Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:47

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-06-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
Cur201802807
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sollicitatie, bevoegd gezag, doorzendplicht, procesbelang, rechtzekerheidsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[klaagster],

wonende in Curaçao,

klaagster,

gemachtigde: A.V.E. Vilchez,

tegen

de Regering van Curaçao,

verweerster,

gemachtigden: mrs. S.X.T. Hato en A.C. Hoof.

Procesverloop

Bij brief van 5 april 2018 heeft de minister van Justitie (de minister) afwijzend beslist (de afwijzende beschikking) op de sollicitatie van klaagster voor de functie van Adviseur/Consulent E (de functie) bij het ministerie van Justitie (het ministerie).

Bij bezwaarschrift van 9 mei 2018 heeft klaagster daartegen bezwaar gemaakt bij de minister (het administratief beroep).

Bij brief van 6 juni 2018 heeft de minister de afwijzende beschikking gehandhaafd (de bestreden beschikking).

Daartegen heeft klaagster bij dit Gerecht bezwaar gemaakt (het bezwaar) en de bezwaargronden vervolgens aangevuld.

Verweerster heeft een contramemorie ingediend.

De openbare behandeling van de zaak heeft ter zitting van het Gerecht op
10 februari 2020 plaatsgevonden. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. S.X.T. Hato.

Overwegingen

1. Ambtshalve oordeelt het Gerecht dat tegen de afwijzende beschikking geen administratief beroep openstond, maar enkel rechtstreeks bezwaar bij het Gerecht. Het Gerecht overweegt daartoe dat uit vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (vgl. ECLI:NL:ORBAACM:2017:6) volgt dat administratief beroep op grond van artikel 11 van het Bezoldigingsbesluit 1998 immers alleen open staat tegen besluiten waaraan functioneringsbeoordelingen (mede) ten grondslag zijn gelegd. Daarvan is hier geen sprake. De minister was dus niet bevoegd om het administratief beroep in behandeling te nemen. Verder merkt het Gerecht op dat niet de minister, maar verweerster op grond van artikel 4, aanhef en onder a, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) het bevoegde gezag is over landsdienaren.

2. Hoewel de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 niet voorziet in een verplichting daartoe, mag van verweerster worden verwacht dat zij een bezwaarschrift doorzendt naar de bevoegde instantie, in dit geval het Gerecht. Het niet doorzenden van een bezwaarschrift levert strijd op met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het Gerecht zal daarom de bestreden beschikking nietig verklaren en zal de afwijzende beschikking toetsen aan de hand van het administratief beroep. Daarbij zal het Gerecht het bezwaar aanmerken als aanvulling op het administratief beroep.

3. Het Gerecht ziet zich vervolgens voor de vraag of klaagster voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil, nu inmiddels een andere ambtenaar in de functie is benoemd en bij het ministerie geen andere vacatures zijn. Voor het antwoord op deze vraag is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en of het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben (vgl. ECLI:NL:OGAACMB:2018:107). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

4. Klaagster betoogt dat zij vanwege de onrechtmatigheid van de afwijzende beschikking in haar financiële rechtspositie is aangetast en dat zij met deze procedure ook compensatie daarvoor beoogt te krijgen in de vorm van rechttrekking van haar bezoldiging naar schaal 12. Naar het oordeel van het Gerecht heeft klaagster hiermee aannemelijk gemaakt dat zij voldoende belang heeft bij voortzetting van deze procedure.

5. Het Gerecht acht de volgende tussen partijen vaststaande feiten van belang. Klaagster is als Beleidsmedewerker A werkzaam bij de Human Resources Organisatie, ressorterende onder het ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening, in schaal 11. In juni 2017 heeft het ministerie een interne vacature geplaatst voor de functie, die gewaardeerd is op schaal 12. Als functie-eisen vermeldt de vacature onder meer dat de sollicitant dient te beschikken over een academische opleiding aangevuld met drie ervaringsjaren als adviseur/consulent en actuele kennis van de LMA, het Besluit Rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (het BRKPNA) en het Landsbesluit Rechtspositie Kustwacht 2002 (het LRK). Klaagster en nog vier andere kandidaten hebben op deze vacature gesolliciteerd. Na de brievenselectie zijn er twee kandidaten overgebleven, waaronder klaagster. Met de twee overgebleven kandidaten zijn er geen sollicitatiegesprekken gevoerd. In plaats daarvan heeft de selectiecommissie ervoor gekozen om de twee kandidaten een casusopdracht te laten maken. Beide kandidaten hebben die casusopdracht gemaakt. De voorkeur van de selectiecommissie is tenslotte uitgegaan naar de andere kandidaat, wat vervolgens ertoe heeft geleid dat zij in de functie is benoemd. Aan klaagster is bij de afwijzende beschikking medegedeeld dat zij is afgewezen voor de functie, vooral omdat de andere kandidaat meer ervaring heeft met de doelgroep en rechtspositiebesluiten met welke zij belast zal worden bij haar plaatsing bij het ministerie.

6. Het bezwaar richt zich tegen die afwijzing. Klaagster stelt (naar het Gerecht begrijpt) dat de afwijzende beschikking onrechtmatig is dan wel in strijd is met het motiveringsbeginsel en licht dit als volgt toe. De selectiecommissie heeft bij de gevolgde selectieprocedure de daarvoor geldende wetgeving en het selectiebeleid niet nageleefd. Er zijn namelijk (onder meer) geen sollicitatiegesprekken gehouden met de twee overgebleven kandidaten noch hebben zij een assessments moeten ondergaan bij een onafhankelijk bureau. Aan klaagster is nimmer gecommuniceerd dat zal worden afgeweken van de selectieprocedureregels. Daarnaast is het zo dat klaagster een geschiktere kandidaat is voor de functie, nu zij over een hogere opleiding (HBO) beschikt dan de andere kandidaat (MBO) en tevens een bredere relevante werkervaring heeft. Klaagster betwist dat zij naar aanleiding van de casusopdracht een foutief advies heeft opgesteld dan wel dat daaruit blijkt dat zij in mindere mate ervaring heeft met de LMA, het BRKPNA en het LRK. De aan de selectie ten grondslag gelegde beoordelingsresultaten/scoreformulieren zijn ook nimmer met klaagster besproken. Gelet op dit alles moet (i) de afwijzende beschikking nietig worden verklaard, (ii) klaagster alsnog in de functie worden benoemd, of moeten de financiële gevolgen van een dergelijke benoeming op klaagster van toepassing worden verklaard, aldus klaagster.

7. Verweerster brengt het volgende hiertegen in. Bij de selectieprocedure zijn de aanbevelingen opgenomen in de circulaire “Werving en Selectieprocedure” van
2 november 2016 van de Human Resources Organisatie van het ministerie Bestuur, Planning en Dienstverlening gevolgd. De sollicitatiecommissie achtte een sollicitatiegesprek met beide kandidaten echter niet noodzakelijk, omdat beide kandidaten bekend waren bij het ministerie. Uit de door de selectiecommissie gehanteerde scoreformulieren blijkt dat in de strijd voor de functie de andere kandidaat als beste uit de bus is gekomen. Daarbij heeft de selectiecommissie niet alleen gekeken naar de harde functie-eisen, maar naar de totaliteit. De resultaten van de door beide kandidaten gemaakte casusopdracht tonen aan dat de andere kandidaat meer kennis en ervaring heeft met de doelgroep, het BRKPNA en het LRK. Gelet hierop heeft de selectiecommissie terecht geadviseerd om de andere kandidaat voor te dragen en kan de afwijzing van klaagster niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Het bezwaar moet daarom ongegrond worden verklaard, aldus verweerster.

8. Het Gerecht stelt voorop dat de beslissing van het bevoegde gezag in een sollicitatieprocedure het resultaat is van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bevoegde gezag beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Deze toetsing is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat het bevoegde gezag niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen (vgl. ECLI:NL:CRVB:2011:BR1576).

9. Het Gerecht is van oordeel dat verweerster niet althans onvoldoende heeft onderbouwd dat klaagster in de strijd voor de functie het tegen de andere kandidaat heeft afgelegd. Verweerster heeft immers nagelaten om haar stelling dat uit het advies dat klaagster naar aanleiding van de casusopdracht heeft gemaakt blijkt dat zij in mindere mate kennis en ervaring heeft met de doelgroep, het BRKPNA en het LRK met stukken te staven. Het had op haar weg gelegen om dat wel te doen, nu klaagster de juistheid van die stelling ontkent. Dit geldt temeer omdat klaagster op het eerste gezicht een geschiktere kandidaat lijkt te zijn voor de functie, omdat zij over een hogere opleiding beschikt en verweerster niet althans onvoldoende heeft betwist dat klaagster met de door haar verrichte werkzaamheden bij het ministerie (vanaf 2006 tot en met 2012) een bredere relevante werkervaring heeft dan de andere kandidaat, die alleen bij de voormalige centrale politiedienst werkzaam is geweest. Verweerster heeft echter niets overgelegd waaruit blijkt dat de andere kandidaat desondanks als beste uit de sollicitatieprocedure is gekomen. Gelet hierop luidt het oordeel dat de afwijzende beschikking wegens strijdigheid met het motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven en daarom nietig zal worden verklaard.

10. Hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd behoeft in het licht van het voorgaande geen verdere bespreking.

11. Het Gerecht merkt nog ten overvloede op dat het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg staat dat de benoeming van de andere kandidaat ongedaan wordt gemaakt. Dit laat echter onverlet dat indien in een eventuele toekomstige procedure de onrechtmatigheid van de afwijzing van klaagster komt vast te staan, het Gerecht kan bepalen dat verweerster de onrechtmatigheid van die afwijzing dient te compenseren door rechttrekking van haar bezoldiging naar het niveau waarop zij bij benoeming in de functie aanspraak had kunnen maken, zulks met ingang van de datum dat de andere kandidaat in de functie is benoemd (vgl. ECLI:NL:ORBAACM:2017:12).

12. De slotsom is dat het bezwaar gegrond is.

13. Het Gerecht ziet aanleiding om te bepalen dat verweerster klaagster een vergoeding dient te betalen voor de door haar gemaakte proceskosten. Deze stelt het Gerecht naar analogie van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op
NAf 1.400,-, te weten 2 punten à NAf 700,- (1 punt voor het indienen van het bezwaar en 1 punt voor het bijwonen van de zitting).

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

verklaart het bezwaar gegrond;

verklaart de bestreden beschikking nietig;

verklaart de afwijzende beschikking nietig;

veroordeelt verweerster in de kosten van deze procedure, welke worden begroot op een bedrag van NAf 1.400,- aan gemachtigdensalaris.

Aldus gedaan door mr. A.J. Martijn, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAr.