Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:98

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-09-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
AUA201804134
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht stelt vast dat verweerder op grond van artikel 19, eerste lid, van de Lma de bevoegdheid toekomt klaagsters periodieke verhoging met maximaal drie maanden te vertragen vanwege de aan haar opgelegde disciplinaire straf. Gedurende de relevante beoordelingsperiode is overwogen, in de zin van genoemd artikel, klaagster een disciplinaire straf op te

leggen, waartoe ook is besloten bij landsbesluit van 27 oktober 2017. Dit besluit is in rechte is komen vast te staan. Het gerecht is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid. Het bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 2 september 2019

Gaza nr. AUA201804134

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[klaagster],

wonend te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. F.B. Ras,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 14 november 2018 no. 46 (de bestreden beschikking) heeft verweerder besloten klaagster met ingang van 1 december 2017 te bevorderen naar de rang van Brigadier 1ste klasse (schaal P05).

Tegen de bestreden beschikking heeft klaagster op 21 december 2018 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft een contramemorie ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 10 juni 2019, waar klager in persoon en bijgestaan door haar gemachtigde is verschenen en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De relevante regelgeving is als bijlage 1 aan deze uitspraak gehecht.

1 Klaagster heeft haar bezwaarschrift na de in artikel 41, eerste lid, van de La bepaalde uiterlijke indieningsdatum ingediend. Zij heeft echter onbetwist gesteld dat zij de bestreden beschikking eerst op 30 november 2018 heeft ontvangen. Dit betekent dat het bezwaar is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klaagster is ontvankelijk in haar bezwaar.

Feiten

2.1

Bij landsbesluit van 3 februari 2015 is klaagster per 1 september 2013 bevorderd naar de rang van brigadier, schaal P04, dienstjaar 1.

2.2

Op 18 mei 2015 is klaagster aangezegd dat een disciplinair onderzoek tegen haar wordt ingesteld naar aanleiding van haar gedragingen op 27 april 2015.

2.3

Bij landsbesluit van 8 april 2016 is klaagster benoemd in vaste dienst met ingang van 1 september 2010.

2.4

Bij brief van 11 oktober 2017 is klaagster door de Korpschef voorgedragen voor een bevordering per 1 september 2017 naar de rang van Brigadier 1ste klasse (P05).

2.5

Bij landsbesluit van 27 oktober 2017, no. 24 (NO. DRH/842) is aan klaagster een disciplinaire straf opgelegd zijnde gedeeltelijke inhouding van inkomen ten bedrage van Afl 1000,-.

2.6

Op 14 november 2018 heeft verweerder de bestreden beschikking genomen.

Standpunt partijen

3.1

Klaagster meent dat zij per 1 september 2017 bevorderd moet worden naar de rang van brigadier 1ste klasse (schaal 05). Klaagster voert daartoe aan – zakelijk weergegeven - dat verweerder bij de bestreden beschikking ten onrechte haar bevordering met drie maanden vertraagd heeft vanwege de aan haar opgelegde disciplinaire straf. Klaagster meent dat zij twee keer wordt gestraft voor dezelfde gedraging. Zij heeft altijd naar tevredenheid van haar leidinggevende gefunctioneerd. Klaagster stelt voorts dat er geen wettelijke grondslag is voor de vertraging van de bevordering met een periode van drie maanden.

3.2.

Verweerder stelt zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt dat klaagster niet beschikt over een goede beoordeling omdat klaagster in haar beoordelingsperiode een disciplinaire straf opgelegd heeft gekregen. Voorts is na dossieronderzoek naar voren gekomen dat klaagster per 1 september 2017 niet voldeed aan het anciënniteitsvereiste van tenminste vier jaar diensttijd in de functie van brigadier te hebben voltooid.

4.1

Het gerecht stelt vast dat verweerder op grond van artikel 19, eerste lid, van de Lma de bevoegdheid toekomt klaagsters periodieke verhoging met maximaal drie maanden te vertragen vanwege de aan haar opgelegde disciplinaire straf. Daartoe overweegt het gerecht als volgt. Bij brief van 18 mei 2015 is klaagster aangezegd dat een disciplinair onderzoek zal worden gestart naar de gedragingen van klaagster op 27 april 2015. Derhalve is gedurende de relevante beoordelingsperiode overwogen, in de zin van genoemd artikel, klaagster een disciplinaire straf op te leggen, waartoe ook is besloten bij landsbesluit van 27 oktober 2017. Dit besluit is in rechte is komen vast te staan.

4.2

Het gerecht is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid. Het betoog van klaagster dat zij twee keer wordt gestraft voor hetzelfde feit treft geen doel, nu de vertraging van de periodieke verhoging geen punitieve maatregel is. Dat klaagster over een positieve beoordeling beschikt over de periode 27 september 2015 tot 27 september 2017, heeft voor verweerder evenmin aanleiding hoeven te zijn af te zien van zijn bevoegdheid de bevordering te vertragen.

5. De slotsom is dat het bezwaar ongegrond is.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat gelet hierop geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond

Aldus gegeven door mr. M. Soffers, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Bijlage 1, regelgeving

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La) dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken.
In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, die indiener niet op grond daarvan niet ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

Ingevolge artikel 15 kan het bevoegde gezag regelen vaststellen betreffende het eoordelen van de ambtenaren en het inrichten en bijhouden van een ranglijst.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, kan de betrokken minister bij een met reden omkleed besluit wegens onvoldoende bekwaamheid, geschiktheid, of dienstijver een periodieke verhoging van bezoldiging onthouden.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, kan indien overwogen wordt een ambtenaar een disciplinaire straf op te leggen de toekenning van een periodieke verhoging van bezoldiging bij een met redenen omkleed besluit worden opgeschort, echter niet langer dan drie maanden na de datum, waarop de desbetreffende periodieke verhoging van bezoldiging zou zijn ingegaan.

Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht.