Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2021:33

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-04-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
AUA202003198
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 96 van de La (schadevergoeding) - In dit geval kan het verzoek van klager om vergoeding van schade niet worden toegewezen, nu nog niet vaststaat dat klager schade heeft geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 19 april 2021

Gaza nr. AUA202003198

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaarschrift ex artikel 96 van de

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klager],

wonende te Aruba,

KLAGER,

procederend in persoon,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigden: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ) en de advocaat mr. E.E. Rosenstand.

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van dit gerecht van 7 september 2020 (Gaza nr. AUA202001040) heeft het gerecht verweerder opgedragen om binnen een termijn van drie maanden een beslissing te nemen op het verzoek van klager van 20 maart 2019 inzake bevorderingen en het rechttrekken van zijn rechtspositie.

Op 15 december 2020 heeft klager een bezwaarschrift ex artikel 96 van de La ingediend, omdat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan voornoemde uitspraak.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2021, waar klager in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door de gemachtigden voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. Klager is ambtenaar werkzaam bij de Dienst Publieke Scholen en ter beschikking gesteld van het Bureau van de minister van Onderwijs, Wetenschap en Duurzame Ontwikkeling in de rang van hoofdingenieur in schaal 13. Tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om bevorderd te worden en om een tegemoetkoming in zijn studiekosten voor zijn rechtenstudie aan de Universiteit van Aruba, heeft hij bezwaar gemaakt, dat heeft geleid tot de uitspraak van 7 september 2020.

2.1

Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu hij naar aanleiding van de uitspraak van 7 september 2019 geen beslissing van verweerder heeft ontvangen, vaststaat dat verweerder daar geen gevolg aan heeft gegeven en dat het gerecht dientengevolge een schadevergoeding kan vaststellen. Hij vordert vergoeding van de schade die hij heeft en zal oplopen als gevolg van het uitblijven van de beslissing en door het niet toekennen van hetgeen oorspronkelijk is verzocht.

2.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld, dat hoewel er nog geen beslissing is genomen op het verzoek van klager, hij geen schade heeft geleden nu op zijn verzoek inmiddels door de Departamento Recusto Humano (DRH) op 10 december 2020 een advies is gegeven, dat strekt tot afwijzing van het bevorderingsverzoek en het verzoek om tegemoetkoming in de studiekosten.

3. Ingevolge artikel 96, eerste lid van de La, is de ambtenaar bevoegd een bezwaarschrift bij het gerecht in te dienen, indien - voor zover van belang - aan bij onherroepelijk geworden rechterlijke beslissing opgelegde veroordeling niet of niet volledig gevolg wordt gegeven. Ingevolge het derde lid veroordeelt het gerecht, indien het bezwaar gegrond bevonden wordt, het betrokken lichaam tot vergoeding en stelt het met inachtneming van alle omstandigheden het bedrag der schadevergoeding bij de beslissing vast.

4. Niet in geschil is dat verweerder, tot de datum van de behandeling van onderhavig bezwaar, geen gevolg heeft gegeven aan de inmiddels onherroepelijk geworden uitspraak van 7 september 2020, waarbij hij is opgedragen om binnen drie maanden op het verzoek van klager te beslissen.

5. Voor toekenning van schadevergoeding overeenkomstig artikel 96, derde lid, van de La is slechts plaats indien op grond van de niet uitgevoerde uitspraak met de nodige zekerheid kan worden vastgesteld wat de inhoud diende te zijn van de beslissing die verweerder heeft nagelaten te nemen. Eerst dan kan immers worden vastgesteld of het niet nakomen van de uitspraak van het gerecht tot schade aan de zijde van klager heeft geleid en hoe groot die schade is.

6. In dit geval kan het verzoek van klager om vergoeding van schade niet worden toegewezen, nu nog niet vaststaat dat klager schade heeft geleden. Het gerecht overweegt daartoe als volgt.

6.1

De uitspraak van dit gerecht van 7 september 2020 brengt niet met zich dat verweerder gehouden is het verzoek van klager in te willigen. In die uitspraak heeft het gerecht overwogen dat verweerder nog altijd niet inhoudelijk heeft beslist op het verzoek van klager en dat hij alsnog een beslissing moet nemen op klagers verzoek. Daarmee is echter nog niet vast komen te staan dat klager voor de verzochte bevordering en tegemoetkoming voor gemaakte studiekosten in aanmerking komt.

6.2

Dit klemt temeer nu uit het overgelegde advies van de DRH van 10 december 2020 kan worden afgeleid dat klager geen functie bekleedt noch heeft bekleed, die gewaardeerd is op het niveau van schaal 14, en dat hij de rechtenstudie heeft gevolgd in de periode dat hij non-actief was, derhalve zonder voorafgaande toestemming van de daartoe bevoegde autoriteit, en zonder dat de studie in het belang van de dienst was.

7. Het bezwaar zal gelet op het bovenstaande, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, ongegrond worden verklaard. Het vorenstaande laat onverlet dat verweerder uit oogpunt van zorgvuldigheid en zijn voorbeeldfunctie in de maatschappij nog immer gehouden is op het verzoek van klager te beslissen.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.