Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2021:28

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
AUA202000894
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitkering bij wijze van pensioen - Het Gerecht stelt vast dat klager niet voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling Pensioen. Klager is immers niet ontslagen wegens het bereiken van de zestigjarige leeftijd of wegens ongeschiktheid. Evenmin heeft klager een diensttijd van tien jaren als losse arbeider vervuld. Klager voldoet ook niet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 4 van de Lla. Klager was immers bij het verlaten van de dienst geen ambtenaar in vaste niet-pensioengerechtigde dienst. Voorts is klager evenmin op eigen verzoek dan wel wegens ongeschiktheid of ouderdomsgebreken ontslagen. Het Gerecht is van oordeel dat klager evenmin op grond van de circulaire in aanmerking komt voor een uitkering bij wijze van pensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 3 mei 2021

Gaza nr. AUA202000894

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[Klager],

wonende te Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. J.E.A. Wernet,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde:

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 23 november 2016 (de bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek van klager tot toekenning van een uitkering bij wijze van pensioen, afgewezen.

Hiertegen heeft klager op 12 maart 2020 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft op 2 december 2020 stukken en op 15 maart 2021 een contra-memorie ingediend.

Het Gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2021. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid

1.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

1.2

Klager heeft zijn bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Hij heeft echter aangevoerd de bestreden beschikking pas op 18 februari 2020 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Het tegendeel blijkt ook niet uit de gedingstukken. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaar is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klager is ontvankelijk in zijn bezwaar.

De feiten

2.1

Klager, geboren op [geboortedatum] 1955, is van 4 mei 1982 tot 1 januari 1988 als arbeider in losse dienst werkzaam geweest bij de Centrale Dienst Brandweer in Aruba (DBA).

2.2

Bij landsbesluit van 2 augustus 1988 heeft verweerder besloten om klager met ingang van 1 januari 1988 te benoemen als ambtenaar in tijdelijke dienst in de rang van technisch beambte 1ste klasse in schaal 3, bij de DBA.

2.3

Bij landsbesluit van 15 april 2006 no. 68 heeft verweerder vastgelegd dat aan klager met ingang van 12 april 1995 ontslag uit Landsdienst is verleend wegens het willekeurig verbreken van het dienstverband.

2.4

Bij brief van 1 augustus 2014 heeft klager verzocht om vanaf 21 november 2010, zijnde de datum waarop hij de 55-jarige leeftijd heeft bereikt, aan hem uit te betalen “de hem rechtens toekomende uitgestelde pensioenuitkering”. Bij brief van 24 juni 2015 heeft klager dit verzoek gerappelleerd.

2.5

Bij brief van 23 november 2016 heeft de minister van Financiën, Economische Zaken en Cultuur (de minister) het verzoek van klager afgewezen. Hiertegen heeft klager bezwaar gemaakt.

2.6

Bij brief van 16 augustus 2019 heeft klager wederom verzocht om in aanmerking te komen voor een uitkering bij wijze van pensioen.

2.7

Bij uitspraak van dit Gerecht van 9 maart 2020 (AUA201902104) heeft het Gerecht het bezwaar van klager gegrond verklaard en de onder 2.5 genoemde brief vernietigd. Het Gerecht overweegt onder meer dat een beslissing omtrent de toekenning van een uitkering bij wijze van pensioen aan de Gouverneur als bevoegd gezag is voorbehouden.

2.8

Bij bestreden beschikking van 30 januari 2020 heeft verweerder het onder 2.6 genoemde verzoek afgewezen.

De standpunten van partijen

3.1

Klager kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn verzoek om een uitkering bij wijze van pensioen en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij een onafgebroken diensttijd bij de overheid van meer dan 12 jaren heeft vervuld, eerst als losse arbeider en aansluitend als ambtenaar in tijdelijke dienst. Verder doet klager een beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar de gevallen van twee gewezen ambtenaren in tijdelijke dienst, die naar aanleiding van de uitspraak van dit Gerecht in hun respectievelijke gevallen (Gaza nr. 1779 van 2016 en Gaza nr. 1837 van 2015) in het genot zijn gesteld van een uitkering bij wijze van pensioen.

3.2

Verweerder heeft aan de bestreden beschikking ten grondslag gelegd dat klager niet voldoet aan de vereisten voor een uitkering bij wijze van pensioen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat klager, anders dan de gevallen waarnaar hij verwijst, is ontslagen wegens het willekeurig verbreken van het dienstverband.

Het wettelijk kader

4.1

Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Regeling Pensioen ten laste van de begroting (de Regeling) wordt aan de arbeider in losse dienst die ontslagen wordt wegens het bereiken van de zestigjarige leeftijd danwel wegens ongeschiktheid voor de verdere dienst uit hoofde van ouderdom of van ziels- en lichaamsziekte of lichaamsgebreken en op de dag waarop het eervol ontslag ingaat een diensttijd van tenminste tien jaren heeft vervuld, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel met ingang van de datum van het eervol ontslag een pensioen ten laste van de begroting toegekend.

4.2

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening leeftijdsgrens ambtenaren (Lla) wordt aan de ambtenaar door het bevoegd gezag eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij de leeftijd, waarop ingevolge artikel 6a van de Landsverordening algemene ouderdomsverzekeringen het recht op ouderdomspensioen ontstaat heeft bereikt.

4.3

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Lla wordt aan de op eigen verzoek, zomede aan de op grond van artikel 4 van deze landsverordening dan wel wegens ongeschiktheid voor de verdere dienst uit hoofde van ouderdom of van ziels- of lichaamsziekte of gebreken ontslagen ambtenaar in vaste niet-pensioengerechtigde dienst, die alsdan recht op pensioen zou hebben kunnen doen gelden, indien het door de stichting Algemeen Pensioenfonds Aruba verzorgde pensioenreglement op hem van toepassing zouden zijn geweest, door het bevoegde gezag een uitkering bij wijze van pensioen toegekend.

4.4

Bij schrijven van 18 mei 1984 heeft het bestuurscollege van het eilandgebied Aruba de toepassing van artikel 5, eerste lid van de Lla vastgelegd (de circulaire). Hierin is opgenomen - voorzover hier van belang - dat:

(..) eilandsambtenaren die bij het verlaten van de dienst in vaste niet- pensioengerechtigde dienst zijn, met toepassing van de Lla, in aanmerking komen voor een uitkering bij wijze van pensioen in de gevallen waarin aan een ambtenaar, in vaste pensioengerechtigde dienst pensioen of uitgesteld pensioen zou zijn toegekend op grond van artikel 8 van de Pensioenverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938 (P.B. 1976 no. 45).

De betrokken ambtenaren zullen daardoor aanspraak maken op uitkering bij wijze van pensioen in de navolgende gevallen:

(..) 4. bij ontslag al of niet op eigen verzoek voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd na een voor pensioen geldige diensttijd van tenminste 10 jaren in actieve Nederlands-Antilliaanse dienst en nadat een diensttijd van 20 jaren zou zijn vervuld of overschreden bij regelmatig doordienen (artikel 8, lid 3, PVBL 1938).

(..)

Op het voetspoor van het vorenstaande zal ook aan arbeidscontractanten en (werknemers op schriftelijke arbeidsovereenkomst), die niet in het genot zijn van een tegemoetkoming in de kosten van sociale risicodekking, een uitkering bij wijze van pensioen worden toegekend.

De beoordeling

5.1

Tussen partijen is in geschil of klager recht heeft op een uitkering bij wijze van pensioen op grond van de Lla. Het Gerecht stelt vast dat klager niet voldoet aan de vereisten zoals gesteld in de artikel 1, eerste lid van de Regeling. Klager is immers niet ontslagen wegens het bereiken van de zestigjarige leeftijd of wegens ongeschiktheid. Evenmin heeft klager een diensttijd van tien jaren als losse arbeider vervuld.

5.2

Klager voldoet ook niet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 4 van de Lla. Klager was immers bij het verlaten van de dienst geen ambtenaar in vaste niet-pensioengerechtigde dienst. Voorts is klager evenmin op eigen verzoek dan wel wegens ongeschiktheid of ouderdomsgebreken ontslagen.

5.3

Klager meent met verwijzing naar de circulaire waarin het bestuurscollege van het eilandgebied Aruba de toepassing van artikel 5, eerste lid van de Lla heeft vastgelegd, aanspraak te maken op een uitkering bij wijze van pensioen. Met klager is het Gerecht van oordeel dat aan de circulaire nog altijd betekenis toekomt nu niet is gebleken dat verweerder deze circulaire heeft ingetrokken. Het Gerecht stelt vast dat de circulaire ten opzichte van de Lla een uitbereiding behelst van de personen die aanspraak kunnen maken op een uitkering bij wijze van pensioen. Daarmee heeft de circulaire het karakter van buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en is de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast. De bestuursrechter kan niet treden in de vraag of het beleid redelijk is.

5.4

Het Gerecht is van oordeel dat klager evenmin op grond van de circulaire in aanmerking komt voor een uitkering bij wijze van pensioen. Dat in de circulaire wordt bepaald dat ook een uitkering bij wijze van pensioen wordt toegekend aan arbeidscontractanten (werknemers op schriftelijke arbeidsovereenkomst) kan klager niet baten. Klager is geen arbeidscontractant geweest, maar een losse arbeider respectievelijk een ambtenaar in tijdelijke dienst. Nu er sprake is van een buitenwettelijk begunstigend beleid komt het Gerecht niet toe aan de beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid ook een uitkering bij wijze van pensioen zou moeten toekennen aan klager omdat hij in totaal meer dan 12 jaar voor de overheid heeft gewerkt.

5.5

Het is het Gerecht niet gebleken dat verweerder de circulaire niet consistent heeft toegepast. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de door klager in bezwaar aangehaalde personen aan wie een uitkering bij wijze van pensioen is toegekend geen gelijke gevallen betreffen, nu deze personen, anders dan klager, niet zijn ontslagen wegens het willekeurig verbreken van het dienstverband. Klager heeft ter zitting naar voren gebracht dat de ministerraad in 1995 heeft besloten aan twee werknemers die waren ontslagen op grond van artikel 98 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht een uitkering bij wijze van pensioen toe te kennen echter deze enkele stelling kan zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel opleveren. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

6. Het bezwaar is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

De uitspraak is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in dit gerecht, en ter zitting van maandag 3 mei 2021 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).