Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2011:BU6191

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
AR no 2674 van 2010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Wie is 'ontvanger' bij onverschuldigde betaling? Is er een plicht inzage te geven in de vermogenspositie? (475gRv-NI, 6:2 en 6:248 BW) Lijfsdwang?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 5 oktober 2011

Behorend bij AR no 2674 van 2010

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Het Land Aruba, zetelend in Aruba,

EISER, hierna ook te noemen: Aruba,

gemachtigde: de advocaat mr. M.G.M. Schwengle,

tegen:

1. de naamloze vennootschap Trias Resorts N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Aruba,

2. [gedaagde sub 2], wonende te Aruba,

GEDAAGDEN, hierna ook te noemen respectievelijk: Trias en [gedaagde sub 2],

gemachtigde: de advocaat mr. E.H.J. Martis.

1. DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 5 oktober 2010 ter griffie ingediende verzoekschrift, voorzien van bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord voorzien van een bewijsstuk;

- de akte uitlating productie;

- de griffiersaantekeningen van het pleidooi welk heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2011. Aruba heeft daarbij een aantal bewijsstukken in het geding gebracht en een akte wijziging eis genomen, welke op voorhand reeds werden toegezonden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten te bepleiten aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities. Vervolgens zijn zij over en weer in de gelegenheid gesteld op elkaar te reageren. Daarna is vonnis verzocht.

DE VASTSTAANDE FEITEN

1.1 Tussen partijen hebben in de jaren van 1991 tot en met 2005 een aantal gerechtelijke procedures plaatsgevonden, op grond waarvan Aruba in totaal Afl. 14.885.762,62 heeft betaald. Bij arrest van 16 januari 2007 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba de vorderingen van Trias en [gedaagde sub 2] integraal afgewezen. Bij arrest van 31 oktober 2008 heeft de Hoge Raad het door Trias en [gedaagde sub 2] ingestelde beroep in cassatie verworpen.

1.2 Aruba heeft Trias en [gedaagde sub 2] bij brief van 4 december 2009 gesommeerd de door Aruba verrichtte betalingen en de verschuldigde proceskosten uiterlijk op 14 december 2009 terug te betalen aan Aruba. Aan deze sommatie is niet voldaan.

2. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 Aruba vordert, na vermeerdering van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

- dat Trias en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van Afl. 14.885.762,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2007 over Afl. 14.711.791,09 tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2011 over Afl. 184.971,53 tot aan de voldoening;

- Trias en [gedaagde sub 2], indien het gerecht hen veroordeelt tot betaling aan Aruba van enig geldbedrag, te bevelen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis Aruba in te lichten waar de door Trias en [gedaagde sub 2] in het kader van de tussen partijen gevoerde procedures ontvangen gelden zich bevinden en, voor zover deze gelden zijn geconverteerd in waardepapieren, vorderingen, zaken en/of goederen, waar deze waardepapieren, zaken en/of goederen zich bevinden en ten name van wie, tevens Aruba in te lichten waar eventueel andere voor verhaal vatbare gelden, waardepapieren, vorderingen, zaken en/of goederen zich bevinden, zulks op straffe van een dwangsom van Afl. 50.000,00 voor iedere dag, een gedeelte daarvan tot een gehele dag gerekend, dat dit bevel of een onderdeel daarvan niet wordt nageleefd, tevens Aruba verlof te verlenen om naast de dwangsom het bevel ten uitvoer te doen leggen bij lijfsdwang, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie althans een andere beslissing te nemen;

- Trias en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de beslagkosten.

2.2 Trias erkent het gevorderde bedrag verschuldigd te zijn, maar verweert zich tegen de overige vorderingen (informatieverschaffing en proceskostenveroordeling). Trias voert daartoe – kort gezegd – aan dat een eventuele inlichtingenplicht slechts in de executiefase aan de orde is. Bovendien, zo voert Trias aan, is de vordering veel te ruim geformuleerd om te kunnen worden toegewezen.

2.3 [gedaagde sub 2] voert verweer, strekkende tot de niet-ontvankelijk verklaring van Aruba, dan wel afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Aruba in de proceskosten. [gedaagde sub 2] voert aan nooit enige betaling te hebben ontvangen, zodat van onverschuldigde betaling geen sprake is.

2.4 Op grondslagen en stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

3. DE BEOORDELING

3.1 Trias erkent het bedrag van Afl. 14.885.762,62 verschuldigd te zijn, zodat de vordering tot betaling daarvan zal worden toegewezen.

3.2 [gedaagde sub 2] betwist enig bedrag aan Aruba verschuldigd te zijn, omdat hij nooit enige betaling heeft ontvangen. Betalingen hebben steeds plaatsgevonden op de rekening van Trias en niet op een rekening van [gedaagde sub 2]. Voor zover de gevorderde schade-elementen betrekking hadden op [gedaagde sub 2] zijn die (in hoger beroep) afgewezen. [gedaagde sub 2] stelt verder persoonlijk nooit schade te hebben geleden en dus ook nooit recht te hebben gehad op betaling van enige schadevergoeding, zodat van onverschuldigde betaling geen sprake kan zijn. Hierover wordt als volgt overwogen.

3.3 Volgens artikel 6:203 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van dit bedrag, zo blijkt uit lid 2 van voornoemd artikel. De vraag die derhalve ter beoordeling voorligt is of ook [gedaagde sub 2] – naast Trias – als ontvanger van de door Aruba gedane betalingen moet worden aangemerkt. Daarbij is, gelet op het bepaalde in artikel 6:203 BW, niet relevant of [gedaagde sub 2] zelf door de betaling is verrijkt. Het verweer van [gedaagde sub 2] dat hij zelf nooit enig geldbedrag op zijn rekening heeft gekregen wordt om die reden gepasseerd. Ook aan de stelling dat in alle uitspraken steeds sprake is geweest van een misslag in de dicta doordat Trias en [gedaagde sub 2] steeds gezamenlijk zijn vermeld en dat [gedaagde sub 2] er min of meer met de haren is bijgesleept, zoals bij pleidooi is aangevoerd, wordt gepasseerd. Trias en [gedaagde sub 2] zijn in de hierboven genoemde procedures steeds gezamenlijk als eisers opgetrokken. Weliswaar werden de door hen ingestelde vorderingen in sommige procedures opgebouwd uit schadeposten waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen door Trias geleden schade en door [gedaagde sub 2] geleden schade, maar dit heeft er niet toe geleid dat voor ieder van hen afzonderlijk vorderingen werden ingesteld: de vorderingen werden steeds namens Trias en [gedaagde sub 2] gezamenlijk ingesteld. Ook het verweer van Trias en [gedaagde sub 2] dat geen onderscheid tussen hen werd gemaakt omdat het zou gaan om een vordering tot verwijzing naar een schadestaatprocedure, waarbij slechts hoefde te worden vastgesteld of aannemelijk is dat zij schade zouden hebben geleid, doet hieraan niet af. Niet alleen gaan zij hiermee eraan voorbij dat het slechts in één procedure ging om een vordering tot veroordeling van de schade nader op te maken bij staat, maar ook valt niet in te zien waarom Trias en [gedaagde sub 2] ook in dat geval niet afzonderlijk vorderingen zouden kunnen hebben instellen. Gesteld noch gebleken is verder dat Trias of [gedaagde sub 2] ooit een probleem ervan hebben gemaakt dat zij gezamenlijk in de dicta van de diverse uitspraken werden genoemd. Trias en [gedaagde sub 2] lieten zich in de verschillende procedures vertegenwoordigen door dezelfde raadsman, die meedeelde namens hen beiden op te treden en die ook namens hen gezamenlijk om betaling verzocht, zoals Aruba onbetwist heeft aangevoerd. De door Aruba verrichtte betalingen strekten aldus ook tot voldoening aan de veroordelingen tot betaling aan de beide schuldeisers en deze geschiedden ofwel op de derdenrekening van de raadsman van Trias en [gedaagde sub 2], ofwel op een rekening van Trias, kennelijk met instemming van [gedaagde sub 2]. De raadsman en Trias hebben de gelden aldus ook ontvangen ten behoeve van [gedaagde sub 2]. In onderling verband en samenhang bezien leiden al deze omstandigheden tot het oordeel dat niet alleen Trias, maar ook [gedaagde sub 2] moet worden aangemerkt als ontvanger in de zin van artikel 6:203 BW. Die bepaling brengt vervolgens mee dat [gedaagde sub 2] (mede) voor het geheel aansprakelijk is voor restitutie van de onverschuldigd verrichtte betalingen. De betalingsvordering zal daarom ook jegens [gedaagde sub 2] worden toegewezen, waarbij zal worden bepaald dat [gedaagde sub 2] en Trias daartoe hoofdelijk verbonden zijn. Aruba heeft tegenover zowel Trias als [gedaagde sub 2] recht op nakoming voor het geheel en nakoming door een van hen bevrijdt ook de ander (artikel 6:7 BW).

3.4 Ook de vordering tot voldoening van de rente zal (hoofdelijk) jegens Trias en [gedaagde sub 2] worden toegewezen, nu tegen die vordering geen afzonderlijk verweer is gevoerd.

3.5 De volgende vraag die ter beoordeling voorligt is of Trias en [gedaagde sub 2] gehouden zijn inzage te geven in hun vermogenspositie op de wijze zoals gevorderd. Voorop wordt gesteld dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hier te lande geen wettelijke bepaling kent die te vergelijken is met artikel 475g lid 1 van het Nederlandse Rv, waarin is bepaald dat een schuldenaar verplicht is aan een deurwaarder die gerechtigd is tegen hem beslag te leggen desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven. Aruba heeft zijn vordering echter gegrond op artikel 6 lid 2 BW en 6:248 BW.

3.6 In zijn arrest van 20 september 1991 (LJN ZC0338) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid, die de verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar beheersen, meebrengen dat een schuldenaar in beginsel verplicht is inlichtingen omtrent zijn inkomens en vermogenspositie en omtrent in zijn bezit zijnde en voor verhaal vatbare goederen te geven aan een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem heeft verkregen (zie ook: Gemeenschappelijk Hof van Justitie 20 mei 2011, LJN BQ8989). Trias en [gedaagde sub 2] hebben zich verweerd tegen de vordering door te stellen dat de informatieplicht eerst ontstaat op het moment dat een schuldeiser is veroordeeld tot betaling en dus in de excutoriale fase. Dit verweer slaagt voor zover het betrekking heeft op [gedaagde sub 2]. In voormeld arrest heeft de Hoge Raad immers overwogen dat een schuldenaar jegens een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, gehouden is inlichtingen omtrent zijn inkomens en vermogenspositie te verschaffen. [gedaagde sub 2] heeft betwist enig bedrag aan Aruba verschuldigd te zijn, zodat niet eerder dan met het onderhavige vonnis vaststaat dat hij als schuldenaar moet worden aangemerkt op grond waarvan hij gehouden is tot het verschaffen van inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie. [gedaagde sub 2] moet, gelet op het verstrekkende karakter van deze maatregel, eerst in de gelegenheid worden gesteld vrijwillig aan de verplichtingen die voortvloeien uit het onderhavige vonnis te voldoen. De vordering tot het verstrekken van inlichtingen zal dan ook worden afgewezen voor zover die betrekking heeft op [gedaagde sub 2].

3.7 Dat ligt echter anders in het geval van Trias. Naar het oordeel van het gerecht bestaat er geen bezwaar tegen om in dezelfde uitspraak waarbij een schuldenaar tot betaling wordt veroordeeld op vordering van de schuldeiser ook een verplichting tot het verstrekken van informatie op te leggen indien het een schuldenaar betreft die zoals Trias (en anders dan [gedaagde sub 2]) de vordering heeft erkend, maar die niet vrijwillig aan zijn betalingsverplichting voldoet. In een dergelijk geval valt niet in te zien waarom eerst een executoriale betalingsveroordeling zou moeten worden verkregen om daarna in een afzonderlijke procedure een bevel te verkrijgen tot het geven van informatie. De proceseconomie is daarmee niet gediend. De vordering tot het verschaffen van informatie komt daarom voor wat Trias betreft in beginsel voor toewijzing in aanmerking.

3.8 Aruba vordert te bevelen dat Trias inlichtingen moet verschaffen over waar de door Aruba uitgekeerde gelden zich bevinden en daarnaast – kort gezegd – over waar zich vermogensbestanddelen bevinden. Trias heeft hiertegen aangevoerd dat toewijzing van deze vordering erop neer zou komen dat Trias rekening en verantwoording moet afleggen met betrekking tot haar financiële handel en wandel en dat een crediteur die een vergaande opening van financiële zaken wenst het faillissement van de debiteur moet aanvragen. Aruba heeft echter niet verzocht de gevraagde inlichtingen te onderbouwen met allerlei verificatoire bescheiden of door overhandiging van haar boekhouding en/of jaarstukken. Van het doen van rekening en verantwoording is dan ook geen sprake. Gelet op de omstandigheid dat na uitwinning van de reeds gelegde beslagen nog een vordering zal resteren van circa Afl. 12.000.000,00, zoals Aruba onweersproken heeft aangevoerd, en gelet op de getoonde betalingsonwil van Trias, heeft Aruba belang bij toewijzing van de vordering. Bij pleidooi heeft Trias aangegeven dat zij niet kan betalen omdat al het geld inmiddels is opgegaan aan het project dat ten grondslag ligt aan de gevoerde juridische procedures en aan de kosten die zij in het kader van die procedures heeft moeten maken. Gelet hierop heeft Aruba eveneens belang erbij dat Trias inzage geeft in de overige verhaalsmogelijkheden. Dit leidt ertoe dat de vordering ten aanzien van Trias zal worden toegewezen zoals verzocht.

3.9 Tegen de gevorderde dwangsom is geen verweer gevoerd. Het gerecht zal die echter ambtshalve beperken en maximeren als na te melden. De vordering tot uitvoerbaar verklaring bij lijfdwang zal worden afgewezen. Gelet op het persoonlijke karakter ervan kan lijfsdwang slechts op natuurlijke personen worden toegepast en niet op rechtspersonen.

3.10 Trias en [gedaagde sub 2] zullen, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Aruba begroot op:

Procedurekosten

4. DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht, recht doende:

- veroordeelt Trias en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling aan Aruba van Afl. 14.885.762,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2007 over Afl. 14.711.791,09 tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2011 over Afl. 184.971,53 tot aan de voldoening;

- beveelt Trias binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis Aruba in te lichten over waar de door Trias in het kader van de tussen partijen gevoerde procedures ontvangen gelden zich bevinden en, voor zover deze gelden zijn geconverteerd in waardepapieren, vorderingen, zaken en/of goederen, waar deze zich bevinden en ten name van wie, en tevens Aruba in te lichten over waar eventueel andere voor verhaal vatbare gelden, waardepapieren, vorderingen, zaken en/of goederen zich bevinden, zulks op straffe van een dwangsom van Afl. 5.000,00 voor iedere dag, een gedeelte daarvan tot een gehele dag gerekend, tot een maximum van Afl. 200.000,00;

- veroordeelt Trias en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Aruba tot op heden begroot op: Afl. 34.426,65;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 5 oktober 2011 in aanwezigheid van de griffier.