Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2010:BL0921

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
K.G. no 3857/2009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. De vraag is of de directeur met het onbetwiste vennootschappelijke ontslag tevens arbeidsrechtelijk ontslag heeft gekregen. Uit wetsgeschiedenis blijkt dat wettelijke bepalingen ertoe strekken dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. De rechter oordeelt dat niet is voldaan aan een van de twee uitzonderingen ' wettelijk ontslagverbod' of 'anders overeengekomen'. De rechter wijst de vordering af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 20 januari 2010.

Kort Geding no. 3857 van 2009.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in het KORT GEDING tussen:

[eiseres],

woonachtig te Aruba,

EISERES, verder ook te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen

de naamloze vennootschap

ARUBA HOTEL ENTERPRISES N.V.,

gevestigd in Aruba,

GEDAAGDE, verder ook te noemen: AHE,

gemachtigde: mr. J.L. Peterson.

1. DE PROCEDURE:

Het verloop van de procedure blijkt uit het op 6 januari 2010 gewezen tussenvonnis. Partijen hebben hierop gelijktijdig ter rolzitting van 13 januari 2010 een akte genomen. Vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. FEITEN, DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 Voor de vaststaande feiten, de vordering en de standpunten van partijen wordt vooraleerst verwezen naar het tussen vonnis van 6 januari 2010. De in de aktes van 13 januari 2010 nader door partijen ingenomen standpunten zullen, voor zover hier van belang, onderstaand wordt weergeven.

3. NADERE OVERWEGINGEN

3.1 In het arrest van 15 april 2005 is sprake van het ontslag van de statutair directeur door een besluit van de Algemene vergadering van aandeelhouders, waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen het vennootschappelijk en het arbeidsrechtelijk ontslag. De in dit arrest te beantwoorden vraag is of de directeur hiermee naast het onbetwiste vennootschappelijke ontslag tevens arbeidsrechtelijk ontslag heeft gekregen. De Hoge Raad overweegt op dit punt:

“3.4.2 Wanneer een natuurlijke persoon die als bestuurder van de naamloze of besloten vennootschap is benoemd en - zoals veelal het geval is en ook hier is aangenomen - krachtens arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden verricht, bij een geldig besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap als bestuurder ontslag is verleend, verliest hij ingevolge art. 2:134 lid 1 BW onderscheidenlijk art. 2:244 lid 1 BW de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap en kan hij geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer uitoefenen, maar behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. Het antwoord op de vraag welke gevolgen het ontslagbesluit heeft voor de arbeidsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschap, moet worden gegeven aan de hand van het bepaalde in de arbeidsovereenkomst en in de op arbeidsovereenkomsten toepasselijke wetsbepalingen, voor zover Boek 2 BW deze wetsbepalingen niet uitdrukkelijk terzijde stelt (zie: HR 13 november 1992, nr. 151146, NJ 1993, 265).

3.4.3 Naar mede blijkt uit de wetsgeschiedenis van (de voorloper van) de art. 2:134 en 2:244 BW (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4 en 2.5), strekken deze bepalingen ertoe te bewerkstellingen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Daarom heeft te gelden dat een ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat (vgl. HR 17 november 1995, rek. nr. 8746, NJ 1996, 142) of indien partijen anders zijn overeengekomen.”

3.2 Uit voorgaand citaat kan naar het oordeel van de rechter in kort geding worden afgeleid dat ook in de onderhavige zaak de arbeidsovereenkomst is beëindigd met het tweede schrijven van 13 november 2010. Eiseres vordert te worden toegelaten tot haar reguliere werkzaamheden, doch met het ontslag als statutair directeur heeft zij niet langer de bevoegdheden om haar reguliere werkzaamheden te vervullen. Dit deel van de vordering is reeds hierom niet toewijsbaar.

3.3 Doorbetaling van loon, het tweede deel van haar vordering, is slechts mogelijk als moet worden vastgesteld dat het ontslag nietig is. Deze vaststelling stuit echter af op 111 Wetboek van Koophandel, welk artikel in die zin prevaleert boven de regels van het Arubaanse arbeidsrecht dat de eigenaar van een vennootschap het recht heeft op grond van haar eigen normen te bepalen wie aan die vennootschap leiding geeft. Het ontslag zelf zal derhalve niet ongedaan kunnen worden gemaakt. Dit laat onverlet dat eiseres een schadevergoeding kan eisen in procedure op grond van kennelijk onredelijk ontslag, waarbij vol ter beoordeling kan voorliggen de vraag of er sprake was van een dringende reden voor het ontslag. Ook de mogelijkheid om in kort geding een voorschot op deze schadevergoeding te eisen staat voor eiseres open. Zij zal echter niet in dienst kunnen blijven van gedaagde; het in 111 WvK neergelegde recht van de eigenaren van een vennootschap om zelf te bepalen wie aan de vennootschap leiding geeft, prevaleert.

3.4 De omstandigheid dat in Nederland (en niet in Aruba) op grond van het Nederlandse artikel 2, lid 2, van de BBA een uitzondering is gemaakt op het ontslagverbod voor bestuurders van een vennootschap, doet aan het voorgaande niet af.

Ten overvloede kan hier nog worden opgemerkt dat ten aanzien van het in de onderhavige zaak gegeven ontslag op staande voet de wetgeving binnen het Koninkrijk niet divergeert.

3.5 De rechter in kort geding houdt voorts vast aan zijn oordeel dat niet is voldaan aan één van de twee uitzonderingen (‘wettelijk ontslagverbod’ of ‘anders overeengekomen’, bovenstaand door de Hoge Raad genoemd) op de regel. Van een opzeggingsverbod als bedoeld in artikel 1615h BW (hetgeen aan de orde is in onder meer het arrest van de HR van 17 november 1995 (NJ 1996/142)) is geen sprake. Als gesteld, noch betwist kan worden vastgesteld dat partijen op dit onderdeel niet anders zijn overeengekomen.

3.6 De vordering zal derhalve worden afgewezen. Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten voor deze procedure, aan de zijde van gedaagde begroot op Afl. 1500,- aan gemachtigdensalaris.

4. DE UITSPRAAK:

De rechter in dit gerecht, recht doende in kort geding:

4.1 wijst de vordering af;

4.2 veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, aan de zijde van gedaagde begroot op Afl. 1500,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Recourt, rechter in dit gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 20 januari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.