Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:29

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
25-03-2019
Datum publicatie
15-04-2019
Zaaknummer
AUA201900105
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voorziening bij voorraad - niet is aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van verzoeker dat hij ongeschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 25 maart 2019

AUA201900105

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op de verzoeken tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[verzoeker],

wonend in Aruba,

VERZOEKER,

gemachtigde: de advocaat mr. D. Canwood,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. D.G.Kock.

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 6 september 2018, no. 5 (bestreden besluit), is verzoeker per direct, met toepassing van artikel 53 en artikel 87, aanhef en onder c, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), uit de functie van directeur het Central Bureau Statistiek (CBS) ontheven.

Tegen dit landsbesluit heeft verzoeker op 5 oktober 2018 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Tevens heeft hij op 14 januari 2019 aan het gerecht verzocht een voorziening bij voorraad te treffen als bedoeld in artikel 94 van de La ertoe strekkende tot schorsing van het landsbesluit.

Het verzoek is op 11 maart 2019 in raadkamer behandeld, alwaar zijn verschenen verzoeker bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Wettelijk kader

1.1

Ingevolge artikel 94 van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

1.2.

Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 van de La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure. Een verzoek om voorlopige voorziening kan worden toegewezen als redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de bestreden beschikking in de bodemprocedure in stand zal blijven.

Feiten

2.1

Verzoeker was van 1 januari 2015 tot oktober 2016 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam bij het CBS als voorzitter van het managementteam. Verzoeker is sinds 1 oktober 2016 als ambtenaar in dienst van het Land Aruba en werkzaam in de functie van directeur bij het Central Bureau Statistiek (CBS).

2.2

Bij het bestreden besluit is verzoeker met toepassing van artikel 53 en 87 sub c van de La per direct ontheven uit zijn functie. In het bestreden besluit is vermeld dat verzoeker niet geschikt en/of bekwaam is bevonden voor de functie en dat in het belang van de organisatie is besloten om hem te ontheffen uit de functie. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag een rapport van 11 juli 2018 van het Departamento Recurso Humano (DRH) genaamd ‘Onderzoek naar het functioneren directeur Centraal Bureau Statistiek’ (hierna: het rapport). Klachten van het personeel van het CBS waren onder andere de aanleiding voor dit onderzoek.

Verzoek en standpunt partijen

3. Het verzoek van verzoeker strekt ertoe de ontheffing te schorsen omdat hij er belang bij heeft dat hangende zijn bezwaar tegen het bestreden besluit geen andere persoon in de functie van directeur van het CBS wordt benoemd. Verzoeker bestrijdt dat hij ongeschikt is voor de functie en voert - samengevat - aan dat het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit gebrekkig is, dat hij niet is gehoord en dat aan hem geen verbeteringstraject is gegund. Ook heeft verweerder in strijd met meerdere beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld. Verweerder voert ter zitting - samengevat - aan dat de aanstelling van verzoeker niet volgens de gebruikelijke procedure - waarbij de DRH wordt betrokken - is verlopen, dat verzoeker niet de benodigde opleiding noch de kennis en ervaring heeft die de functie vereist en dat dit heeft geleid tot interne klachten en klachten van buitenaf over het functioneren van verzoeker.

Beoordeling

4. Voor het treffen van een voorziening bij voorraad zal slechts aanleiding bestaan indien de verzoeker een zodanig spoedeisend belang heeft, dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de beslissing in de bodemzaak afwacht. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder zal afzien van de benoeming van een ander persoon in de functie van directeur van het CBS hangende de gerechtelijke procedure tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft, naar verzoeker onbestreden heeft gesteld, niet toegezegd dat geen benoeming zal plaatsvinden. Verweerder heeft voorts ter zitting aangevoerd dat de mogelijkheid van ‘nietigheid voor gedekt’ van artikel 87 La bij de gegrondbevinding van het bezwaar, in het onderhavige geval de meest geschikte weg zou zijn. Dat betekent dat verweerder de benoeming van een ander persoon gedurende de procedure voorstaat. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het gerecht aanleiding voor een voorlopige voorziening.

5. Volgens vaste rechtspraak, moet ongeschiktheid voor een functie zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen. Verweerder heeft zijn besluit dat verzoeker ongeschikt is voor de functie van directeur gestaafd met het rapport van het DRH. Het DRH concludeert op basis van bevindingen over de aanstelling van verzoeker, gesprekken met medewerkers van het CBS, gesprekken met externen en een medewerkerstevredenheidsonderzoek (mto) dat verzoeker niet geschikt is voor de functie. Naar het oordeel van het gerecht biedt het rapport voor deze conclusie onvoldoende aanknopingspunten. Dat de aanstelling (hoofdstuk 4 van het rapport) van verzoeker niet volgens de gebruikelijke procedure is geschied zegt immers niets over het in de praktijk functioneren van verzoeker. Het gerecht wijst voorts op het onderdeel inhoudelijke expertise (5.1) en leiderschap (5.4) waarvoor belanghebbende positief/neutraal scoort terwijl voor de andere onderdelen van dit hoofdstuk, voor hem verbeterpunten - en geen (negatieve) scores - zijn vermeld. Ook de bevindingen naar aanleiding van de gesprekken met externen geven niet het beeld dat verzoeker ongeschikt is voor de functie. Dit geldt evenzeer voor het mto. Kortom, niet is aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van verzoeker dat hij ongeschikt is. Hierbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat verzoeker niet de kans heeft gekregen - zoals dat overigens door DRH zelf wordt geconstateerd - om te reageren op de bevindingen in het rapport. Gelet op het voorgaande is het gerecht voorshands van oordeel dat het bestreden besluit niet draagkrachtig is gemotiveerd.

6. Op grond van al het vorenstaande bestaat er naar het voorlopig oordeel van het gerecht een gerede kans dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden en zal het gelet hierop en op de over en weer betrokken belangen worden geschorst totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- schorst het bestreden landsbesluit van 6 september 2018, no. 5 totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 maart 2019 in aanwezigheid van de griffier.

Ingevolge het bepaalde in artikel 94, lid 4, Landsverordening ambtenarenrechtspraak staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.