Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGANA:2010:BR6144

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
GAZ 2010/44958
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft schorsingsbesluit van Hoofd Veiligheidsdienst. Verzoeker vordert o.a. schorsing van het schorsingsbesluit van 27 oktober 2010. Vordering wordt toegewezen. Het Gerecht schorst eveneens het besluit van verweerder waarbij een interim Hoofd Veiligheidsdienst wordt benoemd. Verweerder was hiertoe niet bevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: GAZ 2010/44958 (voorlopige voorziening)

Uitspraak: 23 november 2010

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN

zittingsplaats Curaçao

Beslissing bij voorraad in het geschil tussen:

[verzoeker],

wonende in Curaçao,

v e r z o e k e r,

hierna ook aan te duiden als: [verzoeker],

gemachtigde: mr. M.M. Bloem

en

1. De Minister President, tevens Minister van Algemene Zaken van Curaçao

verweerder

2. De Gouverneur van Curaçao,

verweerder sub 2,

3. De Minister van Justitie van Curaçao

verweerder sub 3,

gemachtigden: mrs. M.A. Schneider en E.R. de Vries.

1. het procesverloop.

[verzoeker] heeft op 4 november 2010 een verzoekschrift voorlopige voorzieningen met producties ingediend.

Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzittingen van 18 november 2010 en 22 november 2010, alwaar [verzoeker] in persoon is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Ter zitting van 18 november 2010 is van de zijde van verweerder tevens verschenen mevrouw S. van Rijn.

De gemachtigden hebben pleitnotities voorgedragen. Daarbij hebben zij de door hen op voorhand toegezonden producties nader toegelicht.

Na verder debat is de uitspraak bepaald op heden.

2. de vorderingen.

Bij besluit van 27 oktober 2010 heeft verweerder [verzoeker] medegedeeld dat hij hem niet meer kan handhaven als gewezen hoofd van de Veiligheidsdienst Nederlandse Antillen en heeft hij hem de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen en het werk ontzegd. Tevens heeft hij verzoeker medegedeeld dat hij en de Minister van Justitie verzoeker niet zullen voordragen voor de functie van Hoofd Veiligheidsdienst Curaçao.

[verzoeker] is bij bezwaarschrift van 22 november 2010 tegen dit besluit opgekomen.

Thans verzoekt [verzoeker] te bepalen dat bij wijze van voorlopige voorziening, hangende de beslissing in de bodemprocedure:

- de benoeming van het interim Hoofd Veiligheidsdienst ongeldig te verklaren;

- de toegangsontzegging zoals vervat in het besluit van de Minister van 27 oktober 2010 op te schorten;

- het aan verweerder wordt verboden over te gaan tot benoeming van een andere kandidaat in genoemde functie van Hoofd Veiligheidsdienst;

- verweerders zich dienen te wenden tot de commissie zoals bedoeld in de Landsverordening Veiligheidsdienst Curaçao (LVC) en dat die commissie dient te worden gehoord en zich dient uit te laten over een beëindiging van de werkzaamheden van [verzoeker] en/of andere ordemaatregelen tegen [verzoeker];

- te bepalen dat verweerder zich dient te onthouden van elke wervingshandeling tot benoeming van een kandidaat in de functie Hoofd Veiligheidsdienst totdat onherroepelijk in bezwaar/beroep is beslist en/of totdat de commissie zoals bedoeld in de LVC is gehoord;

- te bepalen dat verweerders elk (voorgenomen) besluit tot beëindiging van de werkzaamheden van [verzoeker] danwel [verzoeker] in een andere functie te plaatsen opschorten.

3. de feiten.

[verzoeker] is met ingang van 1 juli 2006 benoemd als Hoofd Veiligheidsdienst Nederlandse Antillen.

Op 29 september 2010 heeft de Waarnemend Gouverneur van de Nederlandse Antillen, in het kader van het Landsbesluit van 10 februari 2010 betreffende de richtlijnen die worden gehanteerd bij de benoeming van ministers en staatssecretarissen, de Procureur-Generaal en verzoeker verzocht een antecedentenonderzoek, mede omvattende een veiligheidsonderzoek, in te stellen naar de kandidaat-ministers van het nieuwe land Curaçao.

Bij brief van 4 oktober 2010 heeft verzoeker de partijleiders van de MFK, PS en de MAN geïnformeerd over het verzoek van de Gouverneur tot het instellen van een veiligheidsonderzoek naar de kandidaat-ministers. Voorts heeft op 4 oktober 2010 een gesprek plaatsgehad tussen verzoeker en voornoemde partijleiders, waaronder verweerder, waarin verzoeker nogmaals de procedure van het veiligheidsonderzoek heeft uitgelegd. Hij heeft daarbij tevens aangegeven dat de kandidaat-ministers een “Staat van Inlichtingen” dienden te overleggen.

Bij brief van 4 oktober 2010 heeft verzoeker de Procureur-Generaal bericht dat hij nog niet beschikte over een curriculum vitae en inlichtingenstaat van de kandidaat-ministers en dat de veiligheidsonderzoeken tenminste drie weken in beslag zullen nemen en derhalve niet voor 10 oktober 2010 klaar zijn.

Op 10 oktober 2010 is het Land Nederlandse Antillen opgeheven en heeft Curaçao de status van land binnen het Koninkrijk verkregen. Op die dag is tevens de huidige regering aangetreden. Verzoeker heeft zijn werkzaamheden voortgezet als fungerend Hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao.

Bij brief van 26 oktober 2010 heeft de Gouverneur aan verzoeker bericht dat hij op 7 oktober 2010 een gesprek met verweerder heeft gehad en dat in dat gesprek is geconstateerd dat de Veiligheidsdienst wegens tijdgebrek niet in staat is geweest een volledige screening uit te voeren naar alle kandidaat-bewindslieden en dat verzoeker dat ook had aangegeven aan de politieke leiders van de drie politieke partijen die de regeringscoalitie vormen en daarbij had aangegeven voort te zullen gaan met het feitenonderzoek. De Gouverneur benadrukt in zijn brief voorts dat hij er sterk aan hecht dat de screeningsprocedure doorgang vindt en dat hij zijn mondeling gedane verzoek, om het feitenonderzoek, zo nodig op basis van artikel 43 tweede lid van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, zo spoedig mogelijk af te ronden, bevestigt.

In een gesprek op 27 oktober 2010 heeft verweerder aan verzoeker de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen en het werk ontzegd. Bij schrijven van 27 oktober 2010, uitgereikt aan verzoeker op 28 oktober 2010, heeft hij dit besluit op schrift gesteld en daarbij tevens aan verzoeker medegedeeld dat hij hem niet meer kan handhaven als gewezen hoofd van de Veiligheidsdienst Nederlandse Antillen. Voorts heeft hij hem medegedeeld dat hij en zijn collega van Justitie verzoeker niet zullen voordragen voor de functie van Hoofd Veiligheidsdienst Curaçao.

Op 28 oktober 2010 is [xxx] door verweerder aangesteld als interim Hoofd Veiligheidsdienst Curaçao.

4. de beoordeling.

Ingevolge artikel 35 van de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAR) kan, voor zover van belang, bezwaar worden gemaakt tegen een beschikking of handeling van een bestuursorgaan. In dit geval ligt geen besluit of handeling voor van verweerders sub 2 en sub 3. Verzoeker is derhalve in zijn vorderingen tegen de Gouverneur en de Minister van Justitie niet-ontvankelijk.

Ingevolge artikel 94 van de RAR kan een beslissing bij voorraad worden gegeven in gevallen waarin ter voorkoming van (onherstelbaar) nadeel van de ambte¬naar een onverwijlde voorziening wenselijk is. Daarbij kan mede de vraag in beeld komen of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen beschikking niet in stand zal blijven, met dien verstande dat voor zover in deze procedure een oordeel met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, dit oordeel een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak in de hoofdzaak.

[verzoeker] vordert hangende een beslissing op het door hem reeds ingediende verzoek in de bodemprocedure in de eerste plaats schorsing van het besluit van 27 oktober 2010. Hij stelt dat met het besluit een wezenlijke wijziging in zijn rechtspositie wordt genomen en dat tevens reeds een procedure in gang zou zijn gezet tot benoeming van een ander dan [verzoeker] in de functie van Hoofd Veiligheidsdienst Curaçao. Voorts heeft verweerder aangegeven dat hij verzoeker niet zal voordragen voor de functie van Hoofd Veiligheidsdienst Curaçao. Gelet op het voorgaande wordt door het onderhavige besluit de weg terug van [verzoeker] naar zijn functie als Hoofd Veiligheidsdienst feitelijk afgesneden. Aan de minimumvoorwaarde voor het treffen van een voorlopige voorziening is derhalve voldaan. Het Gerecht zal in het licht van het vorenstaande onderzoeken of de omstandigheden van dit geval de toewijzing van de verzochte voorzieningen kunnen rechtvaardigen.

Ingevolge artikel 46 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht Curaçao (LMAC) kan de ambtenaar door of namens de betrokken Minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.

Ingevolge artikel 88 van de LMAC kan de ambtenaar door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt -voor zover hier van belang- in het geval waarin schorsing naar het oordeel van het bevoegde gezag wordt gevorderd door het belang van de dienst.

Ingevolge artikel 2, derde lid van de Landverordening Veiligheidsdienst Curaçao (LVC) wordt het hoofd van de Veiligheidsdienst op gemeenschappelijke voordracht van de ministers van Algemene Zaken en Justitie, gehoord de commissie van toezicht als bedoeld in artikel 22 eerste lid, benoemd geschorst en ontslagen.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het bestreden besluit genomen is door de Minister President in zijn hoedanigheid als Minister van Algemene Zaken. Het Gerecht gaat uit van deze aanname.

Het Gerecht is van oordeel dat het besluit van 27 oktober 2010 qua aard en inhoud tevens neerkomt op een besluit [verzoeker] te schorsen. Het Gerecht wijst er hierbij op dat verweerder [verzoeker] heeft medegedeeld dat hij niet in zijn functie kan worden gehandhaafd alsmede op de omstandigheid dat verweerder direct na het onderhavige besluit een interim Hoofd heeft aangesteld. Gelet op artikel 2 LVC was verweerder hiertoe niet bevoegd en kan het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van het Gerecht reeds hierom geen stand houden.

Ten aanzien van de inhoud van het besluit overweegt het Gerecht het navolgende. De toegangsontzegging en schorsing betreffen de bevoegdheid van het bestuur ordemaatregelen te treffen. Gezien het karakter van het onderhavige besluit past de rechter hier een terughoudende toetsing in die zin, dat indien geoordeeld moet worden dat het besluit op een toereikende feitelijke grondslag berust, er voor ingrijpen slechts plaats is indien het bestuursorgaan in redelijkheid niet tot de toegangsontzegging en/of schorsing heeft kunnen besluiten.

Het bestreden besluit is onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat verzoeker verweerder ten onrechte niet zou hebben gewezen op het bestaan van het landsbesluit van 10 februari 2010. Daargelaten de omstandigheid dat het niet in de eerste plaats de taak is van verzoeker om verweerder hierop te wijzen is uit de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende komen vast te staan dat verweerder voor zijn aantreden van dit besluit op de hoogte was.

Voorts wordt verzoeker verweten dat hij in het verslag dat is opgemaakt naar aanleiding van de bijeenkomst van 4 oktober 2010 niet heeft opgenomen dat de screening niet heeft plaatsgevonden vanwege tijdsgebrek. Het Gerecht vermag echter niet in te zien waarom deze omstandigheid afbreuk doet aan de integriteit van verzoeker. Uit de overige stukken in het dossier komt duidelijk naar voren dat verzoeker zowel de Gouverneur als verweerder hiervan op de hoogte heeft gebracht.

Ook wordt verzoeker verweten dat hij verweerder er niet van op de hoogte heeft gebracht dat de Gouverneur hem heeft verzocht het feitenonderzoek voort te zetten. Naar het oordeel van het Gerecht doet dit evenmin afbreuk aan de integriteit van eiser. Verweerder was reeds voor zijn aantreden op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat er een feitenonderzoek zou plaatsvinden. Dit onderzoek vond plaats in opdracht van de Gouverneur. Op geen enkele wijze is gebleken dat verzoeker hierover onjuiste mededelingen heeft gedaan.

De stelling dat verzoeker in het kader van screening van kandidaat-ministers onbevoegd zou zijn een veiligheids- danwel feitenonderzoek te verrichten ligt, wat hier verder ook van zij, naar het oordeel van het Gerecht niet als zodanig ten grondslag aan het bestreden besluit. Voorts is het Gerecht van oordeel dat indien verweerder zich niet kan vinden in de wijze van screening van kandidaat-ministers zoals deze tot op heden wordt uitgevoerd hij dit duidelijk kenbaar had moeten maken aan de Gouverneur en verzoeker.

Tenslotte wordt verzoeker verweten dat hij in gebreke is gebleken informatie te verstrekken. Hierbij wordt gewezen op informatie die zou zijn vergaard voor het aantreden van verweerder en informatie betreffende twee personeelsacties die zich zouden hebben voorgedaan op 27 oktober 2010.

Ten aanzien van de verzochte informatie die zou zijn vergaard voor het aantreden van verweerder heeft verzoeker gesteld dat hij verweerder ervan op de hoogte heeft gebracht dat dit een onderzoek betreft van de Procureur-Generaal en dat zijn dienst niet over de resultaten van dat onderzoek beschikt. Deze stelling is door verweerder niet weerlegd.

Ten aanzien van de personeelsacties heeft verzoeker aangegeven dat een van de acties heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2010 dus nadat hij al uit zijn functie was ontheven en voorts dat hij zowel verweerder als de politie op de hoogte heeft gebracht van de actie op 27 oktober 2010 conform de afspraken die hij ten aanzien van zulke acties had gemaakt met de voorganger van verweerder. Ook hier vermag het Gerecht niet in te zien dat verzoeker onjuist zou hebben gehandeld. Het Gerecht neemt hierbij in aanmerking dat verweerder nog maar kort was aangetreden en dat het mede aan hem is om met verzoeker duidelijke werkafspraken te maken met betrekking tot onder ander de informatieverstrekking. Dat verzoeker de tot die tijd gangbare werkwijze heeft gevolgd kan hem niet verweten worden.

Voor zover het oordeel dat [verzoeker] ongeschikt is om zijn functie nog langer uit te oefenen op de in het besluit aangedragen gronden is gebaseerd, moet derhalve worden geoordeeld dat die het besluit niet kunnen dragen. Het Gerecht is vooralsnog van oordeel, dat [verzoeker] is geschorst en hem de toegang tot de gebouwen en het werk is ontzegd zonder dat er op dat moment sprake was van concrete aanwijzingen dat hij zich schuldig had gemaakt aan gedragingen die plichtsverzuim opleveren.

Op grond van al het vorenstaande bestaat naar het voorlopig oordeel van het Gerecht een gerede kans dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden en zal het gelet hierop worden geschorst totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist.

Het besluit tot benoeming van [xxx] als interim Hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao treft een zelfde lot. Daargelaten de vraag of verweerder gelet op artikel 2 van de LVC bevoegd was op deze wijze over te gaan tot aanstelling van het interim Hoofd volgt uit de onrechtmatigheid van het schorsingsbesluit tevens de onrechtmatigheid van de benoeming van een interim Hoofd. Gelet hierop zal ook dit besluit worden geschorst totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist. De enkele omstandigheid dat verzoeker tot op heden formeel nog geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen dat besluit doet hier niet aan af nu dat geen vereiste is voor het treffen van een voorlopige voorziening, de beroepstermijn nog niet is verstreken en de gemachtigde van verzoeker ter zitting heeft aangekondigd een bezwaarschrift in te zullen dienen.

Voor zover de verzochte voorzieningen zich richten tegen de mededeling van verweerder dat hij verzoeker niet zal voordragen voor de functie van Hoofd Veiligheidsdienst Curaçao is het Gerecht van oordeel dat deze mededeling niet kan worden aangemerkt als een beschikking of een handeling als bedoeld in artikel 35 van de RAR. Ditzelfde heeft te gelden voor zover de verzochte voorzieningen zich richten tegen mogelijke toekomstige handelingen en/of besluiten van verweerder. Ten overvloede overweegt het Gerecht in dit verband echter wel dat verzoeker -in tegenstelling tot wat verweerder hierover heeft gesteld- als fungerend Hoofd Veiligheidsdienst Curaçao wel degelijk belang heeft bij de benoeming van het Hoofd Veiligheidsdienst Curaçao en dat bij die procedure de regels van het Sociaal Statuut Land Curaçao in acht genomen dienen te worden.

In de uitkomst van deze procedure ziet het Gerecht aanleiding te bepalen dat verweerder [verzoeker] ten laste van de landskas een ver¬goe¬ding dient te betalen als bijdrage in zijn kosten van juridische bijstand. Deze vergoeding bepaalt het Gerecht op 2 punten à NAF. 700,-, zulks naar analogie van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. de beslissing.

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek gericht tegen verweerder sub 2 en sub 3;

- schorst het besluit van verweerder van 27 oktober 2010 totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist;

- schorst het besluit van verweerder waarbij [xxx] is benoemd tot interim Hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist;

- bepaalt dat verweerder ten laste van de landskas aan [verzoeker] een bedrag van NAF. 1.400,-- dient te betalen als bijdrage in zijn kosten van juridische bijstand.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.T. Paulides, rechter in ambtenarenzaken en uitgesproken op 23 november 2010 in aanwezigheid van de griffier.

<small>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open op de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (zie artikel 94 van de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951).</small>