Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:4

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
AUA201800166
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht is van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid om klaagster in te schalen in de inloopschaal 7,1 van de rang adjunct-commies 1ste klasse. Het betoog van klaagster dat de functie-eis WO-opleiding geen “afgeronde” WO-opleiding inhoudt, volgt de ambtenarenrechter niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 18 februari 2019

Gaza nr. AUA201800166

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[Klaagster],

wonend in Aruba,

KLAAGSTER,

procederend in persoon,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 8 september 2017 no. 1 (het bestreden landsbesluit) heeft verweerder een aantal deelbesluiten omtrent de rechtspositie van klaagster genomen.

Op 19 januari 2018 heeft klaagster daartegen pro forma bezwaar gemaakt. De gronden van haar bezwaar heeft klaagster op 23 maart 2018 ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2018. Klaagster is in persoon verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

Verweerder heeft op 24 september 2018 aanvullende stukken ingediend.

Klaagster heeft op 8 oktober 2018 aanvullende stukken ingediend.

Hierna is de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2019. Klaagster is in persoon verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1

Klaagster was sinds 2000 op contractbasis werkzaam bij de Departamento di Inmigracion y Naturalisacion Aruba DINA (thans DIMAS).

1.2

Klaagster is op 20 juni 2005 benoemd als ambtenaar in tijdelijke dienst. Dit aanstellingsbesluit is niet direct geslagen.

1.3

Bij uitspraak van dit gerecht van 8 december 2010 (Gaza nr. 1711 van 2010) heeft de ambtenarenrechter een bezwaar van klaagster voor zover gericht tegen het nalaten door de minister van Justitie om bij verweerder een voordracht te doen tot haar benoeming per 20 juni 2005 tot adjunct-commies 1ste klasse gegrond verklaard. Ten aanzien van de benoemingsschaal van klaagster overweegt het gerecht:

“4.3 De eerst te beantwoorden vraag is wat de BrA voorschrijft voor de benoeming van klaagster. Nu artikel 4 lid 3 BrA niet is toegepast, moeten uitsluitend de voorschriften van Bijlage B bij de BrA worden gehanteerd. Volgens die bijlage was enkel het Vwo-diploma onvoldoende om klaagster op 20 juni 2005 in een hogere rang te benoemen dan klerk 1e klasse (schaal 4). Onduidelijk is of de werkervaring, die klaagster heeft opgedaan in het advocatenkantoor, gelijk te stellen valt met de ervaring die door de bijlage wordt vereist voor een benoeming of bevordering tot hoofdklerk (schaal 5) of hoger. Een propedeusediploma rechten wordt in de BrA niet genoemd en valt ook niet gelijk te stellen aan de diploma’s, die een benoeming in hogere rangen dan klerk 1e klasse mogelijk maken. Het gerecht gaat er daarom hierna vanuit dat klaagster volgens Bijlage B bij de BrA per 20 juni 2005 ten hoogste in een rang met schaal 4 kon worden benoemd.

4.4

Het Land heeft niettemin medio 2000 bij het sluiten van het arbeidscontract aan klaagster een salaris conform de ambtenarenschaal 7 aangeboden. Bij het sluiten van dit contract was het Land weliswaar strikt genomen niet gebonden aan de voorschriften van de BrA, maar het heeft die voorschriften wel tot uitgangspunt genomen en is daarvan afgeweken omdat verwacht werd dat klaagster korte tijd daarna zou afstuderen. Vijf jaar later, toen besloten werd dat klaagster als ambtenaar zou worden aangesteld, was deze verwachting er niet meer. Klaagster heeft er in dit verband op gewezen dat zij niet kon afstuderen als gevolg van problemen tussen haar en de universiteit, aan welke problemen zij geen schuld had. Voor de BrA is het echter uitsluitend van belang of klaagster een diploma heeft, of niet. Dit in de wet vastgelegde uitgangspunt is niet onredelijk en evenmin is het onredelijk om daaraan vast te houden in het geval van klaagster. Evenmin is het ongebruikelijk dat een werkgever bij een indiensttreding niet zelf toetst of iemands opleiding voldoende is om een bepaald diploma te behalen, maar afgaat op het oordeel daarover van erkende onderwijsinstellingen. Hier komt bij dat klaagster in 2005 van de benoemingseisen van de BrA op de hoogte was, of had behoren te zijn.

4.5

Op grond van het vorenstaande had klaagster er rekening mee moeten houden dat het Land bij haar aanstelling als ambtenaar zou beslissen om haar in een lagere rang te benoemen dan adjunct-commies 1e klasse. Dit wordt niet anders doordat klaagster niet uitdrukkelijk op dit risico is gewezen. Het beroep van klaagster op opgewekt vertrouwen blijkt dan ook ongegrond te zijn.

4.6

Uit het voorgaande blijkt dat klaagsters benoeming per 20 juni 2005 tot adjunct-commies 1e klasse is geschied in afwijking van de voorschriften van de BrA, maar in klaagsters voordeel. Het gerecht ziet daarom niet in dat de begrenzing van dit voordeel, die wordt bereikt door te bepalen dat klaagster niet eerder dan in 2012 zal kunnen worden bevorderd, onredelijk is.

4.7

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat evenmin op. Klaagster is niet in de functie van jurist aangesteld, zodat haar positie niet vergelijkbaar is met die van de niet-jurist, die in de functie met de naam jurist is benoemd.”

1.4

Op 23 februari 2011 heeft verweerder een landsbesluit genomen waarin klaagster is benoemd in de rang van adjunct-commies 1ste klasse. Partijen hebben dit landsbesluit niet overgelegd.

1.5

Bij landsbesluit van 24 oktober 2016, no. 29 heeft verweerder besloten om klaagster met ingang van 1 september 2012 te bevorderen naar de rang van commies (schaal 8, dienstjaar 9).

1.6

Bij advies van 3 mei 2017 adviseert de Departamento di Recurso Humano (DRH) aan de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie het volgende:

“(…)

Inschaling bij benoeming in tijdelijke dienst

Bij landsbesluit van 23 februari 2011 No. 2 (No. DRH/495) is betrokkene met ingang van 1 juli 2005 benoemd als ambtenaar in tijdelijke dienst in de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7). Echter is geconstateerd dat de inschaling verkeerd is geschied. Betrokkene had door haar VWO-diploma en 4 jaren relevante gestaafde werkervaring in schaal 5, dienstjaar 1 moeten worden benoemd. Hierdoor werd u geadviseerd om haar carrière te vertragen.

Gaza 1711/2010

Doordat betrokkene niet erop is gewezen dat bij de benoeming als ambtenaar betrokkene in een lagere rang dan adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7) kan worden benoemd heeft het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba op 8 december 2010, Gaza nr. 1711 van 2010 haar bezwaar gegrond verklaard. Betrokkene dient met ingang van 1 juli 2005 in schaal 7 aanvang te worden ingeschaald in plaats van conform Bezoldigingsregeling Aruba !986 (BRA) ingeschaald te worden in rang van schaal 4 op basis van haar VWO-diploma.

Conform het bovenstaande dient het landsbesluit van 23 februari 2011 No. 2 (No. DRH/495) inzake benoeming in tijdelijke dienst gecorrigeerd te worden. (…)”

1.7

Bij landsbesluit van 8 september 2017, no. 1, heeft verweerder besloten om:

- het dienstjaar van het landsbesluit van 23 februari 2011 no. 2 te wijzigingen in dienstjaar 1;

- klaagster met ingang van 1 juli 2007 te bevorderen naar de rang van commies (schaal 8,1);

- klaagster met ingang van 1 januari 2008 te ontheffen uit de functie van medewerker beleid en juridische ondersteuning en te plaatsen in de functie van beleidsmedewerker bij het Departamento di Integracio, Maneho y Admision di Stranhero (DIMAS);

- klaagster met ingang van 1 juli 2009 te bevorderen naar de rang van commies 1ste klasse, (schaal 9,1);

- klaagster met ingang van 1 juli 2011 te bevorderen naar de rang van hoofdcommies (schaal 10,1);

- klaagster met ingang van 1 juli 2013 te bevorderen naar de rang van hoofdcommies 1ste klasse (schaal 11,1);

- klaagster met ingang van 1 juli 2015 te bevorderen naar de rang van referendaris (schaal 12,1);

- de bevordering tot administrateur (schaal 13) aan te houden tot na afronding door betrokkene van de benodigde opleiding, dat wil zeggen tot nadat betrokkene aan de vereiste opleidingseisen voldoet;

- de aan klaagster met ingang van 1 september 2012 en 1 september 2014 toegekende periodieke verhoudingen in te trekken;

- het landsbesluit van 24 oktober 2016 no. 29 in te trekken.

1.8

Bij uitspraak van dit gerecht van 22 januari 2018 (AUA201600576) is het onder 1.5 genoemde landbesluit vernietigd.

De standpunten van partijen

2.1

Klaagster kan zich niet verenigen met het bestreden landsbesluit en voert hierbij aan dat verweerder in strijd handelt met de strekking van de uitspraak van 8 december 2010. Indien verweerder van mening was dat er andere voorwaarden aan de inschaling gekoppeld zouden worden had dit van tevoren aan klaagster kenbaar moeten worden gemaakt. De aanvang-schaal klopt niet omdat dit schaal 7,5 dient te zijn en niet 7,1. Bij aanvang van haar dienstverband op 1 juli 2005 was zij namelijk ingeschaald in schaal 7 dienstjaar 5. De verdere ingangsschalen dienen naar analogie van de ingangsschaal 7,5 te worden aangepast. Tevens kan klaagster zich niet verenigen met de aanhouding van haar bevordering naar schaal 13. Zij voldoet aan het functieniveau. Volgens klaagster betekent de functie-eis WO-opleiding geen “afgeronde” WO-opleiding.

2.2

Verweerder voert aan dat het bestreden landsbesluit correct is. Verweerder moest bij de aanstelling van klaagster haar rechtspositie toetsen naar de regels conform de BRA. Klaagster heeft tot op heden geen WO- noch een HBO-opleiding afgerond. De enkele inschaling in de rang van adjunct-commies 1ste klasse is het gevolg van de onder 1.3 genoemde uitspraak van 8 december 2010. Nergens in die uitspraak heeft de ambtenarenrechter overwogen dat klaagster in schaal 7,5 ingeschaald diende te worden. Zij is conform de uitspraak ingeschaald in de inloopschaal van de rang adjunct-commies 1ste klasse. Voor een bevordering naar schaal 13 dient klaagster een afgeronde WO-opleiding te hebben. Zij voldoet niet aan dit vereiste.

Het wettelijk kader

3.1

In artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (BRA) is bepaald dat de bij dit landsbesluit behorende bijlage B de benoemings- en bevorderingseisen voor verschillende betrekkingen opgenomen.

Ingevolge het tweede lid dient de betrokkene, om in aanmerking te kunnen komen voor een benoeming tot ambtenaar, voor een bevordering of voor overgang naar een andere betrekking, aan de in het eerste lid voor de desbetreffende betrekking bedoelde eisen te voldoen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht.

3.2

Ingevolge artikel 13 Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

Ingevolge het tweede lid geschiedt, ingeval ten aanzien van de aanstelling en de bevordering ontwikkelings- en andere eisen moeten worden vastgesteld, zulks bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.

De beoordeling

Aanvang-schaal

4.1

In de uitspraak van 8 december 2010, zie 1.3, heeft de ambtenarenrechter reeds overwogen dat klaagster er rekening mee had moeten houden dat het Land bij haar aanstelling als ambtenaar zou beslissen om haar in een lagere rang te benoemen dan adjunct-commies 1e klasse. Anders dan klaagster stelt, heeft de ambtenarenrechter in rechtsoverweging 4.5 van die uitspraak overwogen dat klaagster er rekening mee had moeten houden dat het Land bij haar aanstelling als ambtenaar zou beslissen om haar in een lagere rang te benoemen dan adjunct-commies 1e klasse en dat dit niet anders wordt doordat klaagster niet uitdrukkelijk op dit risico is gewezen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel is bij die uitspraak ongegrond verklaard. Ten onrechte leidt de DRH, zie 1.6, uit de uitspraak af dat klaagster per 1 januari 2005 ingeschaald dient te worden in 7.

4.2

In het dictum van voornoemde uitspraak heeft de ambtenarenrechter het bezwaar van klaagster gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het nalaten om bij verweerder een voordracht te doen tot de benoeming per 20 juni 2005 van klaagster tot adjunct-commies 1ste klasse. Verweerder heeft bij het bestreden landsbesluit gevolg gegeven aan die uitspraak. Het gerecht is van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid om klaagster in te schalen in de inloopschaal 7,1 van de rang adjunct-commies 1ste klasse.

Opleidingsvereiste

5. Klaagster bekleedt de functie van beleidsmedewerkster welke functie maximaal gewaardeerd is op schaal 13. Niet meer in geschil is dat deze functie als functievereiste heeft: een WO opleiding, beleids-/sociale/- juridische richting. Naar het oordeel van de ambtenarenrechter kan de door verweerder gegeven motivering een aanhouding van de bevordering tot administrateur (schaal 13), dragen. Vast staat dat klaagster immers niet aan de opleidingsvereisten voldoet. Het betoog van klaagster dat de functie-eis WO-opleiding geen “afgeronde” WO-opleiding inhoudt, volgt de ambtenarenrechter niet. De bewoordingen van het functievereiste “WO opleiding, beleids-/sociale/- juridische richting” laten geen andere uitleg toe dan dat een afgeronde WO-opleiding is vereist.. Het bezwaar is ongegrond.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 18 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.