Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:6

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
AUA201802236
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht is van oordeel dat de handeling van klager kan worden aangemerkt als seksuele intimidatie. Het gaat hierbij namelijk niet om de gestelde bedoeling van klager met zijn handeling, maar om de handeling met een seksuele connotatie (het zogenaamd zoenen) die tot gevolg heeft dat aangeefster zich niet veilig voelt in haar werkomgeving. Gelet hierop heeft verweerder terecht aan klager tegengeworpen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig oncollegiaal gedrag in de vorm van seksuele intimidatie. Verweerder heeft deze gedraging als plichtsverzuim kunnen aanmerken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 18 februari 2019

Gaza nr. AUA201802236

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klager],

wonende te Aruba,

KLAGER,

procederend in persoon,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 11 juni 2018 no. 76 (bestreden landsbesluit), is aan klager met toepassing van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, in samenhang met het vierde lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd.

Daartegen heeft klager op 24 juli 2018 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 19 oktober 2018 een contramemorie ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 januari 2019. Klager is in persoon verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid

1.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van La, wordt het bezwaarschrift ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen beschikking of de aangevallen handeling of weigering genomen, verricht of uitgesproken is.

Ingevolge het derde lid wordt hij die bezwaar inbrengt na de hiervoor bepaalde termijn, niet op grond daarvan niet-ontvankelijk verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking, handeling of weigering redelijkerwijs heeft kunnen kennis dragen.

1.2

Het gerecht stelt vast dat het bezwaarschrift niet is ingediend binnen de termijn gesteld in artikel 41, eerste lid, van de La. Uit het ontvangstbewijs blijkt echter dat klager de bestreden beschikking op 25 juni 2018 heeft ontvangen. Klager heeft op 24 juli 2018 bezwaar gemaakt. Gezien het derde lid van genoemd artikel is het bezwaar ontvankelijk.

Het wettelijk kader

2.1

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

2.2

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegd gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten.

2.3

In artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma is bepaald dat een van de disciplinaire straffen die kan worden toegepast, ontslag is. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat een straf voorwaardelijk opgelegd kan worden.

De feiten

3.1

Klager is ambtenaar in dienst bij Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero (DIMAS).

3.2

Op 2 maart 2017 heeft een collega, mevrouw [aangeefster] (aangeefster), een klacht tegen klager ingediend. De klacht is als volgt vastgelegd:

“[X] was bij ondergetekende gekomen om te informeren naar de status van een t.v. [Gerecht: toeristische verlenging], hij is daarna naar de afgifte ruimte gegaan om daar informatie t.a.v. deze file te vragen, ondergetekende volgde hem om te vertellen dat deze sedert vorige week ter ondertekening was verzonden.

[klager] stond op dat moment bij de deur. Ondergetekende bleef daar ook staan om [x] te informeren over deze file toen [klager] zijn gezicht heel dichtbij het gezicht van ondergetekende zetten alsof hij haar ging zoenen. Ondergetekende heeft betrokkene toen er op geattendeerd dat hij haar niet zo respectloos moest benaderen en dat ze niet gediend was van zulke “geintjes”. Dit is namelijk niet de eerste keer dat hij haar op een ondeugdelijke manier benaderd heeft en dat betrokkene al meerdere malen een klacht heeft ingediend tegen hem wegens “sexual harassment”.

3.3

Tussen 3 en 8 maart 2017 zijn er verschillende gesprekken gehouden met aangeefster, klager en twee andere collega’s.

3.4

Bij brief van 9 maart 2017 heeft de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie klager de toegang tot alle gebouwen, terreinen en voertuigen van DIMAS ontzegd voor een periode van zes weken.

3.5

Bij brief van 13 april 2017 heeft de directeur van DIMAS het Departamento di Recurso Humano (DRH) verzocht om een disciplinaire procedure tegen klager op te starten.

3.6

Met ingang van 24 april 2017 is klager weer tewerkgesteld.

3.7

In een brief van 12 september 2017 aan klager heeft verweerder gesteld uit ambtsberichten van de directeur van DIMAS te hebben vernomen dat klager ongeoorloofd gedrag, “sexual harassment”, heeft getoond. In de brief wordt toegelicht waaruit het plichtsverzuim zou blijken. Klager wordt in de gelegenheid gesteld binnen zeven dagen na ontvangst van de brief een verantwoording te geven.

3.8

Bij brief van 3 oktober 2017 heeft klager zich verantwoord. Hij schrijft onder meer:

“(…)

  • -

    dat [klager] op 28 februari 2017 inderdaad dicht bij een vrouwelijke collega is gaan staan en in de vorm van een grapje (joke) gedaan heeft alsof hij haar wilde zoenen;

  • -

    dat [klager] dit ook verklaard heeft doch dat hij niet verklaard heeft dat hij respectloos heeft gehandeld doch genoemde collega en hij wel vaker grapjes onder elkaar maakten;

  • -

    (…)

  • -

    dat deze klacht als een koude douche is aangekomen temeer omdat genoemde collega zelf ook vaak grapjes heeft gemaakt en [klager] deze grapjes nooit serieus heeft genomen;

  • -

    dat [klager] meent dat hij, gelet op het voorgaande de professionele sfeer binnen het Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero niet ernstig heeft geschaad, het is immers nimmer zijn bedoeling geweest de professionele sfeer binnen het Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero te schaden;

  • -

    (…)”

3.9

Bij brief van 5 december 2017 heeft de directeur van DIMAS gereageerd op onder punt 3.8 genoemde verantwoordingsbrief. Zij schrijft onder andere:

“(…)

De DIMAS is een overheidsinstantie die dienstverlening geeft en van de ambtenaar wordt gemaakt dat hij zich gedraagt als een goed ambtenaar wordt betaamd. De beschreven gedragingen en handelingen passen niet binnen een professionele organisatie. De heer [klager] had kunnen inschatten dat niet iedereen open staat voor ongepaste grappen.”

3.10

In het bestreden landsbesluit van 11 juni 2018 geeft verweerder een opsomming van hetgeen klager wordt tegengeworpen en gaat verweerder in op hetgeen klager in de verantwoording heeft aangevoerd. Verweerder concludeert dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig oncollegiaal gedrag en seksuele intimidatie ten opzichte van zijn vrouwelijk collega en dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan deze gedragingen klager niet kunnen worden toegerekend. Tegen klager is in het verleden reeds een melding gemaakt van seksuele intimidatie. De vorige melding is afgerond met een gesprek maar is niet opgenomen in het personeelsdossier van klager. De handelswijze van klager kan terecht worden aangemerkt als plichtsverzuim.

3.11

Bij landsbesluit van 11 juni 2018 no. 76 (bestreden landsbesluit), is aan klager met toepassing van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, in samenhang met het vierde lid, Lma de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd, met dien verstande dat de straf van disciplinair ontslag niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien betrokkene zich gedurende twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander plichtsverzuim.

De standpunten van partijen

4.1

Klager betoogt dat DIMAS bij het onderzoek geen rekening heeft gehouden met zijn belangen. Klager begrijpt niet waarom als gevolg hiervan zijn gedragingen zijn aangemerkt als ernstig plichtsverzuim en dit tot de zwaarste straf heeft geleid, namelijk voorwaardelijk ontslag. Ook heeft DIMAS bij het onderzoek gegevens uit het persoonlijk dossier van klager gebruikt, namelijk het in het verleden verzenden van een foto van zijn geslachtsdeel naar een collega. Klager betoogt dat niet is onderzocht of ten tijde van die verzending de foto bij de collega ongewenst of ongevraagd was. Klager meent dat de straf disproportioneel is.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat seksuele intimidatie c.q. ongewenst gedrag als een grove en zware overtreding wordt beschouwd waarmee de integriteit en de goede naam van DIMAS ernstig wordt geschaad. Er was al een eerder incident. Dit soort gedragingen wordt hard aangepakt.

De beoordeling

5.1

Aan de orde is in de eerste plaats of klager zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.

5.2

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan (vgl. CRvB 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997). Voorts moet het plichtsverzuim de ambtenaar zijn toe te rekenen en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

5.3

Het gerecht overweegt als volgt. Klager heeft erkend dat hij op 28 februari 2017 dicht bij aangeefster is gaan staan en in de vorm van een grapje heeft gedaan alsof hij haar wilde zoenen. Het gerecht is van oordeel dat de handeling van klager kan worden aangemerkt als seksuele intimidatie. Het gaat hierbij namelijk niet om de gestelde bedoeling van klager met zijn handeling, maar om de handeling met een seksuele connotatie (het zogenaamd zoenen) die tot gevolg heeft dat aangeefster zich niet veilig voelt in haar werkomgeving. Gelet hierop heeft verweerder terecht aan klager tegengeworpen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig oncollegiaal gedrag in de vorm van seksuele intimidatie. Verweerder heeft deze gedraging als plichtsverzuim kunnen aanmerken.

5.4

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag evenredig is. Klager heeft ter zitting erkend dat er reeds eerder een klacht tegen hem is ingediend en dat er naar aanleiding daarvan een gesprek met hem heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft mogen meewegen dat klager een gewaarschuwd man was. Naar het oordeel van het gerecht is de ernst van het plichtsverzuim zodanig dat dit het opleggen van de gekozen straf rechtvaardigt. Anders dan klager stelt, is de straf niet de zwaarst mogelijke, omdat het ontslag voorwaardelijk is.

5.5

Gelet op het voorgaande is het bezwaar van klager ongegrond.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter in ambtenarenzaken te Aruba, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 18 februari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.