Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:63

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
CUR201904692
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens vertrouwensbreuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[klaagster],

wonende in Curaçao,

klaagster,

gemachtigde: mr. R.C. Luttikhuizen, advocaat,

tegen

de Regering van Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. P. Tweeboom, advocaat.

Procesverloop

Bij landsbesluit van 29 oktober 2019, door klaagster ontvangen op 22 november 2019, heeft verweerster klaagster met ingang van 1 november 2019 ontslagen (het ontslagbesluit).

Op 18 december 2019 heeft klaagster daartegen bezwaar gemaakt (het bezwaar).

Verweerster heeft een contramemorie ingediend.

Op 15 juli 2020 hebben partijen aanvullende producties ingediend.

Op 20 juli 2020 heeft verweerster producties via e-mail ingediend.

De openbare behandeling van het bezwaar heeft op 22 juli 2020 plaatsgevonden. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerster werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Overwegingen

Producties 20 juli 2020

1. De producties die verweerster op 20 juli 2020 om 16:44 uur aan de griffie van het Gerecht heeft gemaild betreft een vijfentachtig pagina’s tellende stapel documenten die volgens verweerster in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen klaagster zijn opgesteld door de Landsrecherche Curaçao. Klaagster heeft het Gerecht verzocht geen kennis te nemen van deze producties, omdat zij buiten de door de RAr voorgeschreven termijn zijn ingediend en zij onvoldoende tijd heeft gehad om deze te bestuderen. Het Gerecht heeft ter zitting beslist dat deze producties buiten beschouwing zullen worden gelaten en heeft daartoe overwogen dat gelet op de omvang daarvan en het feit dat zij rijkelijk te laat zijn ingediend, toevoeging daarvan aan het dossier in strijd zou zijn met de regels van een goede procesorde.

Bevoegdheid van het Gerecht

2. Op grond van artikel 5, derde lid en onder f, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) kan – voor zover hier relevant – aanstelling in tijdelijke dienst slechts plaats hebben voor een proeftijd van niet langer dan een jaar.

3. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (vgl. ECLI:NL:ORBAACM:2017:8) kan bij het ontbreken van een op grond van de LMA daartoe vereist aanstellingsbesluit slechts onder bijzondere omstandigheden toch een aanstelling als ambtenaar tot stand worden geacht te zijn gekomen. Daarvoor dient betrokkene in ieder geval aannemelijk te maken dat het evident de bedoeling was van het bevoegde gezag om de aanstelling tot stand te brengen of dat hij heeft mogen begrijpen dat zijn aanstelling feitelijk heeft plaatsgevonden.

4. Verweerster heeft klaagster bij landsbesluit van 13 juli 2015 met ingang van 15 juni 2015 en voor een proeftijd van een jaar met toepassing van artikel 5, derde lid en onder f, van de LMA benoemd in tijdelijke dienst als Directeur bij de Toelatingsorganisatie. Vast staat dat daarna geen landsbesluit is geslagen waarbij klaagster in vaste dienst is benoemd. Voorts staat vast dat in de periode vanaf 15 juni 2016 tot 1 november 2019 verweerster het volledige loon van klaagster aan haar heeft uitbetaald. In het ontslagvoornemen van 13 augustus 2019 (het ontslagvoornemen) heeft verweerster vermeld dat klaagster per 15 juni 2015 definitief als Directeur bij de Toelatingsorganisatie is aangesteld en heeft zij voorts vermeld: “Dezerzijds bestaat er dan ook geen vertrouwen meer in haar persoon om betrokkene te handhaven als directeur TO in het bijzonder evenmin als ambtenaar in het algemeen:”. Ook in het ontslagbesluit heeft verweerster vermeld dat klaagster per 15 juni 2015 definitief als Directeur bij de Toelatingsorganisatie is aangesteld en voorts dat zij per 1 november 2019 uit de functie van Directeur bij de Toelatingsorganisatie wordt ontslagen. In het licht hiervan kan het Gerecht de stelling van verweerster dat klaagster geen ambtenaar is en dat de vermelding in het ontslagvoornemen dat klaagster per 15 juni 2015 definitief als Directeur bij de Toelatingsorganisatie is aangesteld een omissie is, niet volgen. Zoals klaagster terecht heeft gesteld kan uit het voorgaande juist worden afgeleid dat het evident de bedoeling van het bevoegde gezag was om haar aanstelling tot stand te brengen, althans heeft zij in redelijkheid mogen begrijpen dat haar aanstelling feitelijk heeft plaatsgevonden. Om die reden slaagt het verweer dat klaagster geen ambtenaar is niet en acht het Gerecht zich dan ook bevoegd om van het bezwaar kennis te nemen.

Het ontslagbesluit

5. Aan klaagster is per 14 juli 2017 vanwege een tegen haar opgestarte strafrechtelijk onderzoek de toegang tot haar werkplek ontzegd. Bij landsbesluit van 25 juli 2017 is klaagster uit haar ambt geschorst.

Bij vonnis van 3 december 2018 is klaagster door de strafrechter veroordeeld tot een taakstraf van honderd uur en vervangende hechtenis van vijftig dagen en is zij voor de duur van twee jaar ontzet uit haar ambt (het vonnis).

Bij besluit van 13 augustus 2018 heeft verweerster haar voornemen aan klaagster bekendgemaakt om haar primair eervol te ontslaan wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid en subsidiair eervol ontslag te verlenen op grond van geconstateerde vertrouwensbreuk die aan haar behoorlijk functioneren en/of aan het behoorlijk functioneren van de dienst in de weg staat en klaagster in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren tegen dit voornemen schriftelijk kenbaar te maken. Klaagster heeft verweer gevoerd. Hierna is het ontslagbesluit aan klaagster uitgereikt.

6. Verweerster heeft, samengevat weergegeven, het volgende aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegd. Klaagster heeft haar kennis, ervaring en bevoegdheid om dienst te verlenen aan klanten van de Toelatingsorganisatie misbruikt. Klaagster heeft feitelijk haar bevoegdheden en invloed binnen de organisatie aangewend om een vriendendienst te verlenen of om er zelf (zakelijk) voordeel bij te hebben. Klaagster heeft door haar handelingen het aanzien van de overheid en het ambt van Directeur bij de Toelatingsorganisatie op ernstige wijze beschadigd en in een kwaad licht gebracht. Klaagster heeft in strijd gehandeld met artikel 45, eerste lid en artikel 88 van de LMA en zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. De gedragingen van klaagster hebben ernstige twijfels doen ontstaan over haar betrouwbaarheid en integriteit waardoor geen vertrouwen in haar persoon bestaat om haar als Directeur bij de Toelatingsorganisatie en in het bijzonder als ambtenaar te handhaven, aldus nog steeds verweerster.

7. Volgens vaste rechtspraak (vgl. ECLI:NL:CRVB:2016:3254) moet het bestuursorgaan de ongeschiktheid voor het vervullen van een functie - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn - aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

8. Naar het oordeel van het Gerecht heeft verweerster door in het ontslagbesluit alleen te verwijzen naar bepaalde delen van het vonnis en verontwaardiging uit te spreken over de proceshouding van klaagster (“dat het meest treurige in deze zaak is dat betrokkene, vanaf het begin af aan tot aan het laatste woord tot in detail en met uitvoerige aanvoering van documentatie, de feiten heeft ontkend”) onvoldoende duidelijk gemaakt op grond van welke concrete gedragingen zij tot de conclusie is gekomen dat klaagster niet beschikt over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling voor het op goede wijze vervullen van haar functie. Het had op de weg van verweerster gelegen om een zelfstandig onderzoek uit te voeren en aan de hand daarvan te concluderen of klaagster al dan niet geschikt is voor het vervullen van haar functie. Dat een dergelijk onderzoek is uitgevoerd is niet aannemelijk geworden. Dat het verweerster vrij stond om bij dat onderzoek documentatie uit het strafdossier te betrekken, bijvoorbeeld op ambtseed opgemaakte processen verbaal, betekent niet dat verweerster ter motivering van het ontslagbesluit mocht volstaan met een enkele verwijzing naar die stukken of het oordeel van de strafrechter. Overigens is het vonnis nog niet onherroepelijk en is het dan ook niet uitgesloten dat klaagster in hoger beroep alsnog wordt vrijgesproken. Het ontslagbesluit is aldus niet van een draagkrachtige motivering voorzien. Het bezwaar is daarom gegrond en het ontslagbesluit zal worden vernietigd.

9. Het Gerecht zal thans bezien of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het ontslagbesluit in stand te laten nu vertrouwensbreuk ook een van de ontslaggronden is.

10. Het Gerecht stelt voorop dat het vertrouwen tussen de Directeur Toelatingsorganisatie en de minister van Justitie (de minister) een absolute noodzaak is voor een goede onderlinge samenwerking en verloop van zaken. Bedoelde functie is de hoogste functie binnen de Toelatingsorganisatie, de organisatie die belast is met het uitvoeren van de vreemdelingenwet- en regelgeving. De Directeur geeft leiding aan die organisatie, adviseert de minister over het door hem te voeren vreemdelingenbeleid en neemt onder mandaat van de minister ook bepaalde beslissingen over toelating van vreemdelingen. De minister moet daarom onbegrensd in de Directeur Toelatingsorganisatie kunnen vertrouwen.

11. Niet in geschil is dat de strafrechter bewezen heeft verklaard dat klaagster in het kader van de uitoefening van haar functie de volgende strafbare feiten heeft gepleegd:

  • -

    medeplegen van als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen teneinde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd;

  • -

    anders dan door valsheid in geschrifte, opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken aan degene door wie of door wens tussenkomst enige verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet dat de verstrekte gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd en

  • -

    in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd;

  • -

    medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd.

11.1

Hoewel klaagster hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis en het dus niet onherroepelijk is geworden, kan, in het licht van de omstandigheid dat de strafrechter voormelde strafbare feiten bewezen heeft geacht, niet worden geoordeeld dat verweerster zich naar aanleiding van die strafrechtelijke veroordeling in redelijkheid niet op het standpunt mocht stellen dat sprake is van een vertrouwensbreuk die de voortduring van het dienstverband van klaagster in de weg zal staan. Immers, zelfs als die veroordeling geen stand houdt in hoger beroep kan daaruit wel worden afgeleid dat klaagster haar functie op een zodanige manier heeft uitgeoefend dat zij in ieder geval een redelijk vermoeden van strafbaar handelen over zich heeft afgeroepen. Daarom is het niet onbegrijpelijk dat bij de minister en in het verlengde daarvan ook bij verweerster is komen te ontbreken aan het noodzakelijke vertrouwen in klaagster. Gelet daarop mocht verweerster in redelijkheid tot het oordeel komen dat sprake is van een vertrouwensbreuk tussen haar en klaagster die haar behoorlijk functioneren en/of het behoorlijk functioneren van de dienst in de weg zal staan.

12. De slotsom is dat de rechtsgevolgen van het ontslagbesluit in stand kunnen blijven.

13. Nu klaagster voor het merendeel in het ongelijk is gesteld, ziet het Gerecht geen aanleiding om verweerster te veroordelen in de door klaagster gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt het ontslagbesluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde ontslagbesluit in stand zullen blijven.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAr.