Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2020:100

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
GAZ Cur201903457
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsing binnen het nieuwe Gereorganiseerde Korps Politie Curaçao (GKPC). Passende functie. Functie van hoofd UFCB bestaat niet meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

Auriola E. POULINA-BITORINA,

wonend in Curaçao,

klaagster,

gemachtigden: mrs. W.E. Fortin en B.L. Lie Atjam, advocaat,

tegen:

de Regering van Curaçao,

verweerster,

gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en S.X.T. Hato, advocaten.

Procesverloop

Bij landsbesluit van 8 augustus 2019, aan klaagster uitgereikt op 16 augustus 2019, is klaagster, in verband met de overgang naar het nieuw Georganiseerde Korps Politie Curaçao, met ingang van 1 december 2013 geplaatst in de functie van Senior Beleidsmedewerker in schaal 13P, bezoldigingstrede 11 (het bestreden besluit).

Daartegen heeft klaagster op 13 september 2019 bezwaar gemaakt bij dit Gerecht (het bezwaar) en dit vervolgens aangevuld.

Verweerster heeft een contramemorie ingediend.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van het Gerecht op 24 augustus 2020. Klaagster is verschenen, bijgestaan door mr. B.L. Lie Atjam, die vergezeld was door G. Adriana en L.J. Josefa. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.X.T. Hato, die vergezeld was door R. Martina (medewerker bij het ministerie van Justitie).

Overwegingen

de feiten

1. Klaagster was als ambtenaar werkzaam bij de Unit Financiële Criminaliteits-bestrijding (UFCB) van de Centrale Politiedienst (CPD), behorende bij het toen nog bestaande Korps Politie Nederlandse Antillen (KPNA). Bij landsbesluit van 17 juni 2010 werd klaagster benoemd in de functie van Hoofd UFCB.

Op 10 oktober 2010 werd Curaçao een autonoom land binnen het Koninkrijk. In verband daarmee werd klaagster bij landsbesluit van 18 januari 2012 met ingang van 10 oktober 2010 bij het Korps Politie Curaçao (KPC) geplaatst in dezelfde functie.

In 2013 vond de reorganisatie plaats van het KPC naar het nieuwe Gereorganiseerde Korps Politie Curaçao (GKPC). In dat kader is aan klaagster bij brief van 29 november 2013 een voorlopige plaatsing aangeboden in het GKPC met toekenning aan haar van een (tijdelijke) takenpakket. Klaagster heeft deze brief niet in ontvangst genomen. Vervolgens is op 2 januari 2014 en op 25 februari 2014 weer gepoogd om aan klaagster brieven inhoudende haar plaatsing bij het GKPC uit te reiken. Ook deze brieven heeft klaagster geweigerd in ontvangst te nemen. Daarna werd klaagster bij brief van 28 mei 2014 en van 5 augustus 2014 opgedragen om op werk te verschijnen om de aan de takenpakket behorende werkzaamheden uit te voeren. Ook deze brieven heeft klaagster niet in ontvangst genomen. Aan klaagster is vervolgens op 8 mei 2015 in verband met een disciplinair onderzoek de toegang tot alle politiedienstlokalen ontzegd.

Bij brief van 13 januari 2016 heeft de toenmalige korpschef, naar aanleiding van een gesprek dat hij met klaagster op 1 december 2015 heeft gehad, klaagster opgedragen om contact op te nemen met de heer W. Geertruida bij het GKPC teneinde concrete afspraken te maken over de werkzaamheden verbonden aan haar takenpakket. Klaagster heeft zich hierna op het werk gemeld en heeft kenbaar gemaakt dat zij haar werkzaamheden bij de UFCB wenst voort te zetten.

Door de huidige minister van Justitie (de minister), of namens hem zijn nadien verschillende gesprekken met klaagster gevoerd teneinde haar definitief te kunnen plaatsen in een voor haar passende functie binnen het GKPC. Klaagster heeft niet ingestemd met de aan haar aangeboden opties. Bij brief van 18 juni 2018 heeft de minister dat weer geprobeerd door aan klaagster het voorstel te doen om haar te plaatsen bij de Beleidsorganisatie van het ministerie van Justitie in de functie van Beleidsmedewerker, belast met de afdeling Rechtshandhaving, Openbare Orde en Veiligheid. Ook met dit voorstel heeft klaagster niet ingestemd.

het bestreden besluit en het bezwaar

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerster klaagster, in verband met de overgang naar het nieuwe GKPC, met ingang van 1 december 2013 geplaatst in de functie van Senior Beleidsmedewerker (schaal 13, trede 11). Het bezwaar richt zich daartegen.

de standpunten van partijen

3. Klaagster legt aan het bezwaar – kort gezegd – het volgende ten grondslag. De CPD noch de UFCB is na de staatkundige veranderingen op 10 oktober 2010 dan wel de reorganisatie van het KPC in 2013 formeel opgeheven. Ook daarna bleef de UFCB operationeel en ontving doormeldingen/verdachte transacties. De UFCB bleef dus feitelijk als een apart en gescheiden unit functioneren en werd niet onder het KPC gebracht. Het was destijds de bedoeling dat de UFCB, net als de Interpol, als een zelfstandige dienst opgericht zou worden. Met het verzelfstandigingstraject is ook een aanvang gemaakt. Klaagster bleef in de tussentijd haar taken als Hoofd UFCB uitvoeren, totdat ten onrechte aan haar de toegang tot politiedienstlokalen is ontzegd.

Sindsdien probeert klaagster op alle mogelijke manieren om als Hoofd UFCB in activiteit te worden hersteld, maar wordt steeds daarin belemmerd. Terecht heeft de Raad van Ministers (RvM) op advies van de toenmalige minister van Justitie op 10 mei 2017 de beslissing genomen (i) om klaagsters toegangsontzegging op te heffen, (ii) dat zij haar werkzaamheden als Hoofd UFCB moet hervatten, (iii) dat het proces van verzelfstandiging van de UFCB zo spoedig mogelijk moet worden opgestart en (iv) dat zij wordt opgedragen om als trekker van dat verzelfstandigingstraject op te treden. De huidige minister werd echter bij zijn aantreden door tal van onwaarheden opgesomd in de brief van 15 september 2017 van de toenmalige korpschef op andere gedachten gebracht, met het gevolg dat de RvM – op zijn advies – ten onrechte op 20 september 2017 zijn eerdere beslissing van 10 mei 2017 heeft ingetrokken.

Uit het hierboven omschrevene volgt dat het convenant reorganisatie KPC (het Convenant) nimmer van toepassing is geweest op de UFCB en diens personeel. Klaagster was daarom niet gehouden op de aan haar in het kader van die reorganisatie aangeboden takenpakket te accepteren. Haar functie van Hoofd UFCB is nimmer komen te vervallen. Het landsbesluit van 18 januari 2012 waarbij klaagster per 10 oktober 2010 in die functie is benoemd is nimmer ingetrokken en is nog steeds van kracht.

Los daarvan, geldt dat de functie van Senior Beleidsmedewerker geen “passende functie” is voor klaagster, nu die van lager niveau is dan haar functie van Hoofd UFCB.

Klaagster concludeert – gelet hierop – dat het bestreden besluit op onjuiste gronden tot stand is gekomen dan wel dat verweerster daarmee in strijd heeft gehandeld met de wet en/of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4. Verweerster brengt – kort gezegd – het volgende hiertegen in. De CPD (waaronder de UFCB) is na de staatkundige veranderingen opgehouden te bestaan. De ambtenaren van politie die werkzaam waren bij de CPD zijn destijds binnen het ambtelijk apparaat van het Land Curaçao geplaatst in afwachting van hun (her)plaatsing binnen het eigen politiekorps van Curaçao, het GKPC. Met de opheffing van de CPD (en dus ook de UFCB), verviel ook de functie van Hoofd UFCB. Klaagster kon daarom niet in die functie blijven. Ook uit het (reorganisatie)besluit van het korpsonderdeel Curaçao naar het GKPC vloeit voort dat die functie is vervallen. De UFCB komt immers niet voor als een afzonderlijke organisatie of afdeling binnen het GKPC. Het ministerie van Justitie kent in haar organisatie geen afdeling met de taken en verantwoordelijkheden van de voormalige CPD, laat staan een uitvoeringsorgaan belast met die taken. Geconstateerd moet dus worden dat de voormalige functie van klaagster geheel is komen te vervallen.

Verweerster heeft klaagster daarom in een voor haar passende functie binnen het GKPC geplaatst. De functie van Senior Beleidsmedewerker is passend, omdat de functie aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van klaagster. De functie is op hetzelfde niveau als de oude functie van klaagster.

Het bezwaar dient gelet hierop ongegrond te worden verklaard, aldus nog steeds verweerster.

de beoordeling

5.1

Het Gerecht ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de functie van Hoofd UFCB nog bestaat. Met verweerster is het Gerecht van oordeel dat dat niet geval is en licht dit als volgt toe.

5.2

De Rijkswet Politie van Curaçao, van Sint Maarten, en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die in het kader van de staatkundige veranderingen van
10 oktober 2010 tot stand is gekomen, bepaalt (onder meer) dat Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden elk een eigen politiekorps hebben en zelf moeten zorgen voor de organisatie en inrichting daarvan. Het KPNA, die voorheen samengesteld was uit het Korps Politie Bonaire, Curaçao en het Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius en de landelijke diensten (waaronder de CPD), hield als gevolg van de staatkundige veranderingen op te bestaan. Zodoende hield ook de CPD (met daaronder de UFCB) op te bestaan. De ambtenaren van politie die werkzaam waren bij de CPD, waaronder klaagster, zijn toen geplaatst in het KPC in afwachting op de reorganisatie. Anders dan klaagster meent, was een separaat besluit voor de opheffing van de CPD niet nodig. Dat het in eerste instantie de bedoeling was om UFCB na 10 oktober 2010 als een zelfstandige dienst op te richten en dat klaagster tot aan haar toegangsontzegging bepaalde taken behorende tot de functie van Hoofd UFCB bleef uitoefenen, maakt het voorgaande niet anders. Aan die intentie is immers nooit uitvoering gegeven. De RvM heeft met zijn beslissing van 20 september 2017 van die intentie afgezien en was bevoegd om dat te doen. Inmiddels zijn de taken die voorheen door het Hoofd UFCB werden uitgevoerd, (gedeeltelijk) overgenomen door het GKPC. Geconcludeerd moet dus worden dat de functie van Hoofd UFCB niet meer bestaat. Verweerster is dus terecht op zoek gegaan naar een voor klaagster passende functie.

5.3

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de functie van Senior Beleidsmedewerker redelijkerwijs als een passende functie voor klaagster kan worden aangemerkt.

5.4

Op grond van artikel 1 van het Convenant wordt onder “passende functie” verstaan een functie van gelijkwaardig werk- en denkniveau, die het personeelslid in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden aangeboden gelet op zijn/haar kwalificaties, opleidingsniveau en/of competentie. Uitgangpunt bij de plaatsing in een passende functie is dat die van hetzelfde niveau is als de oude functie, waarbij geldt dat die bij wijze van uitzondering ook van een hoger of lager niveau mag zijn. Waarvoor geopteerd wordt, is in beginsel ter discretie van verweerster. De gemaakte keuze, in zoverre daarbij de algemene rechtsbeginselen zijn gerespecteerd, kan door de ambtenarenrechter slechts terughoudend worden getoetst (zie Raad van Beroep van Ambtenarenzaken van 7 januari 2020, ECLI:NL:ORBAACM:2020:1).

5.5

Het Gerecht ziet geen grond voor het oordeel dat de functie niet in redelijkheid als een passende functie voor klaagster kan worden aangemerkt. Uit de functiebeschrijvingen van beide functies (productie 19 en 20 bij de Contramemorie) blijkt dat de functie van Senior Beleidsmedewerker qua werk- en denkniveau gelijkwaardig is aan klaagsters oude functie. Net als in de oude functie, wordt klaagster in de nieuwe functie ook belast met beleids- en bedrijfsondersteunende werkzaamheden. Beide functies bevatten werkzaamheden op zowel strategisch als operationeel niveau. Hoewel het Gerecht het begrijpelijk acht dat klaagster in de nieuwe functie graag ook leidinggevende- en opsporingstaken had teruggezien, maakt het ontbreken daarvan in de nieuwe functie, mede gelet op het niveau daarvan, nog niet dat die functie als niet passend moet worden aangemerkt. Los daarvan, overweegt het Gerecht dat niet gebleken is dat binnen het overheidsapparaat op dit moment een voor klaagster passender functie beschikbaar is. Dat klaagster in de nieuwe functie in haar carrièremogelijkheden wordt benadeeld, is onvoldoende aannemelijk geworden. Verweerster heeft in dit verband terecht erop gewezen dat het klaagster vrij staat om op opengevallen hogere functies te solliciteren (bijvoorbeeld op de vacature voor de functie van korpschef).

Gelet hierop luidt het oordeel dat verweerster het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen.

6. Het bezwaar zal – gelet op dit alles – ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.J. Martijn, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020 in tegenwoordigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAr.