Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2011:BU6198

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22-09-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
KG 2015/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg dictum bestuursrechtelijke voorlopige voorziening mbt autobusvergunningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 22 september 2011 (bij vervroeging)

KG no. 2015 van 2011

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

Vonnis in kort geding tussen:

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

3. [eiser sub 3]

4. [eiser sub 4],

5. [eiser sub 5],

Allen wonende te Aruba,

EISERS,

gemachtigde: de advocaat mr. M.G.A. Baiz,

en

de publiekrechtelijke rechtspersoon HET LAND ARUBA, zetelende te Aruba,

GEDAAGDE, hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigde: de advocaat mr. I.L. Ras-Orman (DWJZ).

1. DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingediend op 29 augustus 2011;

- de griffiersaantekeningen van de behandeling ter openbare terechtzitting op 6 september 2011, waar de gemachtigden van partijen het woord hebben gevoerd aan de hand van de overgelegde pleitnotities en waar zij op elkaars stellingen hebben gereageerd. Partijen hebben na afloop van de zitting getracht samen tot een oplossing te komen. Bij brief van 21 september 2011 hebben eisers laten weten dat dit niet is gelukt en vonnis verzocht.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 Eisers zijn allen houder van een vergunning tot het exploiteren van een autobus, waarbij iedere eiser toestemming is verleend om een in de vergunning bepaalde route te mogen rijden. De routes zijn in de vergunningen als volgt omschreven:

- vergunning [eiser sub 1]: ‘Noord-O’stad-(via Paradera en Dakota) en v.v.’

- vergunning [eiser sub 2]: ‘Oranjestad-Noord m.u.v. het gedeelte van de J.E. Irausquin Blvd. Gelegen vanaf de kruising t.h.v. Alhambra Casino tot bij Westin Resort (voormalige Wyndham Hotel) en eventueel via Santa Cruz.’

- vergunning [eiser sub 3]: ‘Tanki-Leendert-Noord en binnenwegen Oranjestad en v.v.’

- vergunning [eiser sub 4]: ‘Noord-Oranjestad m.u.v. het gedeelte van de J.E. Irausquin Blvd. Gelegen vanaf de kruising t.h.v. Alhambra Casino tot bij Westin Resort en eventueel Tanki Leendert.’

- vergunning [eiser sub 5]: ‘Oranjestad-Noord-Westpunt-Bakval-Paradera (via Tanki Leendert)-Seroe Blanco-J.E. Irausquin Blvd.’

2.2 Bij ministeriële beschikkingen van 1 juni 2011 (hierna: de beschikkingen) heeft de Minister van Toerisme Transport en Arbeid (hierna: de Minister) aan eisers bericht dat de vergunning wordt verleend met de expliciete voorwaarde dat eisers van maandag tot en met zaterdag van 6.00 uur tot 19.00 uur de in de beschikkingen opgenomen routes dienen te rijden. Deze routes wijken af van de routes die eisers tot dan toe gebruikelijk waren te rijden.

2.3 Bij bezwaarschriften van 5 juli 2011 hebben eisers bezwaar aangetekend tegen voornoemde beschikkingen.

2.4 Hangende de bezwaarprocedure hebben eisers de bestuursrechter van dit gerecht verzocht de beschikkingen te schorsen en een voorlopige voorziening te treffen. Bij beslissing van 14 juli 2011 heeft de bestuursrechter van dit gerecht beslist dat de beschikkingen van 1 juni 2011 worden geschorst en is de minister bevolen om eisers te behandelen overeenkomstig hetgeen in de oorspronkelijke autobusvergunningen is bepaald.

2.5 Met uitzondering van eiseres [eiser sub 5], hebben eisers van de Directie Openbaar Personen Vervoer (DOPV) een brief ontvangen, gedateerd 12 augustus 2011, waarin DOPV – kort gezegd – aankondigt dat de beslissing van het gerecht van 14 juli 2011 stipt zal worden nageleefd en dat dit meebrengt dat men zich, in tegenstelling tot voorheen, niet meer kan en mag bewegen op andere routes dan in de vergunningen is bepaald. Eisers [sub 4 en 2] is daarbij verstaan gegeven dat zij zich niet meer mogen begeven op de J.E. Irausquin Boulevard ter hoogte van het Westin Resort in zuidelijke richting naar Oranjestad en vise versa en eisers [sub 1 en 3] is meegedeeld dat zij zich niet meer mogen begeven op de zogenaamde hotel corridor vanaf het Mariott Hotel, via de J.E. Irausquin Boulevard in zuidelijke richting naar Oranjestad en vise versa. Verder is allen meegedeeld dat zij zich ook niet in de bushalte van Arubus in Oranjestad mogen begeven.

3. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 Eisers vorderen dat het gerecht bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,

- de in de aan eisers verleende autobusvergunningen opgenomen routes onverbindend verklaart, totdat in een rechtsgeding bij vonnis, beschikking en/of uitspraak in een bodemprocedure definitief over de zaak is beslist en kracht van gewijsde heeft gekregen en/of;

- het land te bevelen om binnen 1 uur, althans een andere redelijke korte termijn, na deze uitspraak, althans na betekening daarvan, te gedogen dat eisers voor het vervoer van personen tegen vergoeding, krachtens de aan hen verleende autobusvergunningen zich op de route gelegen tussen de L.G. Smith Boulevard, ter hoogte van het Mariott Hotel en verder tussen de J.E. Irausquin Boulevard tussen Palm Beach Plaza en voorlangs het Holiday Inn SunSpree Hotel tot aan de Divi Hotels te Tamarijn en verder via de L.G. Smith Boulevard ter hoogte van Punta Brabo tot aan de Weststraat ter hoogte van het centrale busstation mogen bevinden onder verbeurte van een dwangsom van Afl. 1.000,00 voor elke overtreding van het gegeven bevel, althans;

- het Land te verbieden om binnen 1 uur, althans een andere redelijke korte termijn, na deze uitspraak althans na betekening daarvan, eisers op grond van de aangewezen routes te beletten, te belemmeren en/of te beperken om personen tegen vergoeding krachtens de aan hen verleende autobusvergunningen op de route gelegen tussen de L.G. Smith Boulevard, ter hoogte van het Mariott Hotel en verder tussen de J.E. Irausquin Boulevard tussen Palm Beach Plaza en voorlangs het Holiday Inn SunSpree Hotel tot aan de Divi Hotels te Tamarijn en verder via de L.G. Smith Boulevard ter hoogte van Punta Brabo tot aan de Weststraat ter hoogte van het centrale busstation mogen bevinden onder verbeurte van een dwangsom van Afl. 1.000,00 voor elke overtreding van het gegeven verbod, althans;

- enige andere beslissing neemt;

- het Land veroordeelt in de proceskosten.

3.2 Het Land heeft geconcludeerd dat het gerecht eisers niet–ontvankelijk zal verklaren in de vorderingen, althans die vorderingen zal afwijzen, kosten rechtens, met veroordeling van eisers in de kosten van de procedure.

3.3 Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

4. DE BEOORDELING

4.1 Aan hun vorderingen leggen eisers ten grondslag dat het land jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter tot kennisneming van de vordering gegeven. Het Land heeft aangevoerd dat eisers met dit kort geding opkomen tegen de brief van 12 augustus 2011 en dat zij daartegen bezwaar hadden moeten maken. Hierin kan het land niet worden gevolgd. In de brief van 12 augustus geeft het Land immers slechts weer hoe zij zich zal opstellen naar aanleiding van de beslissing van het gerecht van 14 juli 2011. Dit is geen op een rechtsgevolg gericht besluit, zodat tegen die brief geen administratieve rechtsgang openstaat. Dit brengt mee dat eisers ontvankelijk zijn in hun vordering.

4.2 Eisers stellen voor hun inkomen afhankelijk te zijn van de route zoals genoemd in de vorderingen. Nu het land volgens hen tracht te beletten dat zij deze route rijden, waardoor hun omzet volgens hen sterk is verminderd, is daarmee het spoedeisend belang voldoende onderbouwd.

4.3 Eisers stellen dat het Land zich op het onjuiste standpunt stelt dat uit de beslissing van het gerecht van 14 juli 2011 volgt dat eisers zich – kort gezegd – niet meer op de kustwegen langs de hotels mogen begeven. Het Land baseert zich daarbij op de vergunningen van eisers die dit volgens het Land zouden uitsluiten, gelet op de daarin opgenomen routes. Aldus gaat het om de vraag of het Land aan de beslissing van 14 juli 2011 een uitleg heeft gegeven die onrechtmatig is jegens eisers. Voorop staat dat bij de uitleg van een rechterlijke beslissing in beginsel doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de bewoordingen van die beslissing. Voorts is uitgangspunt dat het dictum daarbij moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid. Gelet op die beoordelingsmaatstaf wordt het volgende overwogen.

4.4 Uit de overwegingen van de beslissing van 14 juli 2011 blijkt dat de inzet van de procedure waarin eisers verzochten om schorsing van de beschikkingen, was dat verzoekers hangende de bezwaarprocedure de route mogen blijven rijden tussen Oranjestad en Noord en terug, zoals zij gebruikelijk waren. In de overwegingen van de beslissing van 14 juli 2011 heeft het gerecht het algemeen uitgangspunt uiteengezet dat de indiener van een bezwaar aan het gerecht kan verzoeken om de bestreden beschikking te schorsen op grond dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang en voorts dat ter voorkoming van nadeel ook een voorlopige voorziening kan worden getroffen. Vervolgens overweegt het gerecht dat het van oordeel is dat verzoekers een spoedeisend belang hebben. ‘Zij hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voor hun inkomsten afhankelijk zijn van de litigieuze vergunningen’, aldus het gerecht. Na te hebben vastgesteld dat de routes in de vergunningen niet bij Landsbesluit houdende algemene maatregelen zijn vastgesteld, heeft het gerecht vervolgens de beschikkingen geschorst en heeft het de Minister bevolen om verzoekers te behandelen overeenkomstig hetgeen in de oorspronkelijke autobusvergunningen is bepaald.

4.5 Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat uit het dictum, met inachtneming van de overwegingen die daartoe hebben geleid, volgt dat het gerecht kennelijk van oordeel was dat verweerders hangende de bezwaarprocedure hun werk moeten kunnen blijven uitvoeren op de wijze en de routes zoals zij dat feitelijk deden vóórdat de beschikkingen werden genomen, waardoor hun bron van inkomsten hangende de bezwaarprocedure gewaarborgd zou blijven. Dit heeft voor het Land ook duidelijk kunnen en moeten zijn. Dat het gerecht geen herstelbeschikking heeft willen geven, maakt dit niet anders.

4.6 Het Land voert aan dat eisers krachtens de vergunningen toch niet langs de hotels mogen rijden. Eisers brengen daar tegenin dat dit niet uit de vergunningen blijkt en ook niet ergens anders uit (met uitzondering voor wat betreft eisers [eiser sub 2] en [eiser sub 4], bij wie uit de vergunningen wel blijkt dat zij zich niet mogen begeven op de weg tussen het Westin Hotel en het Alhambra Casino). Het Land heeft dit niet, althans onvoldoende weersproken. De enkele stelling dat ‘iedereen wel weet hoe de routes lopen’, of ‘dat dit voor iedereen altijd duidelijk is geweest’ is onvoldoende om te kunnen oordelen dat de route langs de hotels op basis van de vergunningen niet mag worden bereden, de in de vergunningen opgenomen routes (zie 2.1) zijn daarvoor te vaag en onbepaald. Dat medewerkers van de DOPV rapporten hebben opgemaakt van constateringen dat sommigen van de eisers zich in strijd met hun vergunningen op de J.E. Irausquin Boulevard bevonden en dat eisers daarbij te kennen zouden hebben gegeven ‘dat wel te weten, maar een kans te wagen’ (of woorden van gelijke strekking) doet daaraan niet af. Ook hieruit blijkt immers niet waarom eisers daar niet zouden mogen rijden en waarop is gebaseerd dat sprake zou zijn van een overtreding van een voorwaarde van de vergunningen. Het Land heeft nog aangevoerd dat de aanduiding van de routes is gebaseerd op de omstandigheid dat de bussen vroeger verschillende gehuchten (Noord, Palm Beach e.d.) moesten aandoen. Deze stelling miskent echter dat hier van gehuchten geen sprake meer is, ook niet ten tijde van het verstrekken van de onderhavige vergunningen (die allen dateren uit de periode van 23 november 2007 tot en met 23 augustus 2010), en dat er verschillende routes mogelijk zijn om van Oranjestad naar Noord te rijden. Hoewel evident is dat het Land een legitiem belang heeft het personenvervoer per bus (klein en groot) goed te reguleren om wantoestanden te voorkomen, wordt voorlopig geoordeeld dat niet blijkt dat het Land eisers kan weren van de route langs de hotels op basis van de vergunningen of de daarop weergegeven routes.

4.7 Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat het Land het dictum van de beslissing van 14 juli 2011 te beperkt heeft uitgelegd, terwijl dit voor het Land ook duidelijk had kunnen en moeten zijn. Eisers hebben aangevoerd dat zij door het optreden van het Land schade lijden en zij hebben dit onderbouwd door overlegging van door hen opgestelde overzichten van genoten inkomsten en gemaakte kosten. Hoewel het Land de juistheid van die overzichten heeft betwist, acht het gerecht op basis van deze overzichten in het kader van deze kort geding procedure voorlopig voldoende aannemelijk dat eisers door het handhavingsbeleid van na 12 augustus 2011 schade lijden. Dit betekent dat voorlopig wordt geoordeeld dat het Land door een te beperkte uitleg te geven aan de beslissing van 14 juli 2011 onrechtmatig handelt jegens eisers.

4.8 Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen, echter met inachtneming van het navolgende.

4.9 Eisers vorderen dat de in de aan hen verleende autobusvergunningen opgenomen routes onverbindend worden verklaard. Zij stellen daartoe dat in de beslissing van dit gerecht van 14 juli 2011 al is uitgemaakt dat die routeaanwijzingen wegens een vormfout niet rechtsgeldig zijn, nu ook voor deze routes geldt dat zij niet bij Landsbesluit houdende algemene maatregelen zijn vastgesteld. Eisers worden hierin niet gevolgd. Nog daargelaten dat het onverbindend verklaren van routes in de vergunningen een zuiver declaratoir vonnis zou opleveren, waarvoor in kort geding in beginsel geen ruimte is, staat immers vast dat eisers niet in bezwaar zijn gekomen tegen de aan hen verstrekte vergunningen, althans de daarin opgenomen routes. Met het verstrijken van de bezwaartermijn zijn de vergunningen en de daarin opgenomen routes aldus in rechte onherroepelijk geworden. Zij kunnen dan ook niet onverbindend worden verklaard. De vordering zal in zoverre dan ook worden afgewezen.

4.10 De vordering het land te bevelen om te gedogen dat eisers gebruik mogen maken van de route langs de hotels zal worden toegewezen zoals verzocht, met dien verstande dat de beperkingen zoals opgenomen in de vergunningen van [eiser sub 2] en [eiser sub 4] wel zullen blijven gelden en dat dit bevel slechts zal gelden voor de periode dat op het bezwaar tegen de beschikkingen nog niet is beslist, zoals volgt uit de beslissing van dit gerecht van 14 juli 2011. Het gerecht ziet aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen en te maximeren zoals hierna te vermelden.

4.11 Het Land zal, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van eisers begroot op: Afl. 2.203,00 (bestaande uit: Afl. 1.500,00 aan salaris gemachtigde, + Afl. 450,00 aan griffierecht en Afl. 253,00 aan exploitkosten).

5. DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht, recht doende in kort geding:

- beveelt het Land vanaf één dag na betekening van dit vonnis en voor de periode dat nog niet is beslist op het bezwaar tegen de ministeriële beschikkingen van 1 juni 2011, te gedogen dat eisers voor het vervoer van personen tegen vergoeding, krachtens de aan hen verleende autobusvergunningen zich bevinden op de route gelegen tussen de L.G. Smith Boulevard, ter hoogte van het Mariott Hotel en verder tussen de J.E. Irausquin Boulevard tussen Palm Beach Plaza en voorlangs het Holiday Inn SunSpree Hotel tot aan de Divi Hotels te Tamarijn en verder via de L.G. Smith Boulevard ter hoogte van Punta Brabo tot aan de Weststraat ter hoogte van het centrale busstation van Arubus, met dien verstande dat eisers [eiser sub 2] en [eiser sub 4] zich niet mogen bevinden op het gedeelte van de J.E. Irausquin Boulevard vanaf de kruising ter hoogte van het Alhambra Casino tot bij het Westin Resort (het voormalige Wyndham Hotel);

- veroordeelt het Land tot betaling aan eisers van een dwangsom van Afl. 500,00 voor elke overtreding van het hiervoor gegeven bevel, met een maximum van Afl. 200.000,00;

- veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van eisers begroot op: Afl. 2.203,00;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, rechter, en is (bij vervroeging) uitgesproken ter openbare terechtzitting op donderdag 22 september 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.