Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:75

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-01-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
SXM201800183-GAZ 8/2018
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft nagelaten over de claim van klager in het bestreden besluit te beslissen namelijk het uitbetalen van de achterstallige salaris. Verweerder heeft wederom een onvoldoende gemotiveerde beslissing uitgegeven. Dit motiveringsbrek - op één van de beslispunten - leidt tot een volledige vernietiging van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: SXM201800183-GAZ 8/2018

Datum: 7 januari 2019

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

(klager)

klager,

gemachtigde: mr. G. HATZMANN,

tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.F. GIBSON jr.,

1 Aanduiding bestreden besluit

Het Landsbesluit van 16 november 2017 waarbij verweerder klager heeft geplaatst in de rang van hoofdinspecteur en hem heeft geplaatst in schaal 12, trede 1 met ingang van 10 oktober 2010, oplopend naar schaal 12, trede 4 per 1 januari 2013.

2 Het procesverloop

Op 21 februari 2018 heeft klager ter griffie van het gerecht in ambtenarenzaken (hierna: het gerecht) een bezwaarschrift (met producties) ingediend.

Op 4 april 2018 heeft verweerder een contra- memorie ingediend.

Mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2018. De behandeling van de zaak is vervolgens aangehouden tot 22 oktober 2018 en vervolgens (nog voor de behandeling) andermaal aangehouden tot 19 november 2018 en 3 december 2018. Klager is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Namens verweerder is verschenen mevrouw Hokahin, bijgestaan door gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

3 Feiten en standpunten

3.1

De volgende feiten staan vast.

- Klager is per 1 oktober 1980 in dienst getreden bij het toen Korps Politie Nederlandse Antillen, sinds 10 oktober 2010 het Korps Politie Sint Maarten.

- Klager is op enig moment bevorderd tot de rang van inspecteur en benoemd tot teambegeleider bij de Criminele inlichtingendienst en heeft vervolgens vanaf 15 maart 2009 waargenomen als Hoofd Criminele Inlichtingendienst.

- Bij Landsbesluit van 29 september 2009 is klager met ingang van 1 juli 2009 eervol ontheven als teambegeleider bij de Criminele Inlichtingen Dienst en benoemd als Chef Criminele Inlichtingendienst waarbij de bezoldiging van klager is vastgesteld in schaal 11p, trede 1.

- Klager heeft in de periode 210-2014 verschillende keren verzoeken gericht aan verweerder en aan de Korpschef om hem te promoveren tot hoofdinspecteur en de bezoldiging te herzien door alsnog klager per 1 juli 2009 in te schalen in schaal 13, trede 1.

- Toen een beslissing uitbleef, heeft klager een bezwaar ingediend bij dit Gerecht tegen de fictieve weigering om op zijn verzoek van 4 november 2014 te beslissen. Bij uitspraak van 20 april 2015 (GAZ 38/14, uitspraaknummer 24) is dit bezwaar gegrond verklaard en verweerder opgedragen alsnog binnen twee weken op het verzoek van klager te beslissen.

- Toen na de uitspraak van dit Gerecht van 20 april 2015 opnieuw een besluit uitbleef heeft gemachtigde namens klager op 23 juni 2015 opnieuw een bezwaarschrift tegen fictieve weigering bij het Gerecht ingediend.

  • -

    Hangende laatstgenoemde procedure is de beschikking van 30 oktober 2015 geslagen, waarbij de bezoldiging van klager als Sectiechef Criminele Inlichtingen Dienst met ingang van 10 oktober 2010 retroactief is vastgesteld in schaal 12p, trede 1 met een bovenwindse toelage van 16,3%, uitlopende per 1 januari 2013 in schaal 12p, trede 4.

  • -

    Bij uitspraak van dit Gerecht van 27 maart 2017 heeft het Gerecht onder meer overwogen dat verweerder in het –in die uitspraak- bestreden besluit, ten onrechte niets heeft overwogen over de bevordering van klager. Het Gerecht heeft voorts vastgesteld dat aan de rang van hoofdinspecteur de schaal 12, 13 of 14 is verbonden en dat verweerder in het besluit van 30 oktober 2015 niet heeft gemotiveerd waarom klager niet de gevraagde schaal 13 heeft gekregen. Tot slot heeft het Gerecht in die uitspraak overwogen dat verweerder niet voldoende duidelijk heeft overwogen omtrent de nabetalingen. Het beroep is daarom gegrond verklaard en het Gerecht heeft bepaald dat verweerder alsnog moet beslissen op de verzoeken van klager ten aanzien van ten aanzien van bevordering, bezoldiging en nabetaling. Het thans bestreden besluit is naar aanleiding van deze uitspraak genomen.

3.2

Klager stelt dat aan de functie van Hoofdinspecteur schaal 13 moet worden verbonden. Hij beroept zich op een rapport van Deloitte en Touche van 13 mei 2004, dat op 19 mei 2004 door de toenmalige Korpschef is geaccordeerd. Hij stelt dat hij deze schaal bovendien had moeten krijgen met ingang van 1 juli 2009, toen hij Hoofd Criminele Inlichtingendienst werd. Klager meent dat verweerder het rapport niet zomaar terzijde kan leggen. Hij meent bovendien dat hiermee verwachtingen zijn gewekt. In het bestreden besluit heeft verweerder wederom geen aandacht besteed aan zijn claim betreffende achterstallig salaris. In dat verband stelt klager dat hij per 2009 moet worden bezoldigd conform schaal 13, trede 1, per 2010 schaal 13, trede 2 en zo oplopend per 2017 in schaal 13, trede 9, hetgeen neerkomt op NAf 9.358,- per maand. Hij ontvangt echter thans NAf 6.795,- per maand. Ook wanneer van schaal 12 zou moeten worden uitgegaan, heeft klager een te lage nabetaling van achterstallig salaris gekregen. Klager heeft een berekening van salarisverschillen overgelegd.

3.3

Verweerder meent dat het bestreden besluit juist is. De periode tot 10 oktober 2010 is al verrekend via de toegewezen claim van klager bij de Vereffeningscommissie. Aan het rapport van Deloitte en Touche kan klager geen rechten ontlenen omdat het niet meer is dan een advies en niet is goedgekeurd door de Ministerraad, de Raad van Advies of de Gouverneur. De goedkeuring van het rapport door de Korpschef doet daar volgens verweerder niet aan af. Voor de berekening van het achterstallig salaris heeft verweerder gewezen op een memo van 30 november 2018. In deze memo, met als bijlagen een aantal loonstroken, staat onder meer dat de periode vanaf 2009 tot en met 9 oktober 2010 is afgerekend met de vereffening en uitbetaald met het salaris van augustus 2014. Voor wat de hoogte van het salaris betreft, en daarmee de hoogte van de nabetaling, wijst verweerder er op dat de politieschalen anders zijn dan de schalen voor de (andere) ambtenaren. Zo gaat de telling in schaal 12 niet verder dan trede 9, waar een salaris bij hoort van NAf 8127,- per maand. Ter zitting heeft mevrouw Hokahin voorts toegelicht dat een bevordering die plaatsvindt in de eerste zes maanden van een jaar, in de daaropvolgende jaar in de maand januari tot een verhoging van een trede leidt. Vindt de bevordering plaatst in de tweede helft van het jaar, dan komt het eerst tot een verhoging van de trede na 1,5 jaar. Voor klager betekent dit dat nu hij is bevorderd met ingang van 1 juli 2009, de tredeverhoging plaatsvindt met ingang van 1 januari 2011.

4 Het Gerecht overweegt als volgt

4.1

Het Gerecht stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de rang van klager heeft vastgesteld (op hoofdinspecteur), alsmede de schaal (12, trede 1, met ingang van 10 oktober 2010). Tegen de bevordering tot hoofdinspecteur heeft klager geen bezwaar gemaakt. Aan de orde is thans de vraag of klager in schaal 13, in plaats van schaal 12 had moeten worden ingeschaald.

4.2

Voor wat die inschaling betreft beroept klager zich op het genoemde rapport van Deloitte en Touche. Zoals het Gerecht eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 1 oktober 2018 (kenmerk SXM201800184 GAZ00009/2018), levert het door de Korpschef geaccordeerde rapport van Deloitte en Touche over de inschaling van politiefuncties geen rechten op voor de betrokken politiefunctionarissen, omdat het immers niet meer dan dat: een advies. De beslissingsbevoegdheid lag en ligt niet bij de Korpschef. Hiermee kan dan ook bij klager niet een in rechte te honoreren vertrouwen zijn gewekt dat hij conform dit advies zou worden ingeschaald. Andere gronden die maken dat hij in schaal 13 zou moeten zijn ingeschaald, heeft klager niet naar voren gebracht. Dat betekent dat de inschaling in schaal 12 de toetsing in rechte kan doorstaan.

4.3

Het derde punt betreft waarover verweerder, op grond van de uitspraak van 27 maart 2017, moest beslissen, is de claim van klager over zijn achterstallige salaris. Klager merkt terecht op dat verweerder in het bestreden besluit hierover nog altijd geen berekening en uitleg heeft gegeven. Pas op de zitting van 3 december 2018 heeft verweerder hierover een toelichting gegeven. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder wederom een onvoldoende gemotiveerd besluit heeft afgegeven. Zoals het Gerecht al heeft overwogen in een eerdere uitspraak in de zaak tussen klager en verweerder (de onder de feiten aangehaalde uitspraak van 27 maart 2017) staat de Regeling Ambtenarenrechtspraak niet toe dat een besluit gedeeltelijk wordt vernietigd, noch dat rechtsgevolgen in stand worden gelaten na vernietiging of dat het Gerecht zelf in de zaak voorziet. Het motiveringsgebrek op één van de drie beslispunten, moet daarom, bij gebrek aan wettelijk instrumentarium, leiden tot een volledige vernietiging van het bestreden besluit en de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen.

4.4

Ten behoeve van die nieuw te nemen beslissing, overweegt het Gerecht in de eerste plaats dat inhoudelijk inmiddels in deze uitspraak is geoordeeld over de bevordering van klager (te weten: tot hoofdinspecteur) en de inschaling (te weten: schaal 12). Ten behoeve van de te nemen beslissing over het derde punt, het achterstallig salaris, overweegt het Gerecht het navolgende.

4.5

Ter zitting heeft verweerder gesteld, hetgeen door klager niet is bestreden, dat voor politiefunctionarissen andere (bedragen bij) de schalen gelden, dan voor andere ambtenaren. Hiermee staat vast dat klager bij zijn overzicht van onjuiste cijfers is uitgegaan. Voor wat de nabetaling tot 10 oktober 2010 betreft heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat deze al is uitbetaald en wel in augustus 2014. Klager heeft dat niet bestreden. Ook voor wat de ingangsdatum van de trede-verhoging betreft, heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat deze niet eerder kan ingaan in dit geval, dan anderhalf jaar na de bevordering van klager met ingang van 1 juli 2009. Ook dit heeft klager niet bestreden. Het komt er dus op neer dat de uitleg die verweerder op de zitting van 3 december 2018 heeft gegeven voor juist moet worden gehouden.

5 Beslissing

Het Gerecht in ambtenarenzaken:

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond en de bestreden beschikking nietig,

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen zes weken na heden opnieuw beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

  • -

    veroordeelt het Land Sint Maarten tot vergoeding aan klager van een bedrag van NAf 1.400,- voor de kosten van deze procedure.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 7 januari 2019.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk. Zie titel IV van de regeling Ambtenarenrechtspraak.