte valt onder het onderzoeken door de controlerende geneeskundige zoals bedoeld in genoemde bepaling, berust het standpunt van de bank dat erop neerkomt dat een werknemer die wegens de ene ziekteoorzaak recht heeft op ziekengeld, dit recht verliest wanneer hij geen medewerking verleent aan een geneeskundig onderzoek wegens een andere ziekteoorzaak, terwijl hij wegens die laatste ziekteoorzaak (nog) geen aanspraak maakt op ziekengeld, op een verkeerde lezing van artikel 7, lid 1 sub e van de LvZv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 13 november 2013.

CVB nr. 3185 van 2012

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening ziekteverzekering (LvZv) van:

[ X ],

wonende in Aruba,

APPELLANTE

procederende in persoon,

tegen de beslissing van 3 oktober 2012 van

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER, hierna te noemen de bank,

gemachtigde: de advocaat [ Z ].

1 PROCESVERLOOP

1.1

Bij beslissing van 3 oktober 2012 heeft de bank besloten dat appellante vanaf 3 september 2012 geen recht heeft op ziekengeld, aangezien appellante de controlerende arts niet in staat heeft gesteld haar te onderzoeken vanaf voornoemde periode.

1.2

Tegen deze beslissing heeft appellante op 19 oktober 2012 schriftelijk beroep aangetekend.

1.3

Op 20 november 2012 heeft de bank een verweerschrift ingediend.

1.4

Het beroep van appellante is op de bijeenkomst van 2 oktober 2013 van dit college behandeld, in aanwezigheid van appellante in persoon en [ A ], bedrijfsarts, [ B ], verzekeringsarts en [ C ], jurist, namens de bank, bijgestaan door de advocaat voornoemd.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om haar vanaf 3 september 2012 ziekengeld te weigeren en stelt zich op het standpunt dat zij door de controlerend arts, de heer [ M ], op 28 augustus 2012 is gecontroleerd en dat die arts haar vanaf 3 september 2012 in verband met arm- en schouderklachten voor 50% arbeidsgeschikt voor passend werk heeft verklaard. Op 3 oktober 2012 zou een controle-afspraak plaatsvinden.

Appellante stelt verder dat zij zich op 3 september 2012 arbeidsongeschikt heeft gemeld wegens pijn aan haar voet en onderrug en dat zij toen vrijwillig naar de controlerend arts is gegaan. De controlerend arts heeft lichamelijk onderzoek verricht en tegen haar gezegd dat zij geen pijn had en dat haar rug goed was (volgens appellante was haar onderrug opgezet). Hierdoor raakte appellante gefrustreerd en heeft ze haar frustraties over de – in haar ogen – onheuse bejegening door de controlerend arts, geuit. Er volgde een discussie tussen appellante en de controlerend arts waarna appellante de kamer van de controlerend arts verliet. Bij brief van 3 oktober 2012 van de bank is zij bericht dat zij zich op 3 september 2012 ten kantore van de bank heeft misdragen en is zij gewaarschuwd dat de bank haar bij een volgende misdraging de toegang tot het gebouw zou kunnen weigeren.

Volgens appellante heeft zij zich op 3 oktober 2012 telefonisch 100 % arbeidsgeschikt gemeld en zij is sinds 4 oktober 2012 voor 8 uren werkzaam.

2.2

De bank heeft als verweer het volgende aangevoerd. Op 3 september 2012 meldde appellante, die vanaf die datum 50% arbeidsgeschikt was verklaard wegens schouderklachten, zich bij de controlerend arts en claimde voortdurende arbeidsongeschiktheid wegens rugklachten. Uit lichamelijk onderzoek bleken geen aanwijzingen voor een verminderde rug belastbaarheid of verergerde schouderklachten. De bank heeft toen zijn beslissing van 28 augustus 2012, waarbij appellante – kort gezegd – voor 50% arbeidsgeschikt was verklaard, gehandhaafd.

De bank heeft vervolgens de tegemoetkoming tijdelijk en later definitief stopgezet, omdat de bank, naar aanleiding van hetgeen appellante tijdens de controle op 3 september 2012 te kennen had gegeven over wervelinzakking en het in Nederland hebben genoten van een invaliditeitsuitkering, wilde onderzoeken of appellante de ziekte waarvan zij thans klachten had niet reeds had voordat zij de hoedanigheid van arbeider in de zin van de LvZv bezat, en appellante weigerde de verzochte informatie te geven. Volgens de bank heeft appellante haar medewerking niet verleend aan het onderzoek naar haar pre-existente ziekte (wervelinzakking) en heeft zij zich na 3 september 2012 ook niet meer laten onderzoeken, zodat zij haar recht op tegemoetkoming op de voet van artikel 7, lid 1 sub e van de LvZv heeft verloren.

2.3

Het college overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de LvZv, voor zover thans van belang, heeft de werknemer die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht op ziekengeld met ingang van de derde dag na die van de ziekmelding. Voor zover hier van belang bepaalt artikel 7, lid 1 sub e van de LvZv, dat de werknemer het recht op tegemoetkoming verliest indien hij niet op de tijden en plaatsen, door de bank aangewezen, de controlerend geneeskundige toestaat hem te onderzoeken.

2.4

Niet in geschil is dat appellante onder ziektemeldingskaart 524300 vanaf 14 april 2012 voor 100% en vanaf 3 september 2012 voor 50% arbeidsongeschikt was wegens schouderklachten en derhalve aanspraak had op ziekengeld. Voorts is niet in geschil dat zij zich op 3 september 2012 arbeidsongeschikt heeft gemeld wegens rugklachten, maar dat zij wegens deze ziekteoorzaak geen aanspraak maakte op ziekengeld omdat de controlerend arts toen geen aanleiding heeft gevonden om appellante wegens rugklachten arbeidsongeschikt te verklaren.

2.5

Nog daargelaten de vraag of het onderzoek naar pre-existentie van een bepaalde ziekte valt onder het onderzoeken door de controlerende geneeskundige zoals bedoeld in genoemde bepaling, berust het standpunt van de bank dat erop neerkomt dat een werknemer die wegens de ene ziekteoorzaak recht heeft op ziekengeld, dit recht verliest wanneer hij geen medewerking verleent aan een geneeskundig onderzoek wegens een andere ziekteoorzaak, terwijl hij wegens die laatste ziekteoorzaak (nog) geen aanspraak maakt op ziekengeld, op een verkeerde lezing van artikel 7, lid 1 sub e van de LvZv.

2.6

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat de bestreden beslissing van de bank van 3 oktober 2012 dient te worden vernietigd, nu deze berust op een onhoudbare grondslag. Appellant heeft onder ziektemeldingskaart met nummer 524300, recht op ziekengeld, wegens schouderklachten.

3 DE BESLISSING

Het college

verklaart het beroep gegrond.

vernietigt de beslissing van de bank van 3 oktober 2012, met kenmerk 63071808/19610/2012;

bepaalt dat [ X ] onder ziektemeldingskaart nummer 524300, recht heeft op ziekengeld wegens 50% arbeidsongeschiktheid voor de periode vanaf 3 september 2012 tot en met 3 oktober 2012.

Aldus gegeven op 13 november 2013 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, A.S. Pontilius en R. van Trigt, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris, L. Hoogenbergen.