Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:45

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
20-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
AUA201901249
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voorziening bij voorraad - Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de derde verlenging van het opdragen van andere werkzaamheden onrechtmatig. Van een dringend belang om verzoeker niet meer toe te laten tot zijn reguliere werkzaamheden is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 20 mei 2019

Gaza nr. AUA201901249

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een beslissing bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[VERZOEKER],

wonende te Aruba,

VERZOEKER,

gemachtigde: de advocaten mrs. D.G. Kock en E.M.J. Cafarzuza,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN TOERISME, VOLKSGEZONDHEID EN SPORT,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de advocaat mr. C.B.A. Coffie.

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 15 maart 2019 (de bestreden beschikking) heeft verweerder de ingevolge artikel 52 van de Lma aan verzoeker opgedragen werkzaamheden met een periode van twaalf weken verlengd.

Verzoeker heeft bij verzoekschrift 22 maart 2019 gevraagd om een beslissing bij voorraad als bedoeld in artikel 94 La.

Tevens heeft verzoeker op 1 april 2019 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Het verzoekschrift is op 6 mei 2019 behandeld in raadkamer, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. D.G. Kock is verschenen en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Het wettelijk kader

1.1

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de La kan een bezwaarschrift worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden, of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waarvoor die bevoegdheid is gegeven.

1.2

Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht zo nodig tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht.

Ingevolge het derde lid worden de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden de ambtenaar opgedragen door of namens de betrokken minister.

1.3

Ingevolge artikel 94 La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is. Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

1.4

Een verzoek om voorlopige voorziening kan worden toegewezen als redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de bestreden beschikking in de bodemprocedure in stand zal blijven.

De feiten

2.1

Vanaf oktober 2016 bekleedde verzoeker de functie van directeur van [naam overheidsdiensten].

2.2

Bij brief van 22 mei 2018 bericht [naam afgevaardigde van de vakbond T.O.P.A.] (hierna: [naam]), afgevaardigde van de vakbond T.O.P.A., verweerder over de grote onvrede onder het personeel over het functioneren van verzoeker. [naam afgevaardigde van de vakbond T.O.P.A.] schrijft onder anderen:

“(…)

De werknemers van de [naam overheidsdiensten] binnen de verschillende afdelingen en diensten hebben knelpunten die zij dagelijks beleven in kaart gezet (zie Bijlage 1: Doorlichting [naam overheidsdiensten]). Deze knelpunten wijzen uit naar een wanbeleid van de [naam overheidsdiensten]. Dit wanbeleid is van een zo ingrijpende aard dat er geen sprake kan zijn van voldoende kennis en kunde van de directeur. Er is sprake van een verkeerde keuze in management stijl (dwang).

(…)

Ook het tevredenheidsonderzoek bevestigt deze gevolgen. De heer [verzoeker] is niet capabel om de functie van directeur van de [naam overheidsdiensten] uit te oefenen (Zie Bijlage 2: Tevredenheidsonderzoek).

(…)

Al met al is de conclusie dat de heer [verzoeker] niet geschikt is om de functie van directeur van de [naam overheidsdiensten] te bekleden. De werknemers van de [naam overheidsdiensten] verzoeken de Minister van TVS om in te grijpen. De heer [[verzoeker]] kan niet langer deze functie uitoefenen. Als Minister kijken wij uit naar uw hulp. Wij rekenen erop dat u de nodige maatregelen treft om ervoor te zorgen dat de [naam overheidsdiensten] weer naar behoren kan functioneren. De werknemers verlangen naar goede arbeidsomstandigheden waarin de werknemers waarin de werknemers van de [naam overheidsdiensten] weer lichamelijk en mentaal gezond en optimaal hun werk kunnen doen.”

2.3

Bij brief van 25 mei 2018, gericht aan verweerder, geeft verzoeker antwoord op de onder 2.2 genoemde brief. Verzoeker concludeert:

“Gezien alle meningen c.q. uitingen van betrokkene is duidelijk dat betrokkene een persoonlijke vendetta heeft ten aanzien van ondergetekende. Nimmer kan geconcludeerd worden dat alle uitingen representatief zijn voor de gehele organisatie.

(…)

De wijze waarop op dit moment [naam afgevaardigde van de vakbond T.O.P.A.] zijn “persoonlijk” lijkende strijd aan het voeren is waarbij er mede gebruik gemaakt wordt van de media is zeer schadelijk voor het imago van zowel de [naam overheidsdiensten] als ondergetekende.”

2.4

Op 25 mei 2018 heeft “E Arubiano” www.earubianonews.com (hierna: de website) op haar website een artikel gepubliceerd met de titel: “Tin varios keho riba director di [naam overheidsdiensten] cu posibel pratica di dictadura fuerte cu ambtenaarnan”, waarin diverse aantijgingen tegen verzoeker in het kader van zijn functie als directeur zijn geuit.

2.5

Op 28 mei 2018 heeft de website een artikel gepubliceerd met als titel: “Ex trahado di [naam overheidsdiensten] ta uni su mes y ta sostene su ex-coleganan den e situacion dificil na departamento di [naam overheidsdiensten].”

2.6

Op 29 mei 2018 heeft de website een artikel gepubliceerd met als titel: “E Arubiano Audio: Nombramento di director di [naam overheidsdiensten] te ainda ta algo dudoso.”

2.7

Op 29 mei 2018 heeft de (DRH) een advies uitgebracht. De conclusie luidt:

“Het lijkt onvermijdelijk dat de [naam overheidsdiensten] een nieuwe start moet maken. Om rust te brengen en ook objectiviteit voor deugdelijke en weloverwogen besluitvorming wordt u geadviseerd om een commissie in te stellen die belast zal worden met de doorlichting met dezelfde probleemstelling en aanpak als bij de DIP, namelijk de organisatie, het beleid en de hoofdwerkprocessen door te lichten.”

2.8

Bij brief van 31 mei 2018 heeft verweerder aan verzoeker verzocht zich binnen 48 uur schriftelijk te verantwoorden ter zake het onder 2.4 opgenomen artikel.

2.9

Bij beschikking van 1 juni 2018 heeft verweerder besloten om aan verzoeker de toegang tot de [naam overheidsdiensten] te ontzeggen. Verweerder schrijft:

“In het belang van de voorgenomen doorlichting en intern onderzoek bij de [naam overheidsdiensten] bericht ik aan u dat u per direct de toegang tot het onderkomen van de [naam overheidsdiensten] alsook de toegang tot de onderkomens van de onder de [naam overheidsdiensten] ressorteerde diensten is ontzegd.”

2.10

Op 1 juni 2018 heeft de directeur van de DRH een nadere toelichting gegeven op zijn advies van 29 mei 2018. De directeur schrijft onder anderen:

“(…)

Concreet is voorgesteld om een doorlichting te laten plaatsvinden waarbij beleid, organisatie en processen doorgelicht kunnen worden. In hetzelfde advies is een korte zin opgenomen, namelijk: Het lijkt onvermijdelijk dat de [naam overheidsdiensten] een nieuwe start moete maken.

Uit de verklaringen in de pers moet ik begrijpen dat deze zin verkeerd is geïnterpreteerd. Bij de genoemde maatregelen verwijst u oa naar genoemde zin en advies van DRH. Kennelijk is oa besloten om:

- de directeur [naam overheidsdiensten] naar huis te sturen en een management team in te stellen.

- een doorlichting te entameren.

Vanwege de interpretatie van genoemde zin, zal ik een en ander toelichten.

Op geen enkel moment is geadviseerd om een conclusie te trekken omtrent het functioneren van de directeur, doch wel omtrent achtergrond van klachten van de heer [naam afgevaardigde van de vakbond T.O.P.A.].

(…)

Het voorstel voor een doorlichting verwijst naar het onderzoeken van organisatie, beleid en processen om o.a. de vele aantijgingen te achterhalen, bevestigen of uit de wereld te helpen. Dit om rust te brengen en objectiviteit voor deugdelijke en weloverwogen besluiten te creëren. Dit is wat bedoeld wordt met de nieuwe start en was dus geen enkel moment gericht op de directeur [naam overheidsdiensten] of enig ander persoon.

(…)

Indien u de visie en aanpak van dhr. Staring wenst aan te passen dan is dat uw prerogatief. Met mogelijke koerswijziging (ook bij alle andere formatieonderzoeken) is rekening gehouden door de afrondende werkzaamheden van de formatierapporten (ruim 30) tot na de verkiezingen aan te houden.

Voor wat betreft de uitspraken omtrent “handpicked” van dhr. [verzoeker] ter vervulling van de functie van Directeur [naam overheidsdiensten] en niet volgen van de werving en selectieprocedure zij dat dit niet het geval is. Betrokkene heeft een selectieprocedure doorlopen en na een assessment heeft de commissie geadviseerd om betrokkene te benoemen als directeur waarbij wel als advies is gegeven om betrokkene coaching/begeleiding in de nieuwe functie aan te bieden vanwege het belang van de strategische functie.

(…).”

2.11

Bij ministeriele beschikking van 11 juni 2018 heeft verweerder besloten om per 6 juni 2018 en voor een periode van 3 maand een managementteam voor de [naam overheidsdiensten] in te stellen. Onder punt III van de beschikking heeft verweerder besloten aan de voorzitter van het managementteam de taken en bevoegdheden die volgens de wet en beleid aan de directeur van de [naam overheidsdiensten] toekomen, toe te kennen.

2.12

Bij beschikking van 13 juni 2018 heeft verweerder een nadere motivering aan verzoeker gegeven omtrent de toegangsontzegging van 1 juni 2018. Verweerder schrijft onder anderen:

“(…)

Een aantal van de bovengenoemde punten staan direct in verband met uw functioneren als directeur (en leidinggevende) van de [naam overheidsdiensten]. Daarnaast zal tevens een intern onderzoek worden gedaan naar de aantijgingen tegen uw persoon zoals verwoord op de blog www.earubioano.com, welke ik tijdens de vergadering met u op donderdag, 31 mei 2018 heb besproken. Zij vermeldt dat ik tot de dag van vandaag uw verantwoording hierop niet heb mogen ontvangen.

Zoals reeds aangegeven is het in het belang van de voorgenomen doorlichting en met name het intern onderzoek bij de [naam overheidsdiensten], dat uw toegang tot het onderkomen van de [naam overheidsdiensten] alsook uw toegang tot de onderkomens van de onder de [naam overheidsdiensten] ressorteerde diensten is ontzegd.

(…)

Voornoemd onderzoek en de voorgenomen doorlichting zal in principe zes weken in beslag nemen.”

2.13

Bij e-mailbericht van 19 juni 2018 schrijft verzoeker aan verweerder:

“zoals ik u ook gedurende ons gesprek heb meegedeeld doe ik volledig afstand van vorenvermeld artikel en het bevreemd me ten zeerste dat een minister aan een diens directeuren verzoekt zich te verantwoorden voor hetgeen een blogartikel de wereld in werpt.

mijn verweer zoals minister heeft gevraagd is het volgende:

ik heb zoals tevens vermeld gedurende ons persoonlijke gesprek inmiddels een kort geding aangespannen ten aanzien van vorenvermeld schrijver van het blogartikel daar ik volledig afstand doe van hetgeen beschreven.”

2.14

Bij uitspraak van dit gerecht van 6 juli 2018 (AUA201801566 en AUA201801698) zijn de onder 2.9 en 2.12 genoemde beschikkingen (toegangsontzegging) geschorst totdat in hoogste instantie op de daartegen gerichte bezwaren zal zijn beslist.

2.15

Bij beschikking van 6 juli 2018 heeft verweerder verzoeker opgedragen om conform artikel 52 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), voor de duur van twaalf weken werkzaamheden te verrichten als beleidsadviseur/beleidsmedewerker in plaats van als directeur van [naam overheidsdiensten]. Verweerder schrijft:

“Kort na het aantreden van het managementteam [op 11 juni 2018] zijn diverse gesprekken gevoerd met het personeel, waarbij verschillende klachten zijn gemeld (over uw functioneren). Uw afwezigheid heeft dit ongetwijfeld mogelijk gemaakt. De intake en registratie van deze gesprekken zijn nog niet afgerond en vormen onderdeel van de nog lopende onderzoeken naar onder andere meerdere aantijgingen en/of indicaties van plichtsverzuim die afdoen in het vertrouwen dat in u werd gelegd, gelet op uw functie. Mede in het kader hiervan heb ik dan ook besloten om het managementteam en haar taken en bevoegdheden intact te laten. Dit zal mijns inziens ten goede komen van de rust bij het personeel op de werkvloer. Op advies van de DRH is ook een doorlichtingscommissie ingesteld die de doorlichting op dit moment uitvoert.

Op grond van gemelde nog lopende onderzoeken acht ik het in het belang van de dienst en van de verdere loop van de onderzoeken van belang, dat u tijdelijk (wellicht) andere ambtelijke werkzaamheden bij de [naam overheidsdiensten] zult moeten uitvoeren dan u gewoonlijk verricht.”

2.16

Bij uitspraak van dit gerecht van 17 augustus 2018 (AUA201802071) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker tot het treffen van een voorziening bij voorraad afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt:

“2.11 Deze ondeugdelijke motivering leidt - anders dan in de rechterlijke uitspraak van 6 juli 2018 - evenwel niet tot het treffen van een voorlopige voorziening. Niet valt immers uit te sluiten dat in de bodemprocedure de gebreken in de vermelding van de motivering van de beschikking van 6 juli 2018 voor gedekt worden verklaard, gelet op de uitvoerige nadere motivering en concretisering die in de procedure bij dit Gerecht door verweerder ter zitting is verstrekt. In dat verband hecht de voorzieningenrechter met name aan de nadere onderbouwing van verweerder dat wordt gevreesd dat verzoeker in zijn positie van directeur het onderzoek bij [naam overheidsdiensten] zou kunnen frustreren, en dat onderzoek wordt gedaan naar de klachten - die nu zijn geconcretiseerd - over het functioneren van verzoeker zelf.”

2.17

Bij beschikking van 1 oktober 2018 heeft verweerder de ingevolge artikel 52 van de Lma opgedragen werkzaamheden met een periode van twaalf weken verlengd.

2.18

Bij beschikking van 15 januari 2019 heeft verweerder de ingevolge artikel 52 van de Lma opgedragen werkzaamheden met een periode van twaalf weken verlengd.

2.19

Bij uitspraak van dit gerecht van 4 februari 2019 (AUA201900122) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker tot het treffen van een voorziening bij voorraad afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt:

“Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat het opdragen van andere werkzaamheden op grond van artikel 52 van de Lma een tijdelijk karakter dient te hebben en niet telkenmale verlengd kan worden. Op verweerder rust de plicht om voortvarend te handelen teneinde onnodige verlengingen te voorkomen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het interne onderzoek naar het functioneren van verzoeker nog gaande is en verweerder in afwachting is van het advies van DRH omtrent de consequenties als gevolg van de verkregen onderzoeksresultaten. Het managementteam dient de gelegenheid te krijgen dit interne onderzoek af te ronden hetgeen wordt bemoeilijkt als verzoeker zijn werkzaamheden als directeur hervat. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter thans geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet tot onderhavige verlenging had kunnen komen. De voorzieningenrechter zal het belang van verweerder thans nog zwaarder laten wegen dan het belang van verzoeker om zijn werkzaamheden als directeur te hervatten. Bij deze belangenafweging betrekt de voorzieningenrechter dat het salaris van verzoeker wordt doorbetaald en hij in de gelegenheid wordt gesteld andere werkzaamheden te verrichten. Verweerder dient in de komende weken concrete stappen te nemen betreffende de rechtspositie van verzoeker teneinde een derde verlenging van de periode waarin verzoeker andere werkzaamheden worden opgedragen te voorkomen.”

2.20

Bij bestreden beschikking van 15 maart 2019 heeft verweerder de ingevolge artikel 52 van de Lma opgedragen werkzaamheden met een periode van twaalf weken verlengd.

2.21

Op 12 april 2019 heeft de DRH advies uitgebracht ter zake de rechtspositie van verzoeker.

De standpunten van partijen

3.1

Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder inmiddels voldoende tijd heeft gehad om zijn onderzoek te verrichten. Het opdragen van andere werkzaamheden is van tijdelijke aard. Telkens hierop een beroep doen brengt oneigenlijk gebruik hiervan mee, aldus verzoeker. Aan verzoeker zijn alleen om te voorkomen dat hij weer op de werkplek zou verschijnen. Verweerder heeft geen concrete stappen ondernomen om te beslissen over de rechtspositie van verzoeker. De quickscan is al in september 2018 afgerond. Men heeft in tien maanden tijd niets anders gedaan dan blijven verwijzen naar hetzelfde quickscanrapport.

3.2

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek, dat er herhaaldelijk om nader advies is verzocht bij de DRH en dat de DRH op 12 april 2019 een advies heeft uitgebracht. In haar advies gaat de DRH in op de ongeschiktheid van verzoeker voor zijn functie en gaat de DRH in op zijn rechtspositie. Verweerder is voornemens om dit advies op te volgen met betrekking tot het oproepen van verzoeker ter verantwoording voor plichtsverzuim en ook met betrekking tot de ontheffing uit zijn functie en zijn overplaatsing. Verzoeker krijgt binnenkort duidelijkheid over zijn rechtspositie. De verlenging van de termijn is noodzakelijk omdat verweerder tijd nodig heeft om een passende functie voor verzoeker vinden danwel om alsnog te overwegen of ontslag toch mogelijk is. De duur van de tijdelijke opdracht is niet onredelijk lang en er is geen sprake van oneigenlijk gebruik van artikel 52, lid 1, van de Lma. Een belangenafweging valt nog steeds in het voordeel van verweerder, zeker gelet op het advies van de DRH. Een terugkeer van verzoeker naar de DVG zou funest zijn voor de huidige rust binnen de [naam overheidsdiensten]. Verzoeker lijdt geen onevenredig nadeel nu hij toegelaten is tot het werk en zijn maandelijks inkomen blijft ontvangen. Eventuele gebreken in de beschikking (waaronder een mogelijk motiveringsgebrek) dienen voor gedekt te worden verklaard.

De beoordeling

4.1

Ten aanzien van het spoedeisend belang overweegt de voorzieningenrechter dat weliswaar niet is gebleken dat verzoeker als gevolg van de bestreden beslissing financieel nadeel ondervindt, doch kan de voorzieningenrechter zich indenken dat verzoeker zich door de verlenging van de periode waarin hem andere werkzaamheden zijn opgedragen op een zijspoor gezet voelt, met alle mogelijke gevolgen voor zijn verdere carrière en zijn arbeidsvreugd van dien. Hij heeft, anders dan verweerder heeft betoogd, daarom een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening.

4.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat het onderzoek naar het functioneren van verzoeker is afgerond. Het managementteam heeft daarmee de gelegenheid gekregen om het intern onderzoek af te ronden in afwezigheid van verzoeker.

4.3

Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat het opdragen van andere werkzaamheden op grond van artikel 52 van de Lma een tijdelijk karakter dient te hebben en niet telkenmale verlengd kan worden. In de laatste uitspraak van 4 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter reeds overwogen dat verweerder concrete stappen dient te nemen betreffende de rechtspositie van verzoeker teneinde een derde verlenging van de periode waarin verzoeker andere werkzaamheden worden opgedragen te voorkomen. Desondanks heeft verweerder deze periode nogmaals met twaalf weken verlengd (derde verlenging).

4.4

De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen verweerder verzoeker thans verwijt, zijnde gesteld ongeoorloofd verzuim en dienstweigering, geen betrekking heeft op de situatie zoals die bestond toen besloten werd verzoeker andere werkzaamheden op te dragen.

4.5

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de derde verlenging onrechtmatig. Van een dringend belang om verzoeker niet meer toe te laten tot zijn reguliere werkzaamheden is niet gebleken. Dit leidt tot de conclusie dat ernstig moet worden betwijfeld of de bestreden beslissing in de bodemprocedure in stand kan blijven. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de bestreden beslissing te schorsen en een voorziening bij voorraad te treffen zoals door verzoeker verzocht.

4.6

Het voorgaande betekent dat elke volgende verlenging ook als onrechtmatig zal worden beschouwd.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

schorst de bestreden beslissing van 15 maart 2019;

wijst het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad toe;

gelast dat verzoeker met onmiddellijke ingang wordt toegelaten tot de [naam overheidsdiensten] om zijn reguliere werkzaamheden als directeur uit te voeren;

bepaalt dat deze voorziening van kracht blijft totdat is beslist op het bezwaarschrift.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken in raadkamer op maandag, 20 mei 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ingevolge het bepaalde in artikel 94, lid 4, Landsverordening ambtenarenrechtspraak staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.