Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2012:BV3059

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
11-01-2012
Datum publicatie
07-02-2012
Zaaknummer
LAR nr. 2275 van 2011
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de verkrijging van het Nederlanderschap door appellante. In de verblijfshistorie van de optant is een onderbreking geweest. Dit verblijfsgat is een reden voor weigering van vaststelling van de optieverklaring voor Nederlanderschap. Verweerder heeft geen beleidsvrijheid ten aanzien van de bevestiging van een verkrijging van het Nederlanderschap. Beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak d.d. 11 januari 2011 [lees: 2012]

L.A.R. nr. 2275 van 2011

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (LAR) van:

[appellante],

wonende in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. H.S. Croes,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. M.G.J. Boelen, plv. directeur Kabinet Gouverneur.

1. DE PROCEDURE:

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingediend ter griffie op 26 september 2011;

- het door verweerder op 22 november 2011 ingediende verweerschrift met producties;

- de aantekeningen van de griffier van het verhandelde ter zitting op 12 december 2011, waaruit blijkt dat ter zitting zijn verschenen appellante bij haar gemachtigde voornoemd en verweerder bij zijn gemachtigde;

- het ter zitting op verzoek van het gerecht overgelegde bezwaarschrift met producties;

- de ter zitting zijdens appellante voorgedragen en overgelegde pleitnota.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. DE FEITEN:

2.1 Appellante, geboren op 12 april 1991 in India en van Indiase nationaliteit, staat vanaf 8 juli 1994 onafgebroken in het bevolkingsregister van Aruba ingeschreven.

2.2 Op 28 april 1994 is aan appellante een eerste vergunning tot tijdelijk verblijf alhier verleend met als doel gezinshereniging. Die vergunning was geldig tot 31 maart 1995. Daarna heeft appellante een zestal vergunningen tot tijdelijk verblijf verkregen met een geldigheidsduur van telkens een jaar (nummers 2 tot en met 7). De zevende vergunning was geldig tot 31 maart 2001. Vanaf 1 maart 2004 heeft appellante wederom jaarlijks een vergunning tot tijdelijk verblijf verkregen met een geldigheidsduur van telkens een jaar (nummers 8 tot en met 12). Op 27 maart 2009 heeft zij een vergunning tot verblijf met een onbepaalde geldigheidsduur verkregen (vergunning nummer 13).

2.3 Bij brief van 29 april 2011 heeft verweerder bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap geweigerd. Die beslissing is als volgt gemotiveerd:

<i>“(…) Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat u niet sedert de leeftijd van vier jaar onafgebroken toelating in het Koninkrijk heeft gehad.

Uit informatie van de Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranheronan (DIMAS) te Aruba is immers gebleken dat u in ieder geval in de periode van 31 maart 2001 tot 23 oktober 2002 geen toelating heeft gehad in het Koninkrijk. (…)

Gelet op het vorenstaande heeft u niet sedert de leeftijd van vier jaar toelating binnen het Koninkrijk gehad in de zin van artikel 6, eerste lid, onder e van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Gelet hierop komt u niet in aanmerking voor verkrijging van het Nederlanderschap op grond van deze bepaling. Derhalve wordt de bevestiging van uw optieverklaring geweigerd.”</i>

2.4 Appellante heeft op 27 mei 2011 bezwaar aangetekend tegen bovengenoemde beschikking van 29 april 2011 van verweerder. Dit bezwaarschrift is tijdens de hoorzitting van 28 juni 2011 door de Bezwaaradviescommissie van de LAR (hierna BAC) behandeld, waarna de BAC op 20 juli 2011 verweerder heeft geadviseerd het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3 Bij brief van 5 september 2011, hierna de bestreden beslissing op het bezwaar, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

3. HET BEROEP:

3.1 Het beroep strekt – naar het gerecht begrijpt – ertoe om de bestreden beslissing op het bezwaar van 5 september 2011 te vernietigen en verweerder te bevelen om te bevestigen dat appellante op de voet van artikel 6, eerste lid onder e RWN, het Nederlanderschap heeft verkregen.

3.2 Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd haar verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen. Volgens appellante voldoet zij aan de vereisten genoemd in artikel 6, eerste lid onder e van de RWN, nu zij vanaf 1994 onafgebroken hoofdverblijf in Aruba en ook toelating heeft gehad. Appellante meent dat verweerder het begrip “toelating” zoals bedoeld in de RWN enger interpreteert dan de RWN heeft bedoeld. Voorts meent appellante dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eventuele gaten in haar verblijf in de weg staan aan een bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap, nu zij ten tijde dat de verblijfsgaten zijn ontstaan, minderjarig was en het bestaan van die verblijfsgaten haar daarom niet kan worden tegengeworpen.

3.3 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep.

4. DE BEOORDELING:

4.1 In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd de verkrijging van het Nederlanderschap door appellante op de voet van artikel 6, eerste lid onder e RWN, te bevestigen. Bij de beantwoording van die vraag stelt het gerecht voorop dat het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid onder c van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut), een aangelegenheid van het Koninkrijk is. Het gerecht zal daarom eerst moeten beoordelen of hij bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige beroepschrift.

4.2 Het gerecht overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6, eerste lid van het Statuut worden bij de behartiging van de aangelegenheden van het Koninkrijk waar mogelijk de landsorganen ingeschakeld.

Artikel 14, eerste lid van het Statuut bepaalt dat regelen omtrent aangelegenheden van het Koninkrijk - voor zover de betrokken materie geen regeling in de Grondwet vindt en behoudens de internationale regelingen en het bepaalde in het derde lid - bij rijkswet of in de daarvoor in aanmerking komende gevallen bij algemene maatregel van rijksbestuur worden vastgesteld.

4.3 Ter uitvoering van bovengenoemd artikel 3, eerste lid onder c gelezen in samenhang met artikel 14, eerste lid van het Statuut, is de RWN tot stand gekomen. Ingevolge artikel 6, eerste lid , aanhef en onder e van de RWN verkrijgt na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijk verklaring de meerderjarige vreemdeling die sedert het bereiken van de leeftijd van vier jaar toelating en hoofdverblijf heeft in Aruba, het Nederlanderschap door bevestiging als bedoeld in het derde lid.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden beoordeelt waarop de verklaring berust. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.

4.4 Voor zover hier van belang worden ingevolge artikel 21 van de RWN bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om verlening en verklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap en kunnen nadere voorschriften worden gesteld betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de verzoeken, de bevestigingen, bedoeld in artikel 6, alsmede de verdere administratieve behandeling van verkrijging en verlening van het Nederlanderschap.

Volgens het eerste lid van artikel 23 van de RWN kunnen bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

4.5 De algemene maatregel van rijksbestuur, die ter uitvoering en invulling van bovenaangehaalde artikelen 21 en 23 van de RWN is opgesteld, is het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN).

Blijkens artikel 2 van het BVVN is tot het ontvangst nemen van optieverklaringen in Aruba bevoegd: de Gouverneur van Aruba.

Ingevolge artikel 72 van het BVVN kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit besluit.

4.6 De ministeriële regeling die ter uitvoering van artikel 72 van het BVVN tot stand is gekomen, is de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RVVN).

Artikel 2 van de RVVN bepaalt, voor zover hier van belang, dat de uitvoeringsautoriteit de hem in het BVVN opgedragen werkzaamheden uitoefent in overeenstemming met de Handleiding, alsmede met de nadere instructies terzake die in het betreffende Rijksdeel gelden.

4.7 In de Handleiding RWN 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba (hierna de Handleiding), staat in paragraaf 2.8.1. van de toelichting ad artikel 6, derde lid het volgende opgenomen:

<small>“Indien de Gouverneur concludeert dat de optieverklaring niet kan leiden tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap, omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, weigert hij deze schriftelijk. Dit is een beschikking in de zin van de LAR waartegen bezwaar mogelijk is. Het besluit vermeldt de gronden van de weigering, en vermeldt dat de optant dan wel – indien van toepassing – zijn wettelijk vertegenwoordiger, binnen zes weken na ontvangst van het besluit bij de Gouverneur een bezwaarschrift kan indienen.”</small>

4.8 Uit het vorenstaande volgt dat de Gouverneur als landsorgaan is aangewezen om op te treden als de autoriteit die de optieverklaringen kan bevestigen of weigeren. Als zodanig is hij derhalve een bestuursorgaan in de zin van de LAR en zijn weigering de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen is een beschikking in diezelfde zin. Op de voorliggende procedure is de LAR van toepassing. Het gerecht is dan ook bevoegd om als bestuursrechter van het beroepschrift kennis te nemen.

4.9 Nu appellante zowel het bezwaarschrift als het beroepschrift binnen de daarvoor geldende termijn heeft ingediend kan zij in beide worden ontvangen.

4.10 Wat betreft het antwoord op de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd de verkrijging van het Nederlanderschap door appellante op de voet van artikel 6, eerste lid onder e RWN, te bevestigen, overweegt het gerecht als volgt. Voor opties op grond van artikel 6, eerste lid onder e RWN is een termijn van minstens 14 jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf in Aruba vereist. Ter beoordeling ligt dan ook voor de vraag of appellante voldoet aan voormelde voorwaarden.

4.11 Blijkens de Memorie van toelichting op de Wijziging van de RWN met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25891 (R 1609) nr. 3), hierna de memorie, heeft het begrip “hoofdverblijf” een strikt feitelijke inhoud. Hoofdverblijf is daar waar iemand zijn feitelijke woonstede heeft.

4.12 Uit de door appellante overgelegde verklaring van inschrijving van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister blijkt dat appellante vanaf 8 juli 1994 onafgebroken in het Arubaanse bevolkingsregister staat ingeschreven. Uit de verklaring van het Hoofd van Mon Plaisir Basisschool blijkt, dat appellante vanaf augustus 1997 tot juli 2003 onderwijs aan die school heeft gevolgd. Uit de door appellante overgelegde rapporten blijkt dat zij het voortgezet onderwijs aan het Colegio Arubano heeft gevolgd en in juli 2009 voor het vwo is geslaagd. Dat appellante minstens 14 jaar in Aruba hoofdverblijf heeft gehad, heeft zij naar het oordeel van het gerecht aannemelijk gemaakt.

4.13 Volgens de memorie is toelating te verstaan als de instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van een vreemdeling hier te lande, zoals onder andere kan blijken uit de afgifte van een vergunning tot verblijf. De vraag of er sprake is van toelating van de vreemdeling moet naar landsrecht worden beantwoord. Volgens de Handleiding is van toelating in Aruba sprake indien de optant rechtmatig verblijf heeft op grond van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (LTUV) en het rechtmatige verblijf dient aan de hand van de verblijfsdocumenten te worden bewezen. Ingevolge artikel 6, eerste lid van de LTUV wordt, behalve die personen op wie de LTUV ingevolge artikel 1 niet van toepassing is en degenen die op de voet van artikel 3 van rechtswege toelating tot verblijf hebben, niemand in Aruba toegelaten zonder een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf. Artikel 7, eerste lid en artikel 7a, eerste lid van de LTUV bepalen voor zover hier van belang dat een vergunning tot (tijdelijk) verblijf wordt verleend door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken.

4.14 Uit de door appellante overgelegde vergunningen tot (tijdelijk) verblijf, blijkt dat zij vanaf 28 april 1994 tot 31 maart 2001 rechtmatig in Aruba is verbleven en vanaf 1 maart 2004 wederom rechtmatig in Aruba verblijft. In de tussenliggende periode van 31 maart 2001, toen de geldigheidsduur van de aan haar verleende vergunning tot tijdelijk verblijf nummer 7 was beëindigd, tot 1 maart 2004, toen de vergunning tot tijdelijk verblijf nummer 8 aan haar werd verleend, was zij niet in het bezit van enige vergunning tot (tijdelijk) verblijf. In die periode had zij dan ook geen rechtmatig verblijf in de zin van de LTUV en is er sprake van een verblijfsgat.

4.15 Volgens de Handleiding zijn onderbrekingen in de verblijfshistorie van de optant, de zogenaamde verblijfsgaten, reden voor weigering van vaststelling van de optieverklaring.

Hieruit vloeit voort dat verweerder –anders dan appellante meent– geen beleidsvrijheid heeft ten aanzien van de bevestiging van een verkrijging van het Nederlanderschap. In het geval verweerder constateert dat er sprake is van onderbrekingen in het rechtmatige verblijf van een optant, zal hij immers de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap moeten weigeren. Nu uit de verblijfsdocumenten van appellante is gebleken dat sprake is van een verblijfsgat, heeft verweerder naar het oordeel van het gerecht terecht geweigerd de verkrijging van het Nederlanderschap van appellante te bevestigen. Het gerecht gaat hierbij voorbij aan de constatering door verweerder dat appellante een verblijfsgat had in de periode vanaf 31 maart 2001 tot 23 oktober 2002, nu verweerder het bericht omtrent toelating, de zgn. BOT-verklaring, waaruit dit zou moeten blijken niet in het geding heeft gebracht en deze constatering niet tot een ander oordeel doet leiden.

4.16 Het beroep is derhalve ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gezien dit resultaat, geen wettelijke grondslag.

5. DE BESLISSING:

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing werd gegeven door mr. I.K. van Acker, rechter in dit gerecht en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag, 11 januari 2012 in aanwezigheid van de griffier.