Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2021:75

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
23-08-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
AUA202003011
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevordering - Het gerecht overweegt dat de wettelijke bevorderingseisen cumulatief zijn. Voldoet een politieambtenaar niet aan alle vereisten dan komt hij niet in aanmerking voor een bevordering. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat klager niet in een Hoofdgroep IV functie is geplaatst. Klager voldoet derhalve niet aan de bevorderingsvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 23 augustus 2021

Gaza nr. AUA202003011

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. F.B. Ras,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 29 oktober 2020 (de bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek van klager om naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse (schaal P09) te worden bevorderd, afgewezen.

Hiertegen heeft klager op 26 november 2020 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting van 10 mei 2021, alwaar zijn verschenen klager bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De standpunten van partijen

1.1

Klager kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn verzoek om bevordering naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse (schaal P09), en heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestreden beschikking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheids-, zorgvuldigheids-, gelijkheids- en het fair play-beginsel. Ter onderbouwing hiervan heeft hij - kort samengevat - aangevoerd dat hij laatstelijk met ingang van 1 januari 2011 naar de rang van onderinspecteur werd bevorderd, dat hij in 2013 de Kaderopleiding (KO) heeft afgerond, en dat hij vanaf 2017 feitelijk de functie van Coördinator Unit Examen Rijbewijzen heeft uitgeoefend, welke functie een hoofdgroep IV functie is, zodat hij voldoet aan alle bevorderingseisen. Klager heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij een van de weinigen is, die na de invoering van het inrichtingsplan KPA nog niet officieel is geplaatst in een functie in hoofdgroep IV noch is bevorderd naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse. Klager voelt zich gediscrimineerd vanwege zijn leeftijd en niet gewaardeerd na zijn lange loopbaan van 39 jaren bij het Korps Politie Aruba (KPA). Hij verzoekt het gerecht om de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat hij wordt bevorderd tot de rang van onderinspecteur 1ste klasse.

1.2

Verweerder heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de bestreden beschikking op goede gronden is genomen, nu klager niet aan alle vereisten voldoet om bevorderd te worden naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse. Klager heeft weliswaar de KO-opleiding behaald, maar is niet geplaatst in een functie in hoofdgroep IV.

Het geschil

2. In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden het verzoek van klager, om naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse te worden bevorderd, heeft afgewezen. Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking.

De feiten

3.1

Klager is vanaf 1 oktober 1980 als politieambtenaar werkzaam bij het KPA, en is laatstelijk bij Landsbesluit van 14 maart 2012 no. 50, met ingang van 1 januari 2011 bevorderd naar c.q. benoemd in de rang van onderinspecteur (schaal P08).

3.2

Klager heeft in het jaar 2013 het examen voor de Kaderopleiding met goed gevolg afgerond.

3.3

Bij brief van 8 juni 2015 heeft klager gesolliciteerd naar de functie van Coördinator Unit Examen Rijbewijzen (UER). Bij brief van 12 juni 2018 heeft hij verzocht om een bevordering naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse.

3.4

De korpschef heeft bij brief van 26 juni 2018 geadviseerd op het bevorderingsverzoek van klager. In dit advies staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“ (…) Conform het door de ministerraad goedgekeurde formatierapport d.d. 1 september 2016 van het KPA (…) is de functie van Coördinator UER vacant. Deze functie wordt sinds (…) 1 september 2014 waargenomen door de onderinspecteur [naam X]. Deze functie is gewaardeerd op het niveau van onderinspecteur/onderinspecteur 1ste klasse. (…) Alhoewel [klager] vanwege zijn anciënniteit sinds 15 augustus 2017 vanwege de langdurige arbeidsongeschikt van [naam X] deze functie verricht, betekent dit niet dat hij automatisch het recht heeft om bevorderd te worden tot onderinspecteur eerste klasse. Deze functie zal (…) worden opengesteld via een door mij korps breed uitgevaardigde Korpsmededeling waarop alle korpsleden die hiervoor in aanmerking komen kunnen solliciteren. Indien dhr. [klager] aan de eisen genoemd in de Korpsmededeling voldoet, wordt hem ook de mogelijkheid geboden om op deze functie te solliciteren (…). Tot slot dien ik u te informeren dat onderinspecteur [klager] op dit moment niet volledig aan de eisen voldoet om tot onderinspecteur 1ste klasse te worden bevorderd. (…).”

3.5

Bij schrijven van 17 april 2018 heeft het Departamento di Recurso Humano (DRH) de minister van Justitie geadviseerd om klager niet te bevorderen naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse, aangezien hij niet is geplaatst in de functie van coördinator UER.

3.6

Bij brief van 18 november 2019 heeft klager samen met drie andere collega’s de minister verzocht om hen, mede gelet op hun aantal dienstjaren en omdat zij de enige onderinspecteurs zijn die niet zijn bevorderd, te bevorderen naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse.

3.7

De korpschef heeft bij brief van 6 januari 2020 – kort gezegd – wederom negatief geadviseerd op het bevorderingsverzoek van klager. In dit advies staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“ (…) Betrokkenen hebben inderdaad de KO-opleiding afgerond, maar konden vanwege verschillende redenen niet in een functie in de hoofdgroep IV worden geplaatst (…). In verband hiermee hebben betrokkenen (…) verzocht om hen alsnog tot onderinspecteur 1ste klasse te benoemen. Dit op basis van artikel 75 lid 2 sub c van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (…). In dit geval heeft de bevordering de vorm van een prestatiebeloning en hoeft de ambtenaar niet aan de eisen te voldoen. (…) In verband met [het voorkomen van] precedent scheppende gevolgen (…) adviseer ik u negatief op het verzoek van betrokkenen. (…).”

3.8

Bij schrijven van 28 augustus 2020 heeft het DRH wederom geadviseerd om klager niet te bevorderen, nu hij niet is geplaatst in een hoofdgroep IV functie. Ten aanzien van een bevordering met toepassing van artikel 75 Lma wordt eveneens negatief geadviseerd vanwege de precedent scheppende gevolgen.

3.9

Bij bestreden beschikking van 29 oktober 2020 heeft verweerder het bevorderingsverzoek van klager afgewezen. In die beslissing staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“ (…) Om tot onderinspecteur 1ste klasse te worden bevorderd, wordt verwezen naar de eisen die bepaald zijn in bijlage A toebehorende aan het Landsbesluit Rechtspositie Politie (…), te weten:

a. in het bezit zijn van het kaderopleiding diploma;

b. een functie bekleden in hoofdgroep IV;

c. voldoen aan de eisen die aan deze functie worden gesteld;

d. ten minstens vijf jaar diensttijd hebben voltooid in de rang van onderinspecteur;

e. een goede beoordeling.

U heeft de KO-opleiding behaald maar bent niet geplaatst in een functie in hoofdgroep IV waardoor u niet aan de bevorderingseisen voldoet om bevorderd te kunnen worden naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse. U bent geplaatst in een functie in hoofdgroep III. Weliswaar heeft u gesolliciteerd maar niet op meerdere via korpsmededeling opengestelde functies in hoofdgroep IV en/of dat bij het sollicitatiegesprek in een functie in hoofdgroep IV de keuze niet op u is gevallen. (…) Ingevolge het gratificatiebeleid is gratificatie bij loffelijke dienstverrichting alleen mogelijk in zeer uitzonderlijke gevallen, wanneer er sprake is van een zeer bijzondere prestatie van de ambtenaar. Deze regeling wordt niet toegepast bij een bevordering. (…) Indien wordt afgeweken van het bovenstaande kunnen anderen zich beroepen op basis van gelijkheidsbeginsel. Derhalve is uw verzoek om naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse te worden bevorderd niet voor inwilliging vatbaar. (…)”

3.10

Hiertegen richt zich het bezwaar.

Het wettelijk kader

4.1

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

4.2

Ingevolge artikel 6, lid 1 van de Landsverordening politie geschiedt de benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van een politieambtenaar voor zover het betreft een ambtenaar in de rang van onderinspecteur 1ste klasse of lager, op voordracht van de Minister, belast met de rechtshandhaving.

Ingevolge artikel 10 van deze landsverordening worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, voor politieambtenaren, regelen vastgesteld ten aanzien van onder andere (a) de beëdiging, de rangen en ranglijsten en (b) de werving en de vereisten voor benoembaarheid en bevordering in de rangen.

4.3

Ingevolge artikel 5, lid 1 van het Landsbesluit rechtspositie politie geschiedt benoeming in een politierang bij landsbesluit. Ingevolge het tweede lid zijn de bij de rangen behorende aanstelling- en bevorderingseisen opgenomen in bijlage A bij dit landsbesluit.

4.4

Voor bevordering naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse gelden de volgende aanstellings- en bevorderingseisen:

a. a) in het bezit van het kaderdiploma;

b) een functie bekleden in Hoofdgroep IV;

c) voldoen aan de eisen die aan deze functie worden gesteld;

d) ten minste 5 jaar diensttijd hebben voltooid in de rang van onderinspecteur en;

e) een goede beoordeling.

Beoordeling

5.1

Het gerecht stelt voorop dat bevordering geen recht van de betrokken politieambtenaar is noch een automatisme, doch een discretionaire bevoegdheid van het bevoegde gezag. Dit betekent dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5.2

Het gerecht overweegt verder dat voornoemde wettelijke bevorderingseisen cumulatief zijn. Voldoet een politieambtenaar niet aan alle vereisten dan komt hij niet in aanmerking voor een bevordering.

6. Vast staat dat klager sedert 1 januari 2011 naar de rang van onderinspecteur (schaal P08) is bevorderd. Dat hij voldoet aan de anciënniteitsvereiste (onder sub d) is dus niet in geschil.

Vast staat ook dat klager de kaderopleiding met goed gevolg heeft afgerond. Aan die opleidingsvereiste (onder sub a) heeft hij dus ook voldaan.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat klager niet in een Hoofdgroep IV functie is geplaatst. Klager heeft weliswaar de functie van coördinator Unit Examen en Rijbewijzen (hoofdgroep IV) waargenomen, doch hij is nimmer bij landsbesluit in deze functie benoemd. Klager voldoet derhalve niet aan de bevorderingsvereiste genoemd onder sub b (de functiewaarderingsvereiste), en dientengevolge evenmin aan de vereisten genoemd onder sub c en sub e (de beoordelingsvereiste).

7. Gelet op het bovenstaande is het gerecht van oordeel dat verweerder het verzoek van klager om naar de rang van onderinspecteur 1ste klasse te worden bevorderd in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

8. Dit leidt tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond

Aldus gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.