Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:40

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-04-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
AUA201901352
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Lar - Uit de stukken is niet gebleken dat appellant een bezwaarschrift heeft ingediend bij de Minister van Justitie door tussenkomst van het KPA en/of de DIMAS. Het enkel overleggen van een kopie van een bezwaarschrift met een stempel van de Bezwaaradviescommissie LAR is onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat er daadwerkelijk een bezwaarschrift bij verweerder is ingediend. Daarbij overweegt het gerecht dat op de Bezwaaradviescommissie LAR geen doorzendplicht rust reeds nu deze commissie geen bestuursorgaan is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 april 2020

Lar nr. AUA201901352

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Appellant],

van Dominicaanse nationaliteit,

APPELLANT,

gemachtigde: drs. M.L. Hassell,

gericht tegen:

de minister van Justitie, Veiligheid, en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER.

PROCESVERLOOP

Bij bevelschrift van 10 november 2018 (bestreden beschikking) heeft verweerder de verwijdering van appellant bevolen. Daarbij is tevens aan appellant een periode van niet toelating opgelegd van zesendertig maanden.

Tegen de verwijdering alsmede de periode van niet toelating heeft appellant op 10 december 2018 een bezwaarschrift ingediend bij de Bezwaaradviescommissie van de Lar.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft appellant op 24 april 2019 beroep ingesteld bij dit gerecht.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 25 november 2019, waar appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder is, hoewel goed opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Het wettelijk kader

1.1

Op grond van artikel 10 van de Lar wordt een verzoek (tot heroverweging) aanhangig gemaakt door indiening van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat de beschikking heeft gegeven of, indien de beschikking zulks vermeldt, bij de daarbij aangegeven dienst of instelling.

1.2

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Lar, neemt het bestuursorgaan de beslissing op het bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van die termijn.

1.3

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Lar kan degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een op een bezwaarschrift genomen beslissing als bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, 14, tweede lid, of 20, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.

Ingevolge het tweede lid wordt het uitblijven van een beslissing op een bezwaarschrift binnen de in artikel 20, eerste lid, bedoelde termijn, gelijkgesteld met een afwijzende beslissing.

De feiten

2.1

Appellant heeft tot 17 juni 2015 een geldige vergunning tot tijdelijk verblijf gehad.

2.2

Bij onderscheiden bevelschriften van 10 november 2018 heeft verweerder de verwijdering en de inbewaringstelling van appellant bevolen. De verwijdering is niet uitgevoerd en verweerder heeft aan verzoeker een meldplicht opgelegd.

2.3

Bij onderscheiden bevelschriften van 4 juni 2019 heeft verweerder de verwijdering en de inbewaringstelling van appellant bevolen. De rechter-commissaris heeft de bewaring onrechtmatig geacht en verweerder heeft aan verzoeker een meldplicht opgelegd.

2.4

Bij onderscheiden bevelschriften van 8 juli 2019 heeft verweerder de verwijdering en de inbewaringstelling van appellant bevolen. Op 10 juli 2019 heeft de rechter-commissaris de bewaring rechtmatig geacht. Bij uitspraak van dit gerecht van 28 augustus 2019 (AUA201902560) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van appellant om schorsing van het bevelschrift tot verwijdering, afgewezen en daarbij het volgende overwogen:

“5. Vast staat dat verzoeker sinds 17 juni 2015 zonder geldige verblijfstitel in Aruba verblijft, zodat verweerder op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ltu bevoegd is verzoeker uit te zetten.

6. De voorzieningenrechter ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het geven van een bevel tot uitzetting. Daartoe wordt als volgt overwogen.

7. Zoals hiervoor onder 5 is overwogen, verblijft verzoeker sinds 17 juni 2015 zonder geldige verblijfstitel in Aruba. Het belang van het Land om de wet- en regelgeving met betrekking tot toelating van vreemdelingen strikt te handhaven weegt in dit geval zwaarder dan het belang van verzoeker om na ruim vier jaar zijn verblijf zonder geldige verblijfstitel in Aruba voort te zetten, in afwachting van een beschikking op een nieuw verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf. (…)”

2.5

Bij het bestreden bevelschrift van 10 november 2019 heeft verweerder de verwijdering van appellant bevolen.

2.6

Appellant is inmiddels uit Aruba verwijderd.

Standpunten van partijen

3.1

Appellant kan zich niet verenigen met het uitblijven van een reële beslissing op zijn bezwaar en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld, dat de (fictief afwijzende) beslissing waartegen bezwaar kennelijk niet in stand kan blijven. In zijn bezwaarschriften heeft appellant betoogd dat nu appellant bezwaar heeft ingesteld tegen de afwijzende beslissing van 18 mei 2017 op zijn vergunningsaanvraag van 22 november 2016, en op dat bezwaar nog niet is beslist, niet kan worden uitgesloten dat aan appellant alsnog met terugwerkende kracht de gevraagde vergunning kan worden verleend, zodat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de uitzetting van appellant te bevelen.

3.2

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellant tijdens een controle door de daartoe bevoegde ambtenaren werkend is aangetroffen als metselaar bij een gebouw in aanbouw, terwijl hij vanaf 18 juni 2015 zonder geldige verblijfstitel in Aruba verblijft en ook geen toestemming heeft om te werken, en dat zijn illegaal verblijf door verweerder noch het Land behoeft te worden gedoogd te meer nu het Land er groot belang bij heeft dat het vreemdelingenrecht ook daadwerkelijk wordt gehandhaafd.

Ontvankelijkheid

4.1

Het gerecht overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 10 van de Lar moet een bezwaarschrift worden ingediend bij het bestuursorgaan die de beschikking heeft gegeven of bij de in die beschikking aangegeven dienst of instelling.

De rechtsmiddelenclausule van de bestreden beschikking vermeldt dat het bezwaarschrift ingediend dient te worden bij de Minister van Justitie, door tussenkomst van de Hoofdinspecteur belast met de leiding van de Afdeling Vreemdelingentoezicht, Korps Politie Aruba, en dat een kopie van het bezwaar aan het secretariaat van de Bezwaaradviescommissie van de Lar wordt gezonden. Ingeval het bezwaar is gericht tegen de opgelegde periode van niet toelating, dient het bezwaarschrift te worden gericht aan en ingediend bij de Minister van Justitie door tussenkomst van de Directeur van de Departamento di Integracion Maneho i Admision di Stranheronan “DIMAS”.

4.2

Uit de stukken is niet gebleken dat appellant een bezwaarschrift heeft ingediend bij de Minister van Justitie door tussenkomst van het KPA en/of de DIMAS. Het enkel overleggen van een kopie van een bezwaarschrift met een stempel van de Bezwaaradviescommissie LAR is onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat er daadwerkelijk een bezwaarschrift bij verweerder is ingediend. Daarbij overweegt het gerecht dat op de Bezwaaradviescommissie LAR geen doorzendplicht rust reeds nu deze commissie geen bestuursorgaan is.

4.3

Nu de in artikel 23, tweede lid, van de Lar (zie 1.3) omschreven situatie zich niet voordoet, is het beroep niet-ontvankelijk.

5. Het gerecht overweegt ten overvloede nog het volgende.

5.1

Zelfs indien moet worden aangenomen dat appellant wel bezwaar heeft gemaakt tegen de bestreden beschikking, heeft hij wat betreft de uitzetting geen belang meer bij onderhavige procedure nu op grond van het verhandelde ter zitting is gebleken dat de uitzetting inmiddels ten uitvoer is gelegd en dat appellant zich niet meer in Aruba bevindt. Zijn beroep voor zover gericht tegen de reeds uitgevoerde uitzetting is dan ook niet-ontvankelijk.

5.2

Wat betreft de opgelegde periode van niet toelating, geldt dat appellant niet althans onvoldoende heeft onderbouwd dat in zijn geval het beleid met betrekking tot de op te leggen periodes van niet toelating, niet mag worden toegepast. Het eerst ter zitting aanvoeren van gronden is in strijd met de goede procesorde, zodat aan hetgeen appellant ter zitting heeft aangevoerd voorbij zal worden gegaan.

5.3

Uit het beleid met betrekking tot de op te leggen periodes van niet toelating volgt, dat bij illegaal verblijf van 25 tot 30 maanden, een periode van niet toelating van 36 maanden kan worden opgelegd, bij illegaal verblijf van 31 tot 36 maanden een periode van niet toelating van 42 maanden kan worden opgelegd, en bij illegaal verblijf van 37 tot 42 maanden een periode van niet toelating van 48 maanden kan worden opgelegd. Aan appellant, die in november 2018 reeds ruim 40 maanden illegaal in Aruba verbleef, is een periode van niet toelating van 36 maanden opgelegd, hetgeen 12 maanden korter is dan de periode die had kunnen worden opgelegd. Hieruit blijkt naar het oordeel van het gerecht genoegzaam dat verweerder bij het opleggen van de periode van niet toelating voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke belangen van appellant. Voor een verdere inkorting van bedoelde periode ziet het gerecht geen aanleiding.

Zijn beroep voor zover gericht tegen de periode van niet toelating zou, indien hij bezwaar had gemaakt, ongegrond worden verklaard.

6. Voor veroordeling van verweerder in de kosten van de procedure op grond van artikel 52, tweede lid, van de Lar, dan wel teruggave van het griffierecht bestaat geen grondslag.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 april 2020, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de dag van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.