Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:8

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
AUA201801969
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

EJ. Arbeid. In de opzeggingsbrief heeft het Land ten onrechte als reden aangegeven dat het dienstverband van rechtswege eindigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 5 februari 2019

E.J. no. AUA201801969

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende in Aruba,

verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

verweerster, hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigde: de advocaat mr. M.P. Jansen.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 3 juli 2018;

- het verweerschrift met producties, ingediend op 9 oktober 2018;

- de behandeling ter zitting van 4 december 2018 en de daarvan gemaakte aantekeningen van de griffier, waaruit blijkt dat zijn verschenen [verzoeker] in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde en het Land bij haar gemachtigde.

1.2

Aan partijen is medegedeeld dat vandaag beschikking zou worden gegeven.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [

verzoeker] was van 1 april 2010 tot 1 november 2013 in dienst van het Land. Gedurende die periode was [verzoeker] werkzaam bij het Bureau van de minister van Financien, Communicatie, Utiliteiten en Energie.

2.2

In de vergadering van de ministerraad van 29 oktober 2013 is besloten om een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan met alle arbeidscontractanten die vallen onder de zeven ministeries van het Kabinet Mike Eman I, met ingang van 30 oktober 2013 en voor de duur van het Kabinet Mike Eman II.

2.3

Bij brief van 10 december 2015 heeft [verzoeker] gesolliciteerd naar de functie van ICT- medewerker bij de afdeling Bureau Leerplicht.

2.4

Bij brief van 10 februari 2016 heeft de Inspecteur-Generaal van de Dienst Inspectie van het Onderwijs de minister van Onderwijs en Gezin geadviseerd om [verzoeker] in de functie van ICT-medewerker te benoemen.

2.5

In de vergadering van de ministerraad van 8 maart 2016 is besloten om [verzoeker] in de functie van ICT-medewerker te benoemen bij de afdeling Bureau Leerplicht.

2.6

Op 22 september 2017 hebben de algemene verkiezingen plaatsgevonden in Aruba. De regeringspartij heeft daarbij haar absolute meerderheid in de staten kwijtgeraakt.

2.7

Op 17 november 2017 is het kabinet Eman II afgetreden en is het kabinet Wever-Croes I aangetreden.

2.8

Bij brief van 20 november 2017 heeft de waarnemend Inspecteur-Generaal van de Dienst Inspectie van het Onderwijs het Departamento Recurso Humano (hierna: DRH) bericht dat [verzoeker] tot en met 17 november 2017 ter beschikking was gesteld bij het Ministerie van Economische Zaken, Communicatie, Energie en Mileu en dat [verzoeker] op 20 november 2017 zijn werkzaamheden bij het Bureau Leerplicht heeft aangevangen in de functie van ICT-medewerker.

2.9

Bij brief van 30 november 2017 heeft het DRH geadviseerd om de ministerraadbeslissing van 8 maart 2016 te handhaven waardoor het dienstverband met [verzoeker] van rechtswege eindigt op 31 maart 2018 en, indien nodig, aan [verzoeker] een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden met ingang van 1 april 2018.

2.10

In de vergadering van de ministerraad van 6 december 2017 is met het advies van het DRH van 30 november 2017 ingestemd.

2.11

Bij brief van 5 februari 2018 heeft het Land aan [verzoeker] bericht, voor zover hier van belang:

Onderwerp: van rechtswege verlopen dienstverband

U had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met het Land. Deze is aangegaan voor de duur van twee jaar waarbij u voor de resterende duur van de regeerperiode van het Kabinet Mike Eman II ter beschikking bent gesteld bij een van de bureaus van de ministers. De arbeidsovereenkomst verloopt van rechtswege op 31 maart 2018.

(…)

In de vergadering van de ministerraad van 8 maart 2016 is besloten om u een arbeidsovereenkomst aan te bieden of om u in tijdelijke dienst te benoemen.

Om een transparante transitieperiode te waarborgen zijn de rechtspositionele beslissingen die genomen zijn betreffende overheidswerknemers die werkzaam zijn geweest bij de bureaus van de ministers gedurende de regeerperiode van het Kabinet Eman II en die onlangs geplaatst zijn bij een dienst, aan het nieuwe kabinet voorgelegd.

Bij arbeidsovereenkomsten geldt dat zowel de werkgever als de werknemer deze tussentijds kan opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van één (1) maand. De werkgever kan besluiten dat de specifieke expertise van de betrokken werknemer niet (meer) vereist is, en/of dat er vanwege de voormalige vertrouwensfunctie onvoldoende vertrouwensbasis is om de betrokkene in een nieuwe functie bij een dienst te benoemen, en/of dat er vanwege nieuwe (financiële) prioriteiten onvoldoende grond is om de arbeidsovereenkomst in stand te houden.

In de vergadering van de ministerraad van 6 december 2017 is door het nieuwe kabinet besloten tot het handhaven van uw dienstverband waardoor het dienstverband van rechtswege verloopt op 31 maart 2018.”.

2.12

Uit de loonstrook van [verzoeker] van de maand maart 2018 blijkt dat hij behalve zijn loon ook zijn vakantie-uitkering uitbetaald heeft gekregen.

3 HET VERZOEK

3.1 [

verzoeker] verzoekt – bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad – een verklaring voor recht dat het aan hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is, alsmede het Land te veroordelen om de dienstbetrekking met terugwerkende kracht tot 1 april 2018 te herstellen onder doorbetaling van het loon totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, op straffe van een dwangsom dan wel binnen twee weken na betekening van deze uitspraak een vergoeding te betalen van Afl. 59.100,-, met veroordeling van het Land in de proceskosten.

3.2

Aan deze vordering legt [verzoeker] ten grondslag dat het Land de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft beëindigd.

3.3

Het Land voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

4 DE BEOORDELING

4.1

De arbeidsverhouding tussen [verzoeker] en het Land wordt op grond van artikel 7A:1613y lid 2 BW niet beheerst door de bepalingen van de zevende titel A van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek. Evenmin is de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten van toepassing op grond van artikel 2 sub a van de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten. Niet in geschil is dat tussen partijen een arbeidsrelatie heeft bestaan, maar partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van een dienstverband voor bepaalde tijd, in de zin dat deze per 31 maart 2018 van rechtswege is beëindigd, dan wel voor onbepaalde tijd.

4.2 [

verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsrelatie tussen partijen niet van rechtswege is beëindigd op 31 maart 2018 en voert daartoe het volgende aan. Volgens [verzoeker] hebben partijen geen schriftelijke overeenkomst gesloten en evenmin afspraken gemaakt over de duur van de arbeidsrelatie. Daartoe verwijst [verzoeker] naar de brief van 20 november 2017 van de Inspecteur-Generaal van de Dienst Inspectie van het Onderwijs waaruit volgens hem blijkt dat geen termijn is afgesproken. Daarnaast verwijst [verzoeker] naar de ministerraadbeslissing van 8 maart 2016, waar de opzeggingsbrief van 5 februari 2018 op is gebaseerd, waaruit volgens hem blijkt dat ook geen termijn is afgesproken. Nu er geen termijn is afgesproken is de arbeidsrelatie tussen partijen volgens [verzoeker] van onbepaalde tijd. De rechtsgeldigheid van de opzegging dient volgens [verzoeker] getoetst te worden aan de maatstaven of criteria die gelden voor het beëindigen en/of het opzeggen van duurovereenkomsten.

4.3

Het Land stelt zich op het standpunt dat de arbeidsrelatie tussen partijen van rechtswege tot een einde is gekomen op 31 maart 2018. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst het Land naar de ministerraadbeslissing van 8 maart 2016 waaruit volgens haar blijkt dat is besloten om [verzoeker] voor de duur van 2 jaar te benoemen in de functie van ICT-medewerker. Daarnaast verwijst het Land naar de ministerraadbeslissing van 6 december 2017 waaruit blijkt dat is besloten om de ministerraadbeslissing van 8 maart 2016 te handhaven. Het Land heeft in dat verband aangevoerd dat op de salarisstrook van oktober 2017 staat dat de arbeidsrelatie op 31 maart 2018 eindigt. Om die reden had het volgens het Land voor [verzoeker] duidelijk moeten zijn dat zijn dienstverband per 31 maart 2018 zou eindigen. Daarnaast stelt het Land dat [verzoeker] eind maart 2018 ook zijn vakantie-uitkering heeft ontvangen.

4.4

Met [verzoeker] is het gerecht van oordeel dat de arbeidsrelatie tussen partijen voor onbepaalde tijd is. Vast staat dat partijen geen schriftelijke overeenkomst zijn aangegaan. Anders dan in de brief van 30 november 2017 van het DRH staat, blijkt voorts noch uit de ministerraadbeslissing van 8 maart 2016 noch uit die van 6 december 2017 dat partijen een termijn hebben afgesproken. Het DRH grondt haar advies in de brief van 30 november 2017 op de ministerraadbeslissing 8 maart 2016 waarin niets staat over een termijn. Hetzelfde geldt voor de beslissing van de ministerraad in haar ministerraadbeslissing van 6 december 2017. Evenmin blijkt uit de brief van 20 november 2017 van de Inspecteur-Generaal van de Dienst Inspectie van het Onderwijs dat partijen een termijn hebben afgesproken. Dat op de salarisstroken van [verzoeker] bij “Einde werk” staat vermeld 31 maart 2018, is gezien het voorgaande, van onvoldoende betekenis.

4.5

Getoetst moet dus worden of de opzegging van 5 februari 2018 door de beugel kan.

4.6

Onder welke voorwaarden een duurovereenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. Een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan ten slotte op grond van art. 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

4.7

Het Land is bij haar (rechts)handelen gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook als op de arbeidsovereenkomst, zoals in dit geval, ingevolge artikel 7A:1613y BW de zevende titel A van boek 7A toepassing mist, komt bij de invulling van dat waartoe het Land op grond van de redelijkheid en billijkheid in het licht van de opzegging gehouden is, betekenis toe aan de omstandigheid dat het Land zich ook op grond van de algemene norm als goed werkgever heeft te gedragen en in dat verband komt aan de vijfde afdeling van de zevende titel A van boek 7A wel enige reflexwerking toe.

4.8

De onderhavige zaak kenmerkt zich hierdoor dat tussen [verzoeker] en het Land sinds 1 april 2010 sprake is van een arbeidsrelatie. Het Land heeft het dienstverband met [verzoeker], met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, opgezegd. In de brief waarbij het dienstverband werd opgezegd heeft het Land, zoals reeds is geoordeeld, ten onrechte als reden aangegeven dat het dienstverband van rechtswege eindigt. Uit genoemde brief blijkt verder niet dat het Land bij de belangenafweging, die van haar als goed werkgever en als overheid mag worden verlangd, rekening heeft gehouden met de belangen van [verzoeker]. Omtrent de kansen van [verzoeker] op de arbeidsmarkt heeft het Land zich niet uitgelaten. De opzegging is evenmin gepaard gegaan met een aanbod tot (schade)vergoeding. Op grond van voornoemde redenen is het gerecht van oordeel dat de opzegging niet voldoet aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid; zij is onaanvaardbaar. Hierbij komt dat [verzoeker] werkzaam was in een functie die hij heeft bereikt via een normale sollicitatieprocedure. Dat hij niet zou voldoen aan zijn werk is gesteld noch gebleken.

4.9

Dat laat onverlet dat het van algemene bekendheid is dat het Land moet bezuinigen waarbij door derden, zoals bijvoorbeeld het Caft, met name en herhaaldelijk aandacht is gevraagd voor de loonkosten waarmee het Land zich geconfronteerd ziet. Bovendien moet ermee rekening gehouden worden dat het Land haar eigen personeelsbeleid moet kunnen voeren en de rechter slechts terughoudend moet toetsen. Er is dan ook geen sprake van een nietig ontslag zoals bij opzegging van de arbeidsovereenkomsten zonder toestemming van de Directeur Arbeid en Onderzoek in de private sector, nu de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten niet van toepassing is op de onderhavige arbeidsverhouding. Het gerecht ziet daarom aanleiding om aan te sluiten bij het (op zichzelf toepasselijke) bepaalde in artikelen 7A:1615s en 1615t BW omtrent het kennelijk onredelijk ontslag.

4.10

Rekening houdend met de omstandigheid dat [verzoeker] sinds 1 april 2010 voor het Land werkte, dat de Inspecteur-Generaal van de Dienst Inspectie van het Onderwijs in haar brief van 20 november 2017 geen bezwaren had om [verzoeker] als ICT-medewerker bij het Bureau Leerplicht met zijn werkzaamheden te laten aanvangen en gezien de kansen op de arbeidsmarkt zal het gerecht het Land gelasten de dienstbetrekking te herstellen met bepaling dat de verplichting tot herstel vervalt als een vergoeding wordt betaald van een bedrag gelijk aan 59.100,- (bruto) zoals verzocht.

4.11

Gelet op de aard van de zaak ziet het gerecht geen aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen.

4.12

Het Land zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoeker].

6 DE BESLISSING

Het gerecht:

beveelt het Land de dienstbetrekking met [verzoeker] te herstellen met ingang van 1 april 2018;

VERDER, VOOR ZOVER HET LAND DE DIENSTBETREKKING MET [VERZOEKER] NIET HERSTELT:

kent aan [verzoeker] een vergoeding toe ten laste van het Land van Afl. 59.100,- (bruto),

veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verzoeker], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,- aan griffierechten en Afl. 2.500,- aan gemachtigdensalaris;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Verheijen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 5 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.