Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:50

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
CUR202000843
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag Aspirant Kommies. Geen verbeterkans voor iemand die in opleiding is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[klager],

wonende in Curaçao,

klager,

gemachtigde: mr. T.L.M. Keller, advocaat,

tegen:

de Regering van Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. H.W. Braam, advocaat.

Procesverloop

Bij landsbesluit van 3 februari 2020, door klager ontvangen op 14 februari 2020, is hij met ingang van 15 februari 2020 op grond van artikel 99, eerste lid in samenhang met het vijfde lid, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) ontslagen (het ontslagbesluit).

Klager heeft daartegen bezwaar gemaakt (het bezwaar).

Op 20 april 2020 heeft klager het Gerecht verzocht om een voorziening bij voorraad (CUR20201040) en het bezwaar aangevuld.

Verweerster heeft verweer gevoerd.

Klager heeft aanvullende producties ingediend.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van het Gerecht op 20 mei 2020. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door [RR], werkzaam bij de afdeling Human Resources van de Douane en [SN], analist bij de afdeling Post Inlichtingen en Opsporing Douane (PIOD). Ter zitting heeft klager het verzoek om een voorziening bij voorraad ingetrokken.

Overwegingen

1. Klager is bij landsbesluit van 22 juni 2018 met ingang van 1 november 2017 in tijdelijke dienst benoemd in de functie van Aspirant Kommies en tewerkgesteld bij het Ministerie van Financiën, Douane Curaçao, voor de duur van de opleiding tot Kommies. Die opleiding is op 1 november 2017 aangevangen en is op 1 mei 2020 geëindigd.

Bij brief van 11 juli 2019 heeft de minister van Financiën aan klager bericht dat naar aanleiding van een binnengekomen klacht bij de Douane Curaçao een strafrechtelijk onderzoek tegen hem is ingesteld. De verdenking was dat klager zich schuldig zou hebben gemaakt aan afpersing en ambtsmisdrijven. Klager zou de eigenaar van een restaurant meerdere keren hebben geïntimideerd om gratis eten en drank te krijgen.

Bij brief van dezelfde datum is aan klager de toegang tot alle dienstlokalen van de Douane Curaçao en de dienstlokalen van het Opleidingsinstituut Rechtshandhaving en Veiligheidszorg (ORV) ontzegd (de toegangsontzegging). Bij brief van 16 augustus 2019 is de toegangsontzegging verlengd.

Bij landsbesluit van 3 september 2019 heeft verweerster haar voornemen om klager uit zijn ambt te schorsen aan hem bekend gemaakt.

Bij brief van 11 oktober 2019 heeft het Openbaar Ministerie (het OM) aan het Hoofd van de Douane Curaçao medegedeeld dat mede in verband met de ontoereikende opsporingscapaciteit van de Landsrecherche een disciplinaire afdoening het OM meer aangewezen lijkt dan een strafrechtelijke afdoening.

Bij landsbesluit van 19 november 2019 is klager met ingang van 1 december 2019 op grond van artikel 94 onder c van de LMA in zijn ambt geschorst (het schorsingsbesluit). Tegen het schorsingsbesluit heeft klager bezwaar gemaakt, maar dit vervolgens ingetrokken.

2. Klager ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de aan hem verweten gedragingen en stelt dat hij nooit een slechte beoordeling of waarschuwing heeft gehad en zich altijd heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Klager meent dat de aan hem verweten gedragingen onvoldoende steun vinden in de aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegde verklaringen. Volgens klager is ook het beginsel van hoor en wederhoor en het zorgvuldigheidsbeginsel door verweerster geschonden en is het ontslag disproportioneel. Klager stelt voorts dat verweerster te lang heeft gewacht met het nemen van het ontslagbesluit.

3. Verweerster stelt dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat overtuigend bewijs is vergaard waaruit blijkt dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen. Verweerster onderbouwt haar stelling door diverse processen-verbaal inhoudende getuigenverklaringen over te leggen. Volgens verweerster brengt het feit dat het OM klager om hem moverende redenen niet heeft vervolgd niet met zich dat niet mocht worden overgegaan tot het nemen van passende disciplinaire maatregelen tegen klager, zoals het in deze procedure door klager aangevochten ontslag.

4. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de LMA geschiedt aanstelling in vaste of tijdelijke dienst. Op grond van het derde lid, aanhef en onder d, kan de aanstelling in tijdelijke dienst plaats hebben van personen in opleiding.

Op grond van artikel 99, eerste lid, wordt aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, die blijkens zijn benoeming voor een bepaalde tijd of voor een proeftijd is benoemd, zodra die tijd is verstreken, geacht eervol ontslag te zijn verleend, tenzij het tegendeel blijkt.

5. Het Gerecht dient te beoordelen of verweerster tot de conclusie mocht komen dat klager zich aan een zodanig ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt dat zij in redelijkheid tot het nemen van het ontslagbesluit kon overgaan.

6. In het ambtenarentuchtrecht gaat het niet om strafbare feiten, maar om deugdelijk vastgestelde gegevens en overtuiging ten aanzien van plichtverzuim (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1835). De te beantwoorden vraag is hier dan ook niet of kan worden aangenomen dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan de strafrechtelijke kwalificaties genoemd in de brief van 11 juli 2019, maar of hij verwijtbaar heeft gehandeld op de wijze zoals hem is tegengeworpen en of dat plichtsverzuim oplevert. De verschillende door verweerster overgelegde op ambtseed opgemaakte processen-verbaal bieden de zorgvuldig vastgestelde feitelijke grondslag voor het oordeel dat klager dermate ongepast gedrag heeft vertoond dat verweerster in redelijkheid tot de conclusie mocht komen dat klager ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd en niet over de eigenschappen, mentaliteit en instelling beschikt voor het op een goede wijze vervullen van de functie van douaneambtenaar. De betwisting door klager van de waarachtigheid van de getuigenverklaringen acht het Gerecht niet geloofwaardig. De verklaringen zijn op de relevante punten eenparig en klager is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de persoon namens wie de klacht tegen hem is ingediend of de personen die een voor hem belastende verklaring hebben afgelegd er belang bij hadden om hem te benadelen. De door klager overgelegde schriftelijke verklaring weegt niet op tegen die verklaringen. Derhalve faalt de stelling van klager dat de hem verweten gedragingen onvoldoende steun vinden in de verklaringen die verweerster aan het ontslagbesluit ten grondslag heeft gelegd. Daarom is het Gerecht van oordeel dat verweerster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen.

7. Ook de stelling van klager dat het beginsel van hoor en wederhoor zijn geschonden slaagt niet. Klager is immers op 13 juni 2019 door de afdeling PIOD geconfronteerd met zijn gedragingen. Dat verweerster het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden is onvoldoende gesteld en is gelet op het voorgaande niet aannemelijk geworden.

8. Voor zover klager heeft gesteld dat verweerster disproportioneel heeft gehandeld, omdat het OM niet tot vervolging van klager is overgegaan, overweegt het Gerecht als volgt. Zoals al eerder is overwogen gaat het in het ambtenarentuchtrecht niet om strafbare feiten, maar om plichtsverzuim. Het strafrechtelijk onderzoek staat los van het disciplinaire traject. Dat het OM niet tot vervolging van klager is overgegaan, ontneemt niet aan verweerster de bevoegdheid tot oplegging van een door haar gepast geachte disciplinaire straf. De beslissing van het OM kan klager in deze zaak dan ook niet baten.

9. Indien klager heeft beoogd te stellen dat verweerster zo lang heeft gewacht met het opleggen van een disciplinaire straf waardoor zij in redelijkheid niet meer tot bestraffing mocht overgaan, overweegt het Gerecht als volgt. Verweerster heeft naar aanleiding van de ingediende klacht binnen een periode van minder dan een jaar een beslissing omtrent strafoplegging aan klager kenbaar gemaakt. Mede gelet op de geldende jurisprudentie is hier geen sprake van een onredelijk lange periode. Bovendien geldt het volgende. Aan klager is ingaande 11 juli 2019 de toegang tot alle dienstlokalen van de Douane Curaçao en de dienstlokalen van het ORV ontzegd en is aan hem meegedeeld dat een stafrechtelijk onderzoek tegen hem is ingesteld. Sindsdien heeft klager zijn opleiding tot Kommies, die overigens tot 1 mei 2020 zou duren, niet gevolgd. Verder is klager daarna geschorst. Onder deze omstandigheden diende klager te beseffen dat strafoplegging, waarvan niet uitgesloten ontslag, een reële mogelijkheid was. De stelling dat verweerster door tijdsverloop haar recht tot strafoplegging heeft verspeeld faalt derhalve.

10. De stelling van klager dat hij omtrent zijn gedragingen niet eerder is aangesproken en aan hem geen verbeterkans is geboden, faalt al in het licht van het voorgaande. Verder overweegt het Gerecht als volgt. Nu klager zich al gedurende zijn opleiding op een manier heeft gedragen die blijk geeft van een mentaliteit die hem ongeschikt maakt voor de functie waarvoor hij werd opgeleid, zou een verbeterkans mede in het licht van al het voorgaande niet zinvol zijn en kon klager in redelijkheid niet van verweerster verwachten dat zij hem een verbeterkans zou geven.

11. De slotsom is dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.N. Aswani.

Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAR.