Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:80

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
AUA202001529
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toegangsontzegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 21 september 2020

Gaza nr. AUA202001529

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een beslissing bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[verzoekster],

wonend in Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Croes,

gericht tegen:

de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 12 juni 2020 (de bestreden beschikking) heeft de korpschef besloten om de aan verzoekster bij beschikking van 2 mei 2020 gegeven toegangsontzegging tot het Korps Politie Aruba (KPA), met ingang van 14 juni 2020 met zes weken te verlengen.

Op 23 juni 2020 heeft verzoekster zich tot het gerecht gewend met het onderhavig verzoek.

De voorzieningenrechter heeft de behandeling van het verzoek op 8 juli 2020 aangehouden in verband met het door verzoekster ingediende wrakingsverzoek.

Op 31 juli 2020 is het wrakingsverzoek afgewezen.

De behandeling van het verzoek is op 7 september 2020 per videoverbinding voortgezet. Verzoekster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

Hierna is de uitspraak bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Het wettelijk kader

1.1

Ingevolge artikel 94 van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

Voor honorering van het verzoek is vereist dat een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beschikking in bezwaar niet in stand zal blijven, en dat verzoekster een zodanig spoedeisend belang heeft dat niet van hem kan worden gevergd dat hij de beslissing in de bodemzaak afwacht.

1.2

Ingevolge artikel 48 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) kan aan een ambtenaar door of namens de betrokken minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.

Een toegangsontzegging met toepassing van artikel 48 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht is een voorlopige ordemaatregel. De beschikking waarmee deze ordemaatregel is aangezegd dient te bevatten, de juridische grondslag, de precieze reden, het tijdstip van inwerkingtreding en de te verwachten duur van de ordemaatregel.

Een toegangsontzegging dient in de regel niet langer te duren dan de tijd die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze aan het bevoegde gezag moet worden gelaten om nadere beslissingen te nemen over de rechtspositie van de ambtenaar. Deze termijn is in de jurisprudentie bepaald op zes weken, met de mogelijkheid tot verlening ervan.

De feiten

2.1

Verzoekster is politieambtenaar werkzaam in de functie van chef van dienst bij het district Oranjestad.

2.2

Bij beschikking van 2 mei 2020 heeft de wnd. korpschef besloten om verzoekster per direct de toegang te ontzeggen tot alle dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen, voer- en vaartuigen van het KPA voor de duur van zes weken. De wnd. korpschef schrijft onder meer:

“(…)

De toegangsontzegging vindt plaats in belang van het disciplinaire onderzoek/procedure dat tegen uw persoon is ingesteld. Het disciplinaire onderzoek tegen uw persoon is opgestart wegens het door u verweten gedragingen welke als plichtverzuim te kwalificeren zijn. (…).

Naar aanleiding van het rapport opgemaakt door de leiding van de District 1 Oranjestad kan voor zover over Uw gedragingen het volgende worden weergegeven:

“Op het adres [xxx] bij de “[X] Villas” werd een groep politie ambtenaren aangetroffen en die kennelijk allen betrokken/aanwezig waren bij een sociale aangelegenheid van een feestelijke aard. Het bleek dat er vermoedelijk een gehele ploeg aldaar aanwezig was. Iedereen ter plaatse had zich ziek gemeld voor de dagdienst van 30 april 2020. Zij hadden zich ziek gemeld op verschillende tijdstippen en werden hierna door de leiding van District 1 op heterdaad betrapt bij die sociale aangelegenheid. Dit laat kennelijk blijken dat de ziekte melding met opzet werd gedaan. Als politie ambtenaar zijnde wordt van jou verwacht dat je een hoge mate van integriteit en betrouwbaarheid moet hebben en vooral in deze periode van crisis Covid-19. In het kader van deze tijden van crisis wordt momenteel een Ministeriële regeling gehanteerd op grond van de Calamiteiten verordening. Voorts behoeft het geen diepgaande uitleg dat de politie momenteel een nog grotere rol speelt in het waarborgen van de Volksgezondheid, Veiligheid en alle ander facetten die hieruit voortvloeien. Derhalve is het toekomstige lot van de bevolking in zekere mate afhankelijk van hoe daadkrachtig het Arubaanse politieapparaat haar werk verricht. Het collectief handelen door de betrokken personen in deze, doet niet alleen maar aanzienlijke (imago) afbreuk aan al het goede werk dat het K.P.A. in deze uitzonderlijke tijden wel verricht, maar valt ook als een zeer negatief voorbeeld aan de collega’s in dienst te beschouwen, al dan niet betrokken bij dit incident.”

(…)”.

2.3

In het rapport van 30 april 2020 hebben verbalisanten [A], [B], [C] en [D] gerelateerd dat zij op 30 april 2020 om 01:35 bij [X] Villas verzoekster en vier collega’s hebben aangetroffen. Op de tafel zagen verbalisanten enkele flessen met alcoholische dranken en blikken cola staan.

2.4

Bij uitspraak van dit gerecht van 10 juni 2020 (AUA202001245) heeft de voorzieningenrechter een verzoek tot het schorsen van de onder 2.2 genoemde beschikking en om verzoekster wederom tot de werkplek toe te laten, afgewezen.

2.5

Bij bestreden beschikking van 12 juni 2020 heeft de korpschef de onder 2.2 genoemde toegangsontzegging, met ingang van 14 juni 2020, met zes weken verlengd.

De standpunten van partijen

3.1

Verweerder legt aan de bestreden beschikking ten grondslag dat het onderzoek nog niet is afgerond. Verzoekster heeft aangifte gedaan tegen haar directe leidinggevenden. Het is thans ongewenst dat verzoekster voorlopig haar werkzaamheden hervat om de orde en rust binnen de dienst te bewaren.

3.2

Verzoekster is het niet eens met verlenging van de toegangsontzegging en stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking is genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De overige betrokkenen zijn wel op de werkplek toegelaten. Het gaat om hetzelfde onderzoek en hetzelfde incident. Dat zij een andere functie bekleedt en dat zij aangifte heeft gedaan tegen politieambtenaren maakt niet dat er sprake is van ongelijke gevallen. Tevens is de verlenging van de toegangsontzegging genomen op andere gronden dan de oorspronkelijke toegangsontzegging. Dit is in strijd met het détournement de pouvoir. Verzoekster wordt als het ware door de korpschef gestraft.

De beoordeling

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de termijn van de toegangsontzegging zoals gegeven in de bestreden beschikking op 24 juli 2020 is verlopen. Voor een schorsing van deze reeds uitgewerkte beschikking is dan ook geen ruimte meer. Op grond hiervan dient het verzoek te worden afgewezen. Aan hetgeen partijen verder hebben aangevoerd, komt de voorzieningenrechter niet toe.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M. Soffers, ambtenarenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Ingevolge het bepaalde in artikel 94, lid 4, Landsverordening ambtenarenrechtspraak staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.