Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:24

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
AUA201902444
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens het willekeurig verbreken van het dienstverband - Nu klaagster niet heeft voldaan aan de dienstopdrachten om zich te melden teneinde haar werkzaamheden aan te vangen, is het gerecht van oordeel dat verweerder terecht heeft geconstateerd dat klaagster haar dienstverband willekeurig heeft verbroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 16 maart 2020

Gaza nr. AUA201902444

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[Klaagster],

wonend in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. E. Duijneveld,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 18 juni 2019 (de bestreden beschikking) heeft verweerder aan klaagster met ingang van 3 mei 2019 eervol ontslag uit de dienst verleend wegens het willekeurig verbreken van het dienstverband.

Op 22 juli 2019 heeft klaagster hiertegen bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 29 oktober 2019 een contramemorie ingediend.

Partijen hebben op 31 januari 2020 nadere stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2020, alwaar zijn verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid

1.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

1.2

Klaagster heeft haar bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Zij heeft echter aangevoerd de bestreden beschikking pas op 21 juni 2019 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Het tegendeel blijkt ook niet uit de gedingstukken. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaar is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Het bezwaar is ontvankelijk.

De feiten

2.1

Klaagster, aangesteld als ambtenaar, was tot 31 december 2010 werkzaam bij de Aruba Tourism Authority (ATA).

2.2

Bij Landsverordening instelling Aruba Tourism Authority is per 1 januari 2011 een publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid bezittende instantie met de naam Aruba Tourism Authority (ATA Sui Generis) ingesteld.

2.3

Bij landsbesluit van 16 november 2011 is klaagster eervol ontslagen, vanwege het overgaan van de ATA in ATA Sui Generis. Bij uitspraak van 29 september 2014 heeft het gerecht dit ontslagbesluit vernietigd. Bij uitspraak van 16 februari 2017 heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken deze uitspraak bevestigd.

2.4

Klaagster verricht sedert 1 januari 2011, met uitzondering van de periode 5 april 2017 tot 3 juli 2017, geen werkzaamheden voor het Land en is geplaatst in de zogenoemde overtolligheidspoel.

2.5

Het Departamento di Recurso Humano (DRH) heeft op 14 augustus 2018 en 5 december 2018 klaagster opgeroepen voor een gesprek over het herplaatsingsonderzoek.

2.6

Bij brief van 29 april 2019 heeft de minister van Algemene Zaken, Integriteit, Overheidszorg, Innovatie en Energie (hierna: de minister), op advies van het DRH, aan klaagster een dienstopdracht gegeven om zich op 2 mei 2019 bij de DRH te melden om met de functie van medewerker documentatie en informatie aan te vangen. In die brief staat voor zover hier van belang het volgende:

“(…)

U heeft tot op heden niet gereageerd op de oproepen. Hierbij wordt u een dienstinstructie opgelegd om u op 2 mei 2019 om 8:30 ’s morgens te melden bij het Departamento Recurso Humano om aldaar de functie van medewerker documentatie en informatie (schaal 7) aan te vangen.

(…)

Indien u geen gehoor geeft aan deze dienstinstructie, dan wordt dit aangemerkt als plichtsverzuim en zullen er disciplinaire maatregelen worden genomen. Voorts zal conform artikel 17 lid 2 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht uw bezoldiging worden ingehouden over de tijd die u geen werkzaamheden verricht.

(…).”

Klaagster is niet bij het DRH verschenen.

2.7

Bij brief van 3 mei 2019 heeft de minister, op advies van het DRH, aan klaagster wederom een dienstopdracht gegeven zich op 6 mei 2019 bij de DRH te melden om met de functie aan te vangen. De minister schrijft voor zover hier van belang het volgende:

“(…)

Tot op heden heeft u zonder opgave van reden geen gehoor gegeven aan de dienstinstructie hetgeen wordt aangemerkt als plichtsverzuim. Naar aanleiding hiervan wordt een disciplinaire procedure opgestart.

(…)

Hierbij wordt u nogmaals een dienstinstructie opgelegd om op maandag 6 mei 2019 om 8.30 ’s morgens te melden bij het Departamento Recurso Humano om, conform het gestelde in de brief van 29 april 2019, aldaar de functie van medewerker documentatie en informatie aan te vangen.

Indien u wederom geen gehoor geeft aan deze dienstinstructie, wordt dit beschouwd als het door u willekeurig verbreken van uw dienstverband.”

Klaagster is wederom niet bij het DRH verschenen.

2.8

Op 10 mei 2019 is aan klaagster bij het DRH mondeling medegedeeld dat zij het dienstverband willekeurig heeft verbroken, nu zij niet op de dienstinstructies heeft gereageerd.

2.9

Bij brief van 26 mei 2019 gericht aan de minister heeft de gemachtigde van klaagster voorgesteld om de zaak in der minne te regelen. Tegen het uitblijven van een beschikking op dit verzoek heeft klaagster op 10 juni 2019 bezwaar bij het gerecht gemaakt

2.10

Bij de bestreden beschikking heeft verweerder klaagster met ingang van 3 mei 2019 eervol ontslag uit de dienst verleend wegens het willekeurig verbreken van het dienstverband.

De standpunten van partijen

3.1

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op 2 mei 2019 is geconstateerd dat klaagster willekeurig haar dienstverband heeft verbroken. Ter onderbouwing daarvan is in de bestreden beschikking - samengevat - het volgende overwogen:

  • -

    dat zijdens de DRH zeer intensief is getracht om klaagster te herplaatsen door op verschillende manieren contact met haar op te nemen;

  • -

    dat klaagster herplaatsing tegenwerkt door er bewust voor te zorgen dat zij moeilijk bereikbaar was;

  • -

    dat klaagster hoewel haar daartoe dienstinstructies waren gegeven zich nimmer heeft gemeld bij de DRH om haar werkzaamheden aan te vangen.

3.2

Klaagster kan zich niet verenigen met het haar verleende ontslag. Klaagster voert aan dat de bestreden beschikking gebaseerd is op aannames en vermoedens en niet op feiten. Klaagster is niet gehoord alvorens tot ontslag is overgegaan. Klaagster meent dat dat deze hele kwestie enkel het gevolg is van haar persoonlijke slechte relatie met het hoofd van het DRH. Voorts voert klaagster aan dat verweerder ongefundeerde conclusies trekt met betrekking tot de posten van klaagster op sociale media. Ter zitting heeft klaagster aangevoerd dat zij de brief van 3 mei 2019 pas op 7 mei 2019 in ontvangst heeft genomen en dat zij de brief niet meteen had gelezen, waardoor zij niet wist of had kunnen weten dat zij zich op 6 mei 2019 bij het DRH had moeten melden.

Het wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 98, eerste lid aanhef en onder h, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van het willekeurig verbreken van het dienstverband door de ambtenaar.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel wordt een dergelijk ontslag steeds eervol verleend en gaat het niet vroeger in dan de dag, volgende op die, waarop de reden voor het ontslag voor het eerst is geconstateerd.

De beoordeling

5.1

Ter beoordeling ligt in deze zaak voor de vraag of verweerder terecht heeft geconstateerd dat klaagster haar dienstverband willekeurig heeft verbroken. Het gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt als volgt.

5.2

Niet in geschil is dat verweerder verschillende pogingen heeft gedaan om in contact te komen met klaagster. Verder is niet in geschil dat verweerder bij brief van 29 april 2019 klaagster een dienstinstructie heeft opgelegd om zich op 2 mei 2019 om 8:30 uur bij het DRH te melden teneinde haar werkzaamheden aan te vangen. Klaagster heeft deze brief op 30 april in ontvangst genomen. Klaagster heeft niet aan deze dienstinstructie voldaan. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 3 mei 2019 klaagster een tweede dienstinstructie opgelegd om zich te melden bij het DRH op 6 mei 2019 om 8:30 uur en klaagster daarbij te kennen gegeven dat het niet voldoen aan deze dienstinstructie zal worden beschouwd als het willekeurig verbreken van het dienstverband. Klaagster heeft zich wederom niet op de aangezegde dag bij het DRH gemeld, en zich evenmin ziekgemeld of vakantie opgevraagd. Dat klaagster vanwege een andere geldige reden niet aan de dienstinstructies heeft voldaan, is naar het oordeel van het gerecht niet gebleken. Klaagster’s betoog dat dat zij zich op 3 mei 2019 niet heeft gemeld, daar zij haar moeder naar de specialist moest brengen, wat daar ook van zij, kan haar niet baten. Klaagster kan niet naar eigen inzicht verkiezen zich niet te melden. Voor haar eenzijdige beslissing om niet te verschijnen bestaat dan ook geen enkele rechtvaardiging. Ditzelfde geldt ook voor klaagster’s stelling dat zij arbeidsongeschikt is. Klaagster heeft zich immers niet bij de daartoe bestemde instantie ziekgemeld.

Evenmin slaagt het betoog van klaagster dat zij niet kon voldoen aan de bij brief van 3 mei 2019 opgedragen dienstopdracht om zich op 6 mei 2019 te melden, omdat zij de dienstopdracht niet tijdig heeft ontvangen. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat de koeriersdienst op 3 mei 2019 heeft geprobeerd de brief aan klaagster uit te reiken en dat klaagster op 4 mei 2019 de koeriersdienst heeft toegezegd dat zij de brief zou ophalen. Vervolgens heeft de koeriersdienst op 6 mei 2019 voor de tweede maal geprobeerd de brief aan klaagster af te geven. Klaagster heeft op pas 7 mei 2019 de brief opgehaald. Ter zitting heeft klaagster aangevoerd dat zij de brief van 3 mei 2019 niet meteen na ontvangst op 7 mei 2019 heeft gelezen. Dat klaagster eerst op 7 mei 2019 de brief heeft opgehaald en de brief niet meteen na ontvangst heeft gelezen en dus, zoals klaagster stelt, niet tijdig op de hoogte is geraakt of heeft kunnen raken van de tweede dienstopdracht, komt voor haar eigen rekening en risico. Dit klemt des te meer nu klaagster ook na het lezen van de brief van 3 mei 2019 zich niet onverwijld bij het DRH heeft gemeld teneinde haar werkzaamheden aan te vangen. Klaagster heeft weliswaar op 8 mei 2019 contact opgenomen met het DRH, maar dit contact had ten doel een AZV-verklaring te verkrijgen. Bovendien had klaagster op 30 april 2019 al de brief van 29 april 2019 ontvangen, waarbij haar eveneens een dienstinstructie was gegeven, zodat van haar geëigende stappen verwacht konden worden.

5.3

Gelet op het vorenstaande is het gerecht van oordeel dat de gevolgen van de keuze van klaagster om niet aan de dienstinstructies te voldoen, dan ook voor klaagster’s rekening en risico komen. Nu zij niet heeft voldaan aan de dienstopdrachten om zich te melden bij het DRH teneinde haar werkzaamheden aan te vangen, is het gerecht van oordeel dat verweerder terecht heeft geconstateerd dat klaagster haar dienstverband willekeurig heeft verbroken. Gelet op artikel 98, tweede lid, van de Lma heeft verweerder aan klaagster eervol ontslag kunnen verlenen. Dat klaagster zich bij brief van haar gemachtigde van 11 mei 2019 bereid heeft verklaard alsnog de opgedragen werkzaamheden uit te voeren, doet daar niet aan af.

5.4

In geschil is ten slotte alleen nog de vraag of de ingangsdatum van het aan klaagster bij bestreden beschikking verleende ontslag terecht op 3 mei 2019 is bepaald. Conform artikel 98, tweede lid, van de Lma gaat een ontslag vanwege het willekeurig verbreken van het dienstverband niet vroeger in dan de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst is geconstateerd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het gerecht van oordeel dat nu klaagster zich na de 2de bij brief van 3 mei 2019 opgelegde dienstinstructie zich niet bij het DRH heeft gemeld, verweerder pas op 6 mei 2019 voor het eerst de reden voor het ontslag heeft kunnen constateren. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de ingangsdatum van het ontslag gelet op artikel 98, tweede lid, van de Lma 7 mei 2019 had moeten zijn. Het ontslag is derhalve ten onrechte met ingang van 3 mei 2019 verleend. Nu de bestreden beschikking, voor wat betreft de ingangsdatum van het ontslag, in strijd met de wet is genomen, zal de beschikking, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar, nietig worden verklaard. Het gerecht ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 87 van de La de nietigheid voor gedekt te verklaren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals hiervoor onder 5.2 en 5.3 is overwogen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat klaagster willekeurig het dienstverband heeft verbroken, en dat tussen de gegeven ingangsdatum en de rechtens juiste ingangsdatum maar 4 dagen liggen. Onder deze omstandigheden weegt het algemeen belang bij gedektverklaring van de nietigheid van het ontslag naar het oordeel van het gerecht zwaarder dan het belang van klaagster bij nietigverklaring daarvan.

5.5

Beslist wordt als volgt.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar gegrond;

verklaart het landsbesluit van 18 juni 2019 nietig;

verklaart de nietigheid van het landbesluit voor gedekt.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.