Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:51

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
AUA201903375
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(over)plaatsing in een andere functie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 29 juni 2020

Gaza nr. AUA201903375

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar als bedoeld in

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak van:

[Klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

procederend in persoon,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER.

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 6 september 2019 (het bestreden landsbesluit) heeft verweerder besloten om de plaatsingsverzoeken van klager af te wijzen.

Tegen het bestreden landsbesluit heeft klager op 1 oktober 2019 bezwaar gemaakt.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2020. Klager is in persoon verschenen. Verweerder is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1

Klager is ambtenaar werkzaam bij Dienst Landmeetkunde en Vastgoedregistratie (DLV).

1.2

Bij brief van 3 september 2015 heeft klager bij de minister van Infrastructuur, Ruimtelijke Ontwikkeling en Integratie gesolliciteerd naar de vacature hypotheekbewaarder bij de DLV.

1.3

Bij brief van 14 augustus 2018 heeft klager bij de minister van Infrastructuur, Ruimtelijke Ontwikkeling en Integratie wederom gesolliciteerd naar de vacature hypotheekbewaarder bij de DLV.

1.4

Bij brief van 25 september 2018 heeft klager bij Departamento Recurso Humano (DRH) gesolliciteerd naar een functie als jurist.

1.5

Bij brief van 10 oktober 2018 heeft klager bij de minister van Infrastructuur, Ruimtelijke Ontwikkeling en Integratie wederom gesolliciteerd naar de vacature hypotheekbewaarder bij de DLV.

1.6

Bij brief van 8 april 2019 heeft klager bij de minister van Infrastructuur, Ruimtelijke Ontwikkeling en Integratie gerappelleerd inzake zijn sollicitatie naar de functie van hypotheekbewaarder.

1.7

Bij bestreden landsbesluit van 6 september 2019 heeft verweerder besloten om de plaatsingsverzoeken van 14 augustus 2018, 25 september 2018 en 8 april 2019 van klager in de functie van hypotheekbewaarder, af te wijzen.

De standpunten van partijen

2.1

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de DLV gaat reorganiseren en verzelfstandigen en dat het niet verstandig is om klager intern over te plaatsen naar de afdeling Hypotheekkantoor.

2.2

Klager voert aan dat het bestreden landsbesluit is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat hij geen antwoord heeft gekregen op zijn verzoek van 3 september 2015. Ook voert klager aan dat het bestreden landsbesluit is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel omdat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig is omdat verweerder willens en wetens zijn eerste verzoek niet heeft meegenomen in het bestreden landsbesluit. Als laatste voert klager aan dat het bestreden landsbesluit is genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel omdat verweerder, via de coördinator van de minister, op 10 oktober 2018 het vertrouwen heeft gewekt dat de plaatsing gerealiseerd zal worden. Klager meent dat het bestreden landsbesluit zijn carrièrelijn ernstig schaadt en verzoekt alsnog in de functie geplaatst te worden of aan hem een schadevergoeding te doen toekomen in verband met gederfde inkomensverhogingen.

Het wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bezoldigingsregeling Aruba (BRA) zijn in de bij dit landsbesluit behorende bijlage B de benoemings- en bevorderingseisen voor verschillende betrekkingen opgenomen.

Ingevolge het tweede artikel dient de betrokkene om in aanmerking te kunnen komen voor een benoeming tot ambtenaar, voor een bevordering of voor overgang naar een andere betrekking aan, de in het eerste lid voor de desbetreffende betrekking bedoelde eisen te voldoen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht.

Ingevolge het derde lid kan afwijking van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde eisen geschieden:

a. bij benoeming, indien dringende eisen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken;

b. bij bevordering, indien voorziening in een betrekking in het kader van een organisatie in het dienstbelang noodzakelijk is en uit de door de ambtenaar geleverde prestaties blijkt dat deze voor de vervulling van de desbetreffende betrekking bijzondere geschiktheid en bekwaamheid bezit.

De beoordeling

4.1

Klager wenst hetzij intern hetzij extern overgeplaatst te worden naar een functie met een hogere uitloopschaal. Het gerecht stelt voorop dat een ambtenaar geen recht heeft op een (over)plaatsing in een andere functie. Het bestuursorgaan heeft bij beslissingen in sollicitatieprocedures, zoals hier aan de orde, ruime beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Zij is in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

4.2

Dat het handelen van verweerder (het niet of niet tijdig antwoorden van de verzoeken van klager) niet de schoonheidsprijs verdient, staat buiten kijf. Niettemin leidt dit handelen niet tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel nu klager niet door enkel tijdsverloop aanspraak maakt op een (over)plaatsing in een andere functie.

4.3.

Verweerder heeft in het bestreden landsbesluit gemotiveerd dat het niet raadzaam is klager intern over te plaatsen naar de afdeling Hypotheekkantoor gelet op de reorganisatie en verzelfstandiging van de Dienst Landmeetkunde en Vastgoed registratie. Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder hiermee het bestreden besluit voldoende draagkrachtig gemotiveerd.

4.4

Klager beroept zich verder op het vertrouwensbeginsel. Om een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel te doen moet klager aannemelijk maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de hem redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend.(vergelijk de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694). Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting is gebleken dat een dergelijke uitlating is gedaan. Klager heeft zijn beroep op het vertrouwensbeginsel dan ook niet voldoende toereikend gemotiveerd. Het betoog faalt.

5. Gelet op het vorenstaande is het gerecht van oordeel dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M. Soffers, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 29 juni 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.