Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2021:32

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-04-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
AUA202002420 en AUA202002531
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevordering - Nu de functie die klaagster bekleedt, op 26 februari 2019 is geherwaardeerd op schaal 9, voldoet klaagster pas vanaf 1 maart 2019 aan de functiewaarderingsvereiste voor een bevordering naar schaal 9. Gelet hierop faalt het betoog van klaagster dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij niet eerder dan 1 maart 2019 kan worden bevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 19 april 2021

GAZA nrs. AUA202002420 en AUA202002531

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[Klaagster],

wonende in Aruba,

KLAAGSTER

gemachtigde: mr. R.P. Lee,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 31 augustus 2020 (het bestreden landsbesluit) is klaagster met ingang van 1 maart 2019 bevorderd naar de rang van commies 1ste klasse in schaal 9, dienstjaar 9.

Hiertegen heeft klaagster bezwaar gemaakt, door indiening – via email – bij dit gerecht van een bezwaarschrift op 1 oktober 2020. Dit bezwaar is geregistreerd onder nummer AUA202002420.

Bij brief van 31 augustus 2020 (de bestreden beschikking) is klaagster bericht dat het voorstel van haar diensthoofd om haar met ingang van 1 januari 2014 te bevorderen naar de rang van commies 1ste klasse in schaal 9 niet voor inwilliging vatbaar is.

Hiertegen heeft klaagster bezwaar gemaakt, door indiening – via email – bij dit gerecht van een bezwaarschrift op 1 oktober 2020. Dit bezwaar is geregistreerd onder nummer AUA20202531.

Namens verweerder is op 1 februari 2021 in beide zaken een contramemorie met producties ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 15 maart 2021, alwaar klaagster in persoon en bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd is verschenen, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

OVERWEGINGEN

De bestreden beschikkingen

1.1

Aan het bestreden landsbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klaagster sedert 1 juni 2009 de rang van commies bekleedt, dat zij de functie van Medewerker Personeelsadministratie bij de Dienst Publieke Scholen (DPS) bekleedt, dat die functie maximaal op het niveau van schaal 9 is gewaardeerd en dat als ingangsdatum wordt vastgesteld, de maand waarin het onderzoek naar hogere waardering is gestart, zijnde 1 maart 2019. Verder, dat het functioneren van klaagster een bevordering naar de rang van commies 1ste klasse rechtvaardigt en dat zij voor het overige voldoet aan de bevorderingseisen.

1.2

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder – samengevat – ten grondslag gelegd dat de Departamento Recurso Humano (DRH) bij brief van 26 februari 2019 te kennen heeft gegeven dat de functie van Medewerker Personeelsadministratie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 9, en dat de ingangsdatum is vastgesteld op 1 maart 2019, zodat klaagster niet met ingang van 1 januari 2014 kan worden bevorderd.

Standpunten van partijen

2.1

Klaagster kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van de bevordering naar de rang van commies 1ste klasse en heeft zich daarbij – samengevat – op het standpunt gesteld dat de bestreden beschikkingen gebrekkig dan wel onvoldoende zijn gemotiveerd, en dat zij niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen.

Ter onderbouwing hiervan heeft zij primair aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte met ingang van 1 maart 2019 in de functie van Medewerker Personeelsadministratie heeft bevorderd, nu zij reeds vanaf 2012 feitelijk de functie van Staffunctionaris P&O vervult, welke functie is gewaardeerd op het niveau van schaal 11.

Subsidiair heeft klaagster aangevoerd dat zij vanaf 2009 is benoemd in de functie van Medewerker Personeelsadministratie, en dat het onderzoek naar de herwaardering van deze functie niet op 1 maart 2019 maar al op 8 oktober 2015 is gestart. Klaagster meent dan ook dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij niet eerder dan 1 maart 2019 naar schaal 9 kan worden bevorderd.

Zij verzoekt vernietiging van de bestreden beschikkingen en dat het gerecht zal bepalen dat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen.

2.2

Verweerder heeft betoogd dat klaagster de functie van Medewerker Personeelsadministratie bekleedt en dat zij bij brief van 31 augustus 2015 heeft verzocht om gratificaties in verband met uitgevoerde werkzaamheden in een hogere functie, zodat het onduidelijk is waarom zij nu meent dat verweerder ten onrechte in de bestreden beschikkingen haar niet heeft benoemd/bevorderd in die hogere functie.

Verder heeft verweerder betoogd dat de functie van Medewerker Personeelsadministratie in februari 2019 is geherwaardeerd, zodat klaagster pas vanaf 1 maart 2019 voldoet aan alle bevorderingseisen. Verweerder concludeert tot het ongegrond verklaren van beiden bezwaren.

Het geschil

3. In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten klaagster met ingang van 1 maart 2019 te bevorderen naar de rang van commies 1ste klasse in schaal 9. Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking.

De relevante wet- en regelgeving

4.1

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

4.2

Op grond van artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (de BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht (de beoordelingsvereiste).

4.3

Ingevolge de bevorderingseisen dient voor een bevordering naar de rang van commies 1ste klasse (schaal 9) de ambtenaar een functie te bekleden welke een waardering op het niveau van commies 1ste klasse rechtvaardigt (de functiewaarderingsvereiste), en voorts reeds ten minste twee jaar dienst in de rang van commies te hebben volbracht (de anciënniteitsvereiste).

De feiten

5.1

Klaagster is met ingang van 1 augustus 1999 benoemd als ambtenaar in tijdelijke dienst in de rang van hoofdklerk in schaal 5.

5.2

Bij Landsbesluit van 23 oktober 2009, is klaagster laatstelijk met ingang van 1 juni 2009 bevorderd naar de rang van commies in schaal 8.

5.3

Uit het Formatierapport DPS volgt dat de functie van Staffunctionaris P&O, een functie op HBO/WO-niveau is die maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 11. De staffunctionaris is belast met de voorbereiding en ontwikkeling van het integrale (strategisch) personeels- en organisatiebeleid voor het onderwijs en onderwijsondersteunend personeel, en is voorts belast met zowel de voorbereiding als uitvoering van het interne personeelsbeleid van de dienst, en met bestuurlijke taken.

Verder blijkt uit het Formatierapport DPS dat de functie van Medewerker Personeelsorganisatie een functie op MBO-niveau is die maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 8. De medewerker is belast met uitvoerende rechtspositionele aangelegenheden en personeelsadministratie ten behoeve van het onderwijs- en onderwijsondersteunend personeel, met de uitvoering bij indiensttreding van nieuw personeel, en met eenvoudige financiële administratie door het doorgeven van wijzigingen aan de salarisadministratie.

5.4

Klaagster heeft bij brief van 31 augustus 2015 (overgelegd als productie 6 bij de contramemorie in zaak met nummer AUA202002420) verzocht om “een herwaardering met terugwerkende kracht vanaf 2012 van de functie van personeelsmedewerker bij de Dienst Publieke Scholen waarin ondergetekende benoemd en werkzaam is”.

5.5

Bij (een andere) brief van 31 augustus 2015 (overgelegd als productie 11 bij de contramemorie in de zaak met nummer AUA2020024200) heeft klaagster verzocht om een gratificatie over de jaren 2012, 2013 en 2014 in verband met uitgevoerde werkzaamheden van de functie van Staffunctionaris P&O naast die van de functie van personeelsmedewerker.

5.6

Bij brieven van 1 september 2016 en 18 september 2017 heeft klaagster voornoemde verzoeken herhaald.

5.7

Bij brief van 14 maart 2018 heeft klaagster verzocht om haar met ingang van 1 januari 2014 respectievelijk 1 januari 2016 en 1 januari 2018 te bevorderen naar schaal 9, respectievelijk schalen 10 en 11.

5.8

In het 18-pagina’s tellende functie-inventarisatieformulier (het fif) van 11 december 2017 van klaagster, dat mede door haar is ondertekend, staat vermeld dat klaagster de functie van Medewerker Personeelsadministratie bij de DPS vervult, en dat vanaf 1 januari 2012 de volgende werkzaamheden duurzaam tot deze functie behoren:

1. adviserende werkzaamheden (50%),

2. ondersteunende en administratieve werkzaamheden (25%),

3. beleidsmatige werkzaamheden (20%) en

4. beheersmatige werkzaamheden (5%).

5.9

Bij schrijven van 26 februari 2019 heeft de DRH het diensthoofd van de DPS bericht, dat de functie van Medewerker Personeelsadministratie, aan de hand van het fif van 11 december 2017, is vergeleken met de functie van Staffunctionaris Personeel en Organisatie en dat gebleken is dat bij de eerstgenoemde functie geen sprake is van werkzaamheden op beleidsmatig niveau, en dat die functie aan de hand van het fif is geherwaardeerd op het maximale niveau van schaal 9.

5.10

Bij de bestreden beschikkingen is besloten op het (oorspronkelijke) verzoek van klaagster van 31 augustus 2015 om een bevordering.

De beoordeling

6.1

Het gerecht stelt voorop dat bevordering geen recht van de betrokken ambtenaar is noch een automatisme, doch een discretionaire bevoegdheid van het bevoegde gezag. Dit betekent dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

6.2

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting stelt het gerecht vast dat klaagster vanaf 2012 de functie van Medewerker Personeelsadministratie bekleedt, met de werkzaamheden zoals beschreven in het fif. Dat klaagster vanaf 2012 feitelijk de werkzaamheden behorende tot de functie van Staffunctionaris P&O verricht, is niet gebleken.

6.3

De functie van Medewerker Personeelsadministratie is op 26 februari 2019 geherwaardeerd op het niveau van schaal 9. Voor zover klaagster heeft beoogd zich te beklagen over de ingangsdatum van de herwaardering van die functie, overweegt het gerecht dat het bevoegde gezag bij de vaststelling van een functiebeschrijving de nodige beoordelingsvrijheid toekomt, terwijl ook de waardering na verloop van tijd kan veranderen. Verder moeten functiewaarderingsbesluiten, mede vanwege hun functie-overstijgend karakter, en de daaraan ten grondslag liggende functie- of organisatiebeschrijvingen op één lijn worden gesteld met besluiten van algemene strekking. Daarom kunnen zij, gelet op het bepaalde in artikel 35, vierde lid van de LA, niet door de ambtenarenrechter worden beoordeeld.

6.4

Nu de functie die klaagster bekleedt, op 26 februari 2019 is geherwaardeerd op schaal 9, voldoet klaagster pas vanaf 1 maart 2019 aan de functiewaarderingsvereiste voor een bevordering naar schaal 9. Gelet hierop faalt het betoog van klaagster dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij niet eerder dan 1 maart 2019 kan worden bevorderd.

7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikkingen op goede gronden zijn genomen en dat beide bezwaarschriften ongegrond dienen te worden verklaard.

8. Voor een veroordeling van verweerder in de kosten, is geen aanleiding.

DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

In de zaak met nummer AUA202002420

- verklaart het bezwaar ongegrond.

In de zaak met nummer AUA02002531

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 19 april 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen de uitspraak op het bezwaar ex artikel 35 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.