Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:85

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
AUA201904405
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ordemaatregel - schorsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 14 september 2020

Gaza nr. AUA201904405

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

het bezwaar in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[klaagster],

wonend in Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. A.A.D.A. Carlo,

gericht tegen:

de Minister van Toerisme, Volksgezondheid en Sport,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 5 december 2019, no. 1, (de bestreden beschikking) is klaagster met toepassing van artikel 87, aanhef en onder c, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) in haar ambt geschorst tot op de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging.

Klaagster heeft tegen deze beschikking op 18 december 2019 bezwaar gemaakt bij dit gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting van 31 augustus 2020, alwaar zijn verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd bijgestaan door mw. M. Yrausquin (DRH).

Uitspraak is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Het wettelijk kader

1.1

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (Lma) kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

1.2

Ingevolge artikel 87, aanhef en onder c, van de Lma kan onverminderd het bepaalde in artikel 82 de ambtenaar door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt in andere gevallen, waarin schorsing naar het oordeel van het daartoe bevoegde gezag wordt gevorderd door het belang van de dienst.

De feiten

2.1

Klaagster is ambtenaar werkzaam bij IBISA.

2.2

Bij brief van de directeur van Instituto Biba Saludabel y Activo (IBISA) van 9 augustus 2019 is verzoekster de toegang tot IBISA ontzegd in verband met een onderzoek naar de financiële administratie en financiële middelen. Deze ontzegging is twee keer verlengd met zes weken verlengd.

2.3

Bij bestreden beschikking heeft verweerder besloten klaagster in haar ambt te schorsen en wel tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging. Verweerder overweegt onder meer:

“dat in bovengenoemde brief van 25 juli 2019 van de directeur van het Instituto Biba Saludabel y Activo aangegeven werd dat er op 17 juli 2019 geconstateerd werd dat enveloppen met inschrijfgelden van de “Aruba International Half Marathon” ontbraken;

(…);

dat betrokkene een voorbeeldfunctie heeft als waarnemend directeur bij het Instituto Biba Saludabel y Activo;

dat door de voorlopige bevindingen het wenselijk geacht wordt om, in het belang van de dienst, met toepassing van artikel 87 sub c van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, betrokkene in haar ambt te schorsen;

dat een disciplinair onderzoek opgestart is om te bepalen of betrokkene zich schuldig heeft gemaakt heeft aan plichtsverzuim in de zin van artikel 82 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht;

(…).”

De standpunten van partijen

3.1

Klaagster kan zich niet verenigen met de haar bij de bestreden beschikking opgelegde schorsing en voert hiertoe – kort samengevat – aan dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de aan haar verweten plichtsverzuim. Voorts voert klaagster aan dat de bestreden beslissing een diffamerende werking heeft en dat het disciplinair onderzoek te lang duurt. Verweerder had bij een juiste afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de bestreden beschikking kunnen komen, aldus klaagster.

3.2

Verweerder betoogt ter zitting - kort samengevat - dat er concrete verdenking bestaan dat klaagster niet heeft gehandeld als een goed ambtenaar betaamt en dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Voorts voert verweerder aan dat het onderzoek nog niet is afgerond.

De beoordeling

4.1

In geschil is ten eerste de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten klaagster te schorsen. Het gerecht stelt voorop dat de schorsing het karakter heeft van een ordemaatregel die kan worden opgelegd als het ongestoord functioneren van de dienst of het dienstonderdeel door het handhaven van de ambtenaar niet langer verzekerd zou zijn.

4.2

De in de bestreden beschikking vervatte schorsing is gebaseerd op artikel 87, aanhef en onder c van de Lma.

4.3

Naar vaste jurisprudentie vindt het bevoegde gezag in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel, als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar moet worden getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zozeer is geschaad dat niet aanvaardbaar is dat hij zijn werk blijft doen (vgl. Centrale Raad van Beroep 7 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3512).

4.4

Wat betreft de vraag of er in dit geval voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel bestaat, overweegt de ambtenarenrechter dat de maatregel is genomen in verband met een door verweerder opgestart disciplinaire onderzoek naar aanleiding van het vermoeden van door klaagster gepleegd plichtsverzuim. Naar het oordeel van het gerecht gaat het in dezen – gelet op het besprokene ter zitting en de overgelegde stukken - om een concrete verdenking van plichtsverzuim zodat schorsing gedurende het disciplinair onderzoek in redelijkheid in het belang van de dienst kan worden geacht. De ambtenarenrechter laat zich in het kader van deze procedure niet uit over de vraag of de verdenking terecht is.

5.1

Over de duur van de schorsing is in het besluit vermeld dat de schorsing ingaat op de dag na dagtekening van het landsbesluit en duurt tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging. Klaagster betoogt dat de schorsing te lang voortduurt. In dat verband heeft verweerder desgevraagd ter zitting - kort samengevat - verklaard dat het advies van het Departamento di Recurso Humano (DRH) inzake de disciplinaire strafoplegging binnenkort naar het bevoegd gezag zal worden doorgestuurd, waarop vervolgens op korte termijn een beslissing kan worden verwacht. De ambtenarenrechter is van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk en dat in dat verband door verweerder voortvarendheid dient te worden betracht bij de uitvoering van het disciplinaire onderzoek. Gelet op het vorenstaande overweegt de ambtenarenrechter dat in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat het belang van de dienst het vordert dat de schorsing nog langer voortduurt. De nadelige gevolgen van het niet werkzaam zijn voor klaagster acht de ambtenarenrechter in dit verband bovendien onevenredig in verhouding met het doel dat met het voortduren van de schorsing nog wordt gediend.

5.2

De ambtenarenrechter ziet gelet op het bovenstaande dan ook aanleiding om de bestreden beslissing met toepassing van artikel 85 van de Lma op dit punt te wijzigen en te bepalen dat de schorsing duurt tot uiterlijk drie weken na de datum van deze uitspraak.

6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar gegrond is.

7. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van klager, tot zover begroot op Afl. 1000,- aan gemachtigdesalaris.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt het landsbesluit van 5 december 2019, no. 1, voor zover het ziet op de duur van de schorsing;

- bepaalt dat de schorsing zal duren tot uiterlijk drie weken na de datum van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, welke worden begroot op een bedrag van Afl. 1000,- aan gemachtigdesalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M. Soffers, ambtenarenrechter, en uitgesproken in raadkamer op 14 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.