Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2013:41

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
18-12-2018
Zaaknummer
CVB nr. 3196 van 2013
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sociale verzekeringen - ziekteverzekering

Artikel 5 LvZv; geen sprake van eenzelfde ziekteoorzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 13 november 2013

CVB nr. 3196 van 2013

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening ziekteverzekering (LvZv) van:

[ X ],

wonende in Aruba,

APPELLANT

procederende in persoon,

tegen de beslissing van 3 oktober 2012 van

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER, hierna te noemen de bank,

gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Bij beslissing van 3 oktober 2012 heeft de bank geweigerd aan appellant ziekengeld uit te keren wegens pijnklachten aan de knie onder ziektemeldingskaart nummer 536283, omdat appellant op 6 april 2010, onder ziektemeldingskaart nummer 454231 reeds arbeidsongeschikt was vanwege deze ziekte en hij inmiddels geen recht meer heeft op ziekengeld vanwege deze ziekte.

1.2

Tegen deze beslissing heeft appellant op 22 oktober 2012 schriftelijk beroep aangetekend.

1.3

Op 20 november 2012 heeft de bank een verweerschrift ingediend.

1.4

Het beroep van appellant is op de bijeenkomst van 2 oktober 2013 van dit college behandeld, in aanwezigheid van appellant in persoon en drs. M. Bourgeois, bedrijfsarts, drs. M. Schaad, verzekeringsarts en mr. B. Henriquez, jurist, namens de bank, bijgestaan door de advocaat voornoemd.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Appellant kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om hem vanaf 10 oktober 2012 geen ziekengeld uit te keren en stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van twee jaar arbeidsongeschiktheid wegens dezelfde ziekte.

Daartoe heeft appellant het volgende aangevoerd.

Hij is in 2010 geopereerd aan zijn linkerknie, waarbij een plaat is geplaatst. Van 16 juli 2011 tot 16 mei 2012 heeft hij in het KIA een straf uitgezeten. Op 6 september 2011 kreeg hij pijnklachten aan zijn knie en heeft hij de specialist gezien. Volgens appellant heeft hij de specialist toen verzocht om de plaat uit zijn knie te verwijderen. De specialist heeft hem aangeraden om vanwege de hygiënische omstandigheden in het KIA, met de operatie te wachten tot hij op vrije voeten zou komen. Op 10 oktober 2012 is de plaat die in zijn knie was geplaatst, operatief verwijderd.

2.2

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de LvZv, voor zover thans van belang, heeft de werknemer (arbeider) die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht op ziekengeld met ingang van de derde dag na die van de ziekmelding. Ter zake van eenzelfde ziekteoorzaak vervalt die aanspraak twee jaar nadien.

2.3

Niet in geschil is dat appellant vanaf 6 april 2010 onder ziektemeldingskaart 454231 aanspraak had op ziekengeld wegens klachten aan de knie ten gevolge van slijtage en dat hij in oktober 2010 een valgiserende tibiakop osteotomie aan zijn linkerknie heeft ondergaan, waarbij een plaat in zijn linkerknie is geplaatst. Derhalve had hij vanaf 5 april 2012 geen aanspraak meer op ziekengeld ter zake van slijtage. De bank heeft zich op het standpunt gesteld dat in oktober 2012 sprake is van dezelfde ziekteoorzaak, zodat appellant op grond van artikel 5 LvZv geen recht meer heeft op ziekengeld.

2.4

Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd moet in deze procedure de vraag worden beantwoord of de arbeidsongeschiktheid van appellant in oktober 2012 dezelfde ziekteoorzaak heeft als die in april 2010. Bij de beoordeling van die vraag neemt het college het volgende in aanmerking.

Uit de door appellant overgelegde verklaring van 22 oktober 2012 van de orthopedisch chirurg, [ Q ], blijkt dat de plaat die de specialist in oktober 2010 in de knie van appellant had geplaatst, een jaar na die operatie verwijderd had moeten worden. Appellant heeft onweersproken gesteld dat hij zich in september 2011 met pijn in zijn knie heeft gewend tot de specialist en hem heeft verzocht de geplaatste plaat te verwijderen. Uit de verklaring van de specialist blijkt dat hij heeft gewacht met die operatie tot oktober 2012, omdat hij het risico op infecties vanwege de hygiënische situatie in KIA niet heeft willen nemen. Naar het oordeel van het college kan deze medische beslissing niet aan appellant worden tegengeworpen.

2.5

Gelet hierop stelt het college vast dat appellant in oktober 2012 arbeidsongeschikt was vanwege de plaat die operatief in zijn knie was geplaatst en twee jaar later nog niet was verwijderd. Dit is een andere ziekteoorzaak dan die waarvoor appellant in april 2010 arbeidsongeschikt was. Dat de plaat operatief was geplaatst in het kader van de medische behandeling tegen slijtage van de knie, doet hier niet aan af.

2.6

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat de bestreden beslissing van de bank van 3 oktober 2012 dient te worden vernietigd. Appellant heeft onder ziektemeldingskaart met nummer 536283, recht op ziekengeld, wegens het operatief verwijderen van de plaat in zijn knie.

3 BESLISSING

Het college

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de bank van 3 oktober 2012, met kenmerk 59101042/19612/2012;

bepaalt dat [ X ] onder ziektemeldingskaart nummer 536283, recht heeft op ziekengeld, wegens het operatief verwijderen van de plaat in zijn knie.

Aldus gegeven op 13 november 2013 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, A.S. Pontilius en R. van Trigt, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris, L. Hoogenbergen.