Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:44

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-04-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
AUA201902361
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanhouden inkomen - De vraag of klager opzettelijk en in strijd met zijn verplichtingen heeft nagelaten zijn dienst te verrichten, beantwoordt de rechter bevestigend. De gevolgen van zijn keuze komen dan ook voor zijn rekening en risico. Nu klager niet heeft voldaan aan de sommatie om zich te melden bij het DRH teneinde zijn werkzaamheden aan te vangen, is het gerecht van oordeel dat verweerder terecht kon beslissen om de uitbetaling van de bezoldiging van klager te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 april 2020

Gaza nr. AUA201902361

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[Klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.L. Emerencia,

gericht tegen:

de Minister van Algemene Zaken, Integriteit, Overheidszorg, Innovatie en Energie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij brief van 14 juni 2019 heeft verweerder klager gesommeerd om zich op 17 juni 2019 om 8.30 uur bij het Departamento Recurso Humano (DRH) te melden om aldaar de functie van medewerker Documentatie en Informatie aan te vangen.

Bij brief van 5 juli 2019 bericht verweerder klager dat zijn inkomen zal worden aangehouden totdat klager zich bij de DRH meldt om zijn werkzaamheden aan te vangen.

Op 16 juli 2019 heeft klager tegen beide beslissingen bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2020, alwaar zijn verschenen partijen bij hun gemachtigden voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de brief van 14 juni 2019

1.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

1.2

Klager heeft zijn bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Hij heeft aangevoerd dat de termijn om bezwaar in te dienen eindigt op zondag 14 juli 2019 en dat het bezwaarschrift daarom ook nog op de volgende werkdag kan worden ingediend. Uit de gedingstukken blijkt dat klager zijn bezwaarschrift inderdaad op maandag 15 juli 2019 bij het gerecht (per fax) heeft ingediend. Dit betekent dat klager ontvankelijk is in zijn bezwaar.

De feiten

2.1

Klager is aangesteld als ambtenaar in dienst van het Land. Momenteel bevindt klager zich in de overtolligheidspoel.

2.2

Bij brief van 17 april 2019 heeft verweerder klager opgeroepen om zich op 23 april 2019 bij het DRH te melden voor een intakegesprek inzake het herplaatsingsonderzoek.

2.3

Bij brief van 13 mei 2019 heeft verweerder klager opgeroepen om zich op 14 mei 2019 bij het DRH te melden voor een intakegesprek inzake het herplaatsingsonderzoek.

2.4

Verweerder heeft vervolgens het salaris van klager over de maand mei 2019 aangehouden.

2.5

Bij e-mail van 5 juni 2019 heeft de gemachtigde van klager een medewerker van het DRH bericht dat klager zich in het buitenland bevindt. De gemachtigde heeft tevens aan de medewerker de nodige informatie ten aanzien van klagers retour in actieve dienst verzocht.

2.6

Bij brief van 11 juni 2019 heeft verweerder klager gesommeerd om zich op donderdag 13 juni 2019 om 14.30 uur bij het DRH te melden voor een intakegesprek. Verweerder schrijft onder anderen:

“(…)

Indien u wederom geen gehoor geeft aan deze oproep wordt dit beschouwd als het door u willekeurig verbreken van het dienstverband en wordt u conform artikel 98 lid 1 sub h Landsverordening materieel ambtenarenrecht ontslagen uit overheidsdienst.

(…)”

2.7

Klager heeft zich op 13 juni 2019 bij het DRH gemeld voor het intakegesprek.

2.8

Bij brief van 14 juni 2019 heeft verweerder klager gesommeerd om zich op 17 juni 2019 om 8.30 uur bij het DRH te melden om aldaar de functie van medewerker documentatie en informatie aan te vangen.

2.9

Bij schrijven van 14 juni 2019 verzoekt klager onder anderen om aanspraak te maken op onbetaald verlof, tot het moment dat hij op grond van de VUT-regeling uit dienst kan treden.

2.10

Bij brief van 5 juli 2019 heeft verweerder klager bericht dat zijn inkomen zal worden aangehouden totdat klager zich bij de DRH meldt om zijn werkzaamheden aan te vangen. Verweerder schrijft onder meer:

“(…)

Nadien bent u op 17 juni 2019 ’s ochtends ten kantore van het Departamento Recurso Humano verschenen. U bent op dat moment met een HRM-adviseur in gesprek gegaan. In dit gesprek heeft u aangegeven dat u eigenlijk bij het Departamento Recurso Humano bent gekomen om na te gaan indien het Departamento Recurso Humano al een reactie hebben op uw schrijven van 14 juni 2019 die u via BID heeft ingediend. Zij opgemerkt dat onderhavig departement pas op zaterdag 15 juni 2019 uw brief per mail heeft ontvangen. U heeft dus verwacht dat het Land reeds op maandag om 7.30 a.m. al een reactie heeft op uw schrijven van afgelopen vrijdag.

De HRM-adviseur heeft u vervolgens drie keer gevraagd om naar archief te gaan om uw werkzaamheden aan te vangen. U heeft echter alle drie keren geweigerd om op die dag te beginnen. U bent dus op die dag gekomen om de stand van zaken van uw brief na te gaan en dus niet om zich te melden voor een aanvang van de werkzaamheden.

(…)

U heeft middels uw advocaat aangegeven dat u de opgedragen betrekking zal aanvaarden. Persoonlijk heeft u aangegeven dat u in afwachting blijft van een beslissing van de minister alvorens uw werkzaamheden te hervatten. Sinds 17 april 2019 is getracht u op te roepen. Er zijn reeds twee maanden voorbijgegaan tussen de eerste oproeping en de aanvangsdatum. Dat u niet heeft gereageerd op de eerste brief is aan u te wijten. U heeft dus eenzijdig besloten om niet te komen werken omdat u in afwachting blijft van een beslissing van het Land omtrent uw verzoek. Door dit te doen heeft u geweigerd om een op u opgedragen instructie te volgen en wordt dit gezien als plichtsverzuim. Gelet hierop zal uw inkomen aangehouden blijven totdat uw zich bij Departamento Recurso Humano meldt om uw werkzaamheden aan te vangen.

VUT

Het Land is van plan om dit jaar de VUT nog een keer te openen. Indien dit het geval is, kan u pas op dat moment uw aanvraag indienen om in aanmerking te komen voor de VUT. U dient zich wel met de meeste spoed (de eerstvolgende dag ná dagtekening van deze brief) bij het Departamento Recurso Humano te melden om met uw werk te beginnen, anders wordt aangenomen dat u eenzijdig uw dienstverband heeft beëindigd. (…)”

De beoordeling

Ten aanzien van de brief van 14 juni 2019

3.1

Bij de bestreden beslissing nr. 1 van 14 juni 2019 heeft verweerder - kort samengevat - aan klager bericht dat hij reeds meerdere malen is gesommeerd om zich bij het DRH te melden en dat indien klager wederom geen gehoor geeft aan deze oproep dat dit wordt beschouwd als het door klager willekeurig verbreken van het dienstverband en wordt klager conform artikel 98, eerste lid, aanhef en onder h, van de Lma ontslagen uit overheidsdienst.

3.2

In artikel 35, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) is - kort gezegd - bepaald dat een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), die ten aanzien van een ambtenaar zijn genomen, verricht of uitgesproken. Naar het oordeel van het gerecht kan de mededeling van verweerder aan klager van 14 juni 2019 niet worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beslissing of handeling, als bedoeld in artikel 35, eerste lid van de La, maar gaat het hier om een mededeling naar aanleiding van de eerder aan klager verzonden brieven van 17 april 2019, 13 mei 2019 en 11 juni 2019 aan klager inzake de herplaatsing van non-actieven en waarbij klager werd gesommeerd om zich te melden bij het DRH. Tegen de brief van 14 juni 2019 staat derhalve geen bezwaar bij de ambtenarenrechter open. Het bezwaar van klager zal dan ook, voor zover het gericht is tegen het schrijven van verweerder van 14 juni 2019, niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van de brief van 5 juli 2019

4.1

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Lma ontvangt de ambtenaar over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging.

4.2

Niet in geschil is dat klager de hem aangeboden functie van medewerker Documentatie en Informatie bij het DRH heeft aanvaard (zie 2.9). Ook niet in geschil is dat klager zich op 17 juni 2019 bij het DRH heeft gemeld, maar niet om zijn werkzaamheden aan te vangen (zie 2.10). Het gerecht oordeelt dat zich hiermee de situatie voordoet, als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Lma, dat klager opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten. Klager stelt dat er desondanks redenen zijn waarom verweerder niet tot aanhouding van zijn salaris kon overgaan. Het gerecht zal het aangevoerde hieronder bespreken.

4.3

Niet in geschil is dat verweerder klager bij brieven van 17 april 2019, 13 mei 2019 en 11 juni 2019 heeft gesommeerd om zich bij het DRH te melden teneinde zijn werkzaamheden aan te vangen. Klager heeft hieraan geen gevolg gegeven. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 14 juni 2019 klager nogmaals gesommeerd om zich te melden bij het DRH op 17 juni 2019 om 8:30 uur en klager daarbij te kennen gegeven dat het niet voldoen aan deze sommatie zal worden beschouwd als het willekeurig verbreken van het dienstverband. Klager heeft zich op 17 juni 2019 bij het DRH gemeld, maar niet om zijn werkzaamheden aan te vangen. Klager heeft zich evenmin ziekgemeld of vakantie opgevraagd. Dat klager vanwege een andere geldige reden niet aan de sommatie(s) heeft voldaan, is naar het oordeel van het gerecht niet gebleken. Klager’s betoog dat hij zijn werkzaamheden niet kon aanvangen, daar zijn echtgenote ernstig ziek is, wat daar ook van zij, kan hem niet baten. Klager kan niet naar eigen inzicht verkiezen zich niet te melden dan ook zijn werkzaamheden niet aan te vangen. Voor zijn eenzijdige beslissing om niet te verschijnen bestaat dan ook geen enkele rechtvaardiging. Voorts is uit de stukken noch het verhandelde ter zitting van enige toestemming van het bevoegd gezag gebleken, waaruit klager mocht concluderen dat hij, in afwachting van de beslissing op zijn verzoek om bijzondere vrijstelling van dienst tot aan de VUT, thuis mocht blijven.

4.4

Uit de formulering van artikel 17, tweede lid, van de Lma, blijkt dat indien sprake is van “het in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaten dienst te verrichten”, de bevoegdheid ontstaat om op het inkomen van een ambtenaar in te houden. De vraag of klager opzettelijk en in strijd met zijn verplichtingen heeft nagelaten zijn dienst te verrichten, beantwoordt de rechter, gelet op het vorenstaande, dan ook bevestigend. De gevolgen van zijn keuze komen dan ook voor zijn rekening en risico. Nu klager niet heeft voldaan aan de sommatie om zich te melden bij het DRH teneinde zijn werkzaamheden aan te vangen, is het gerecht van oordeel dat verweerder terecht kon beslissen om de uitbetaling van de bezoldiging van klager te staken.

4.5

Beslist wordt als volgt.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gericht tegen de brief van 14 juni 2019 niet-ontvankelijk;

- verklaart het bezwaar gericht tegen de brief van 5 juli 2019 ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M. Soffers, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.