Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:63

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
05-07-2019
Zaaknummer
AUA201801659
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht deelt niet de opvatting van klager dat er goede gronden zijn voor een bevordering per een eerdere datum dan 1 mei 2017. Op een eerder moment werd immers niet aan de vereisten voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 1 juli 2019

AUA201801659

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. R.P. Lee,

tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit gedateerd 2 mei 2017, no. 27 (bestreden landsbesluit) heeft verweerder besloten om klager met ingang van 1 mei 2017 te bevorderen in de functie van gevangenisinrichtingswerker, met vaststelling van de bezoldiging op schaal 4, dienstjaar 3, en van de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging op 1 mei 2019.

Tegen het bestreden landsbesluit heeft klager op 12 juni 2018 bezwaar gemaakt bij dit gerecht.

Verweerder heeft geen contra-memorie ingediend.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van 11 maart 2019, alwaar zijn verschenen klager bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid

1.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, die indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

1.2

Het gerecht gaat er op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van uit dat klager niet eerder dan op 16 mei 2018 van de bestreden beschikking kennis heeft kunnen nemen. Dit betekent dat het bezwaarschrift is ingediend binnen de termijn, gesteld in artikel 41, derde lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La). Het bezwaar is daarom ontvankelijk.

Feiten

2.1

Klager is die met ingang van 1 april 2014 naar schaal 3 bevorderd in de functie van gevangenisinrichtingswerker.

2.2

Op 1 april 2017 heeft klager het diploma VO-I behaald.

Standpunten van partijen

3.1

Klager bestrijdt de juistheid van het bestreden landsbesluit wat de ingangsdatum van de daarin neergelegde bevordering naar salarisschaal 4 betreft. Naar de mening van klager behoorde hij reeds met ingang van 1 april 2016 te worden bevorderd naar schaal 4. Het is niet zijn schuld dat verweerder de vereiste opleiding niet eerder heeft verzorgd.

Voorts klopt de datum van het bestreden landsbesluit niet.

Verweerder handelt in strijd met het rechtszekerheids-, zorgvuldigheids-, motiverings-, en rechtszekerheidsbeginsel, aldus klager.

3.2

Aan het bestreden landsbesluit ligt de overweging ten grondslag dat klager niet eerder dan met ingang van 1 mei 2017 kan worden bevorderd, aangezien hij (pas) op 1 april 2017 het diploma van de opleiding voortgezette opleiding I (VO-I) heeft behaald.

Beoordeling van het gerecht

4.1

In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder op goede grond heeft beslist om klager met ingang van 1 mei 2017 te bevorderen.

4.2

Bij de beantwoording van deze vraag stelt het gerecht voorop dat de bevoegdheid van verweerder om ambtenaren al dan niet te bevorderen discretionair van karakter is. Dit brengt met zich mee dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.3

Het Rangenstelsel Structuur Sector Binnendienst stelt als vereisten om in de door klager vervulde functie gevangenisinrichtingswerker naar schaal 4 te kunnen worden bevorderd, onder meer gelden: twee jaren ervaring in de functie en het bezit van het diploma VO-I. Bevordering vindt in de regel plaats met ingang van de eerste van de maand volgend op de maand waarin het diploma is behaald.

4.4

Gezien 2.1 en 2.2 voldoet klager per 1 mei 2017 aan de vereisten voor bevordering.

4.5

Het gerecht deelt niet de opvatting van klager dat er goede gronden zijn voor een bevordering per een eerdere datum dan 1 mei 2017. Op een eerder moment werd immers niet aan bovengenoemde vereisten voldaan. Dat de opleiding niet eerder aan klager is aangeboden, wat daar verder ook van zij, is niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat om die reden, met doorkruising van het gekozen systeem, voor een eerdere datum van bevordering moet worden gekozen. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat het eerder aanbieden van een opleiding niet garandeert dat het diploma dan ook eerder behaald wordt.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden landsbesluit foutief gedateerd is en dat dit 2 mei 2018 in plaats van 2 mei 2017 had behoren te zijn. Nu dit voor klager geen gevolgen heeft, ziet het gerecht in deze kennelijke misslag geen grond om het bezwaar gegrond te verklaren.

6. Van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is niet gebleken.

7. Nu de gronden van het bezwaar geen doel treffen, is het bezwaar ongegrond.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag, 1 juli 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.