Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:97

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
GAZ Cur202001289
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fictieve weigering, geen sprake hiervan. Klager beoogt nakoming van de uitspraak ex artikel 96,1 van de RAr. Artikel 96,1 RAr ziet niet op de niet-nakoming van een proceskostenveroordeling. Voor het geven van een opdracht aan een partij tot uitbetaling van proceskosten waartoe die partij in een eerdere procedure bij dit Gerecht is veroordeeld, biedt de Rar geen grondslag. Bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[klager],

wonend in Curaçao,

klager,

tegen:

de Regering van Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. S.M. Concincion-Quirindongo, werkzaam bij verweerster.

Procesverloop

Bij uitspraak van 28 oktober 2019 heeft het Gerecht verweerster opgedragen om binnen twee maanden na de datum van de uitspraak een beslissing te nemen op het verzoek van klager om hem per 1 september 2009 te benoemen in de functie van Beleidsadviseur bij de Directie Personeel, Organisatie en ICT, met plaatsing in schaal 14. Voorts heeft het Gerecht verweerster veroordeeld om een bedrag van NAf 350,- aan klager te betalen als vergoeding voor de door hem gemaakte proceskosten.

Bij brief d.d. 25 november 2019 aan de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening, die klager op dezelfde dag bij het Ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening heeft ingediend, heeft hij verzocht om het bedrag van NAf 350,-aan proceskosten dat het Gerecht bij uitspraak van 28 oktober 2019 aan hem heeft toegekend met de nodige voortvarendheid op zijn bankrekening te storten (de brief).

Op 15 mei 2020 heeft klager tegen het uitblijven van een reactie op de brief ingevolge de RAr een bezwaarschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Gerecht.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van het Gerecht op 28 september 2020. Klager is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de RAr kan een bezwaarschrift worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgende door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden, waarvoor die bevoegdheid is gegeven.

Op grond van artikel 41, eerste lid, wordt het bezwaarschrift ingediend binnen dertig dagen na de dag, waarop de aangevallen beschikkingen of de aangevallen handeling of weigering genomen, verricht of uitgesproken is. Op grond van het tweede lid, eerste volzin, wordt een orgaan geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd, of waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen een redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft.

2. Het door klager ingediende bezwaar heeft geen betrekking op een weigering tot het nemen van een beschikking, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de Rar. Voor zover klager – gelet op de strekking van het verzoek – nakoming van de uitspraak ex artikel 96, eerste lid, van de RAr beoogt, overweegt het Gerecht het volgende.

3 Op grond van artikel 96, eerste lid, van de RAr is de ambtenaar, indien aan een veroordeling, in zover zij niet op geld luidt, hetzij in eerste aanleg bij een onherroepelijk geworden beslissing, hetzij in hoger beroep uitgesproken, niet of niet volledig gevolg gegeven wordt, bevoegd deswege een bezwaarschrift bij het Gerecht in te dienen. Reeds gelet op de zinsnede “in zover zij niet op geld luidt”, dient te worden geconcludeerd dat artikel 96, eerste lid, van de RAr niet op de niet-nakoming van een proceskostenveroordeling ziet. Voor het geven van een opdracht aan een partij tot uitbetaling van proceskosten waartoe die partij in een eerdere procedure bij dit Gerecht is veroordeeld, biedt de Rar geen grondslag. Het Gerecht in ambtenarenzaken zal het bezwaar daarom ongegrond verklaren.

4. Gelet op het voorgaande zullen de door klager verzochte vergoedingen worden afgewezen.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020 in tegenwoordigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAr.