Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2021:54

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
GAZ CUR20200829
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om, overeenkomstig de Regeling vergoeding, behandeling- en verplegingskosten overheidsdienaren, in het buitenland gemaakte medische kosten als gevolg van dienstongeval te vergoeden. Het verzoek is terecht afgewezen op grond van de vereiste van de noodzakelijkheid van de medische behandeling als bedoeld in artikel 27.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[klager],

wonende in Curaçao,

klager,

procederend in persoon,

tegen

de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.G. Ricardo, werkzaam bij het Land Curaçao.

Procesverloop

Klager heeft verweerder bij brief van 16 mei 2019 verzocht om op zijn eerder gedane verzoeken een beslissing te nemen en de door hem in het buitenland gemaakte medische kosten in de jaren 2001 tot en met 2015 als gevolg van het dienstongeval van 8 mei 2000 te vergoeden (het verzoek).

Verweerder heeft dat verzoek bij brief van 15 november 2019, aan klager uitgereikt op 8 januari 2020, afgewezen (de bestreden beschikking).

Daartegen is klager op 21 januari 2020 in administratief beroep gegaan bij verweerder (het administratief beroep).

Bij bezwaarschrift, op 11 maart 2020 bij het Gerecht ingediend, heeft klager bezwaar gemaakt tegen de bestreden beschikking (het bezwaar).

Klager heeft een toelichting met nadere producties ingediend.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van het Gerecht op 1 maart 2021. Klager is in persoon verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het Gerecht gaat uit – samengevat en voor zover hier van belang – van de volgende vaststaande feiten.

1.1

Klager was, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, als ambtenaar werkzaam in de functie van Senior Beleidsadviseur bij de Directie Personeel, Organisatie en ICT van de voormalige Nederlandse Antillen.

1.2

Klager is op 8 mei 2000 onder diensttijd gevallen en heeft daarbij zijn rechterschouder geblesseerd.

1.3

Bij brief van 23 oktober 2009 heeft de ARBO-arts, S. Cabenda, de toenmalige minister van Constitutionele en Binnenlandse Zaken het volgende bericht:

“(...)[klager] meldde zich toentertijd op 12 mei 2000 bij de BGD (Bedrijfsgeneeskundige Dienst) en vertelde dat hij op 08 mei 2000 op het werk gevallen zou zijn, terwijl hij op de trap liep, en daarbij zijn rechterschouder bezeerde.

Werknemer [klager] werd vanwege een contusie aan de rechterschouder door de BGD volledig arbeidsongeschikt (100% a.o.) verklaard van 08 mei 2000 (’s middags) tot en met 12 mei 2000. Per 13 mei 2000 werd hij weer inzetbaar geacht voor zijn werkactiviteiten. (...)”

1.4

Bij brief van 19 december 2011 heeft verweerder het hierboven genoemde ongeval van 8 mei 2000 aangemerkt als dienstongeval. Ook is daarin opgenomen dat de aan dat dienstongeval verbonden noodzakelijke kosten in verband met geneeskundige behandeling en/of verpleging, overeenkomstig de Regeling vergoeding, behandeling- en verplegingskosten overheidsdienaren (de Regeling), ook na beëindiging van het dienstverband volledig zullen worden vergoed.

1.5

Klager heeft over de jaren 2001 tot en met 2015, naast Curaçao, ook in de Dominicaanse Republiek medische behandelingen ondergaan, waaronder een chirurgische ingreep aan zijn rechterschouder.

1.6

Klager heeft zijn eerder bij brieven van 25 januari 2016, 10 februari 2017,
11 augustus 2017 en 13 maart 2018 gedane verzoek om de door hem in de Dominicaanse Republiek gemaakte medische kosten in de jaren 2001 tot en met 2015 als gevolg van het dienstongeval te vergoeden, bij het verzoek herhaald.

2. Bij de bestreden beschikking heeft verweerder het verzoek afgewezen en die afwijzing – kort gezegd – als volgt toegelicht. Klager heeft voor het eerst op 25 januari 2016 verzocht om in aanmerking te komen voor vergoeding van de door hem gemaakte kosten. Dit is, gelet op artikel 27, derde lid, van de Regeling te laat geschied en klager heeft verder geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het voor hem niet mogelijk was om zijn verzoek tijdig in te dienen. Daarnaast heeft klager geen geneeskundige verklaring overgelegd waaruit blijkt dat de medische behandelingen waarvoor vergoeding is verzocht (i) noodzakelijk waren, (ii) verband hielden met het dienstongeval en (iii) zijn ontstaan vóór 13 mei 2000, zijnde het tijdstip waarop klager door de ARBO als volledig arbeidsgeschikt is geacht, om zodoende in aanmerking te kunnen komen voor vergoeding in de zin van artikel 27, eerste lid, van de Regeling. Evenmin heeft klager aangetoond dat hij op medisch advies en met vooraf verleende toestemming naar het buitenland is uitgezonden. Verder heeft klager nagelaten om overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, tweede lid, van de Regeling bewijsstukken te overleggen waaruit de aard van de medische behandeling waarvoor vergoeding wordt verzocht blijkt.

3. Alvorens het bezwaar inhoudelijk kan worden beoordeeld, dient het Gerecht eerst de vraag te beantwoorden of klager in dat bezwaar kan worden ontvangen. Het Gerecht overweegt op dit punt als volgt.

Vaststaat dat klager het bezwaar niet binnen dertig dagen na de dag waarop hij de bestreden beschikking heeft ontvangen heeft ingediend. Het Gerecht acht die termijnoverschrijding echter verschoonbaar. Klager heeft immers op 21 januari 2020, en dus binnen dertig dagen na ontvangst van de bestreden beschikking, administratief beroep ingesteld daartegen bij verweerder. Omdat geen administratief beroep open stond tegen de bestreden beschikking, had verweerder dat beroep moeten doorsturen naar het Gerecht om hier te worden behandeld als bezwaar. Klager kan gelet hierop in zijn bezwaar worden ontvangen.

4. Met betrekking tot het bezwaar en de gronden waarop dat berust overweegt het Gerecht als volgt.

4.1

Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Regeling geschiedt indiening van een verzoek (om toekenning van vergoeding van kosten van geneeskundige behandeling en verpleging) schriftelijk, binnen één jaar na afloop van een aaneengesloten behandelings- en/of verplegingsperiode, doch in ieder geval niet later dan één jaar en drie maanden na het plaatsvinden van de verrichtingen waarop het verzoek betrekking heeft.

Op grond van het tweede lid worden verzoeken welke na het verstrijken van de in het voorgaande lid genoemde termijn worden ingediend niettemin in behandeling genomen, indien de verzoeker gemotiveerd aantoont dat hij in de onmogelijkheid heeft verkeerd om zijn verzoek binnen de termijn in te dienen.

Op grond van artikel 27, eerste lid, geldt dat ingeval geneeskundige behandeling en/of verpleging noodzakelijk is in verband met een gebrek of een ziekte, voor de overheidsdienaar ontstaan tijdens en ten gevolge van de uitoefening van de dienst en niet aan zijn schuld of grove nalatigheid te wijten zijnde, worden de daaraan verbonden kosten ook voor de overheidsdienaar op wie paragraaf 2 of 3 niet van toepassing is, en ook indien het dienstverband intussen is beëindigd, volledig vergoed, voor zover de kosten ervan ontstaan zijn in de periode vóór het tijdstip waarop de overheidsdienaar of gewezen overheidsdienaar naar het oordeel van de behandelde geneesheer voor ontslag uit de behandeling en/of verpleging in aanmerking komt.

Op grond van het derde lid is artikel 22 van overeenkomstige toepassing.

4.2

De Regeling is met de inwerkingtreding van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten op 1 februari 2013 ingetrokken. De vergoeding van medische kosten van (gewezen) overheidsdienaren gemaakt tot aan die datum geschiedt op basis van de Regeling.

4.3

Klager stelt dat de medische behandeling hier te lande geen verlichting heeft geboden voor zijn klachten. Volgens klager was het daarom noodzakelijk om de hulp van een buitenlandse medisch specialist in te roepen om zodoende blijvend letsel aan zijn rechterschouder te voorkomen. Dit betoog slaagt naar het oordeel van het Gerecht om de volgende reden niet. Klager heeft de noodzakelijkheid van buitenlandse medische behandeling als gevolg van het dienstongeval niet met stukken onderbouwd. Dat had hij kunnen doen door bijvoorbeeld een brief van de behandelend arts hier op Curaçao te overleggen waaruit blijkt dat medisch (specialistische) behandeling in het buitenland geboden was, maar dat heeft hij niet gedaan. Het had wel op zijn weg gelegen om dat te doen, nu die noodzakelijkheid door verweerder wordt ontkend, met verwijzing naar de verklaring van de ARBO-arts dat klager per 13 mei 2000 arbeidsgeschikt is verklaard. De enkele (blote) stelling dat de medische behandeling hier te lande geen verlichting heeft geboden voor klagers klachten, is onvoldoende om de noodzakelijkheid van de buitenlandse medische behandeling aannemelijk te maken.

De stelling van klager dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) wel een gedeelte van de door hem gemaakte medische kosten in het buitenland heeft vergoed, wat hier ook van zij, maakt dat niet anders. De SVB toetst immers sinds 1 februari 2013 de vergoedbaarheid van medische kosten op basis van andere wettelijke bepalingen, namelijk die van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten. Verweerder heeft aldus terecht de verzochte vergoeding op grond van de vereiste van de noodzakelijkheid van de medische behandeling als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Regeling mogen afwijzen.

4.4

Nu deze afwijzingsgrond in stand kan blijven, behoeven de tegen de overige afwijzingsgronden gerichte bezwaren geen verdere bespreking.

5. De slotsom is dat het bezwaar ongegrond is. Voor een proceskosten-veroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.J. Martijn, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.