Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:25

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
25-03-2019
Datum publicatie
15-04-2019
Zaaknummer
AUA201802090
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

--

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 25 maart 2019

Gaza nr. AUA201802090

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: voorheen de advocaat mr. P.A.J. van der Biezen, thans de advocaat [naam gemachtigde klager],

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij brief van 18 juni 2018 no. DRH/754 Geh (de bestreden beschikking) heeft verweerder met toepassing van artikel 95 van de La klager in kennis gesteld van zijn voornemen tot het aan klager opleggen van disciplinair ontslag.

Tegen de bestreden beschikking heeft klager op 12 juli 2018 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 3 december 2018 een contramemorie en op 7 december 2018 nadere stukken ingediend.

De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 10 december 2018, waar klager in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.A.J. van der Biezen, is verschenen en verweerder bij de heer [naam gemachtigde verweerder] voornoemd. Partijen zijn toen in de gelegenheid gesteld nadere stukken te overleggen ter zitting van 21 januari 2019. Hierna is de mondelinge behandeling voortgezet ter zitting van 11 februari 2019, waar klager in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde [naam gemachtigde klager], en verweerder bij zijn gemachtigde is verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. De standpunten van partijen

1.1

Klager is het niet eens met de voorgenomen strafoplegging en heeft zich op het standpunt gesteld dat een disciplinair ontslag disproportioneel is en dat de eventuele oplegging daarvan zal leiden tot een voor hem onredelijke en onbillijke situatie. Hij erkent dat hij een drugsprobleem heeft en stelt dat hij daarbij geholpen wil worden. Hij heeft zelf de nodige hulp gezocht bij de Fundacion pa Maneho di Adiccion di Aruba (FMAA), waar hij vanaf 19 juli 2018 tot en met 14 november 2018 in behandeling is geweest. Hij staat open voor door het Land aangeboden hulp en is bereid zich te onderwerpen aan controles en zich te houden aan voorwaarden.

1.2

Aan het voornemen tot disciplinaire strafoplegging is ten grondslag gelegd dat klager ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd en dat naar aanleiding van zijn handelen ernstige twijfels zijn gerezen ten aanzien van zijn integriteit en betrouwbaarheid.

Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder gesteld dat klager op 21 april 2017 werd aangehouden wegens verdenking van het plegen van een vijftal delicten, waaronder het handelen in strijd met de Landsverordening verdovende middelen, en dat hij in zijn verantwoordingsbrief heeft erkend, althans niet heeft ontkend, dat hij marihuana gebruikt en marihuanaplanten verbouwt. Het Land hoeft niet te tolereren dat landsdienaren verboden middelen kopen en gebruiken. Klager is eerder, op 17 juni 2011, op 8 juni 2012 en op 20 september 2013 strafrechtelijk veroordeeld wegens handel in verdovende middelen. Vanaf 2006 is ook herhaaldelijk disciplinair opgetreden tegen klager. De maat is vol. Het is niet langer wenselijk dat klager in overheidsdienst blijft.

2. Het wettelijk kader

2.1

Artikel 82 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) bepaalt dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair gestraft kan worden. Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen en nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Het derde lid bepaalt dat een strafvervolging wegens een feit dat mede een plichtsverzuim inhoudt, een disciplinaire procedure wegens datzelfde feit niet uitsluit.

2.2

In artikel 83 van de Lma worden de negen disciplinaire straffen die kunnen worden toegepast, opgesomd. De straffen lopen op van een schriftelijke berisping tot een ontslag.

2.3

Artikel 95, eerste lid van de La bepaalt dat het bevoegd gezag dat tot strafoplegging wenst over te gaan, van zijn voornemen aan betrokkene kennis kan geven. De kennisgeving vermeldt de disciplinaire straf die het bevoegd gezag voornemens is op te leggen, met daarbij de gronden die het daarvoor meent te hebben. Ingevolge het tweede lid kan de betrokkene gedurende veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving een bezwaarschrift inzenden bij dit gerecht. Het derde lid bepaalt dat de zaak als gewoon bezwaar wordt behandeld en dat het gerecht in de plaats van het bevoegd gezag de beslissing neemt die naar zijn oordeel genomen behoort te worden.

3. Het geschil

Uit artikel 95 van de La volgt dat door het maken van bezwaar tegen het aan een ambtenaar kenbaar gemaakt voornemen tot disciplinaire strafoplegging, de rechter bevoegd wordt in plaats van het bevoegd gezag de beslissing over strafoplegging te nemen.

Ter beoordeling ligt nu dus voor de vraag of klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en zo ja, welke disciplinaire straf dan opgelegd kan worden.

4. Feiten

Bij de beoordeling of klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, gaat het gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

4.1

Klager is met ingang van 1 maart 2004 aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst en met ingang van 1 januari 2015 als ambtenaar in vaste dienst.

4.2

Bij Landsbesluit van 7 december 2006 no. 17 is aan klager de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd, wegens het ongeoorloofd afwezig zijn voor gepland overwerk. Bij Landsbesluiten van 28 mei 2007 no. 3, 5 september 2007 no. 8 en 26 juni 2008 no. 14 is aan klager de disciplinaire straf van geldboete respectievelijk gedeeltelijke inhouding van het inkomen opgelegd wegens telkens ongeoorloofde afwezigheid.

4.3

Bij Landsbesluit van 20 juli 2016 no. 150 is klager met ingang van 7 april 2014 geplaatst in de functie van controleur bij de Directie Economische Zaken (DEZ). Tevens is aangetekend dat hij gedurende de periode van 15 oktober 2010 tot 7 april 2014 niet in actieve dienst was.

4.4

Klager is op 21 april 2017 aangehouden en vervolgens in voorlopige hechtenis gesteld. Op 16 mei 2017 heeft de rechter-commissaris de vordering tot gevangenhouding van klager afgewezen en de voorlopige hechtenis met ingang van die datum opgeheven.

4.5

Bij brief van 26 april 2017 is aan klager voor de duur van zes weken de toegang tot – kort gezegd – het werk ontzegd. Deze toegangsontzegging is bij brief van 5 juni 2017 verlengd met zes weken.

4.6

Bij Landsbesluit van 20 juni 2017 no. 23, is klager met ingang van 21 juni 2017 met toepassing van artikel 87 sub c van de Lma in zijn ambt geschorst tot op de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging. Verder is bepaald dat het inkomen van klager voor een derde deel wordt ingehouden.

4.7

Bij brief van 20 juni 2017 is klager ter verantwoording geroepen ter zake van de verdenking van het medeplegen van diefstal met geweld, althans afpersing, het overtreden van een bij of krachtens de Vuurwapenverordening gesteld verbod, het verbouwen van marihuana planten en het opzettelijk in strijd handelen met artikelen 3 en 4 van de Landsverordening verdovende middelen.

Bij brief van 30 juni 2017 heeft klager zich verantwoord, waarbij hij heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het medeplegen van diefstal, al dan niet met geweld, en/of afpersing of aan overtreding van het wettelijke vuurwapenverbod. Hij heeft erkend dat hij af en toe en buiten diensttijd marihuana heeft gebruikt.

4.8

Op 4 februari 2019 heeft de Officier van Justitie klager schriftelijk te kennen gegeven dat van vervolging wordt afgezien wegens gebrek aan wettig bewijs.

5. Beoordeling

5.1

Op grond van hetgeen hierboven, onder rechtsoverweging 4, is opgenomen stelt het gerecht vast dat klager in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 4 van de Landsverordening verdovende middelen, nu hij heeft erkend dat hij marihuana gebruikt of heeft gebruikt. Voor de overige klager verweten gedragingen is geen bewijs voorhanden en nu klager ook ontkent zich daaraan schuldig te hebben gemaakt, is niet komen vast te staan dat hij die verweten gedragingen heeft gepleegd.

5.2

De overheid voert een intensieve en moeizame strijd tegen de productie en handel in verdovende middelen om de Arubaanse samenleving te beschermen tegen de sociale en economische ontwrichtende gevolgen daarvan. Gelet daarop kan van verweerder, ook in verband met de geloofwaardigheid van het overheidshandelen, in deze niet worden verwacht te tolereren dat ambtenaren verboden middelen kopen en gebruiken (zie RvBAz van 18 januari 2019; ECLI:NL:ORBAACM:2019:3). Het gebruik van marihuana kan dan ook worden aangemerkt als plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim kan klager ook worden toegerekend.

5.3

Aan de orde is dan de vraag welke disciplinaire straf aan dit plichtsverzuim evenredig is.

5.3.1

Het gerecht zal bij de beantwoording van deze vraag aan de eerdere aan klager opgelegde disciplinaire strafopleggingen niet het gewicht toekennen dat verweerder kennelijk wel daaraan toekent. Als reden hiervoor geldt dat de laatste disciplinaire strafoplegging dateert van juni 2008, derhalve van meer dan 10 jaar geleden.

5.3.2

Wat betreft de strafrechtelijke veroordelingen uit de jaren 2011, 2012 en 2013, overweegt het gerecht dat deze veroordelingen een aanstelling van klager in vaste dienst niet in de weg hebben gestaan, en dat klager ter zake van het plegen van de aan die veroordelingen ten grondslag liggende strafbare feiten, niet ter verantwoording is geroepen. Om deze redenen wegen ze ook niet mee bij deze strafoplegging.

5.3.3

Het gerecht neemt wel in aanmerking dat klager al vanaf 21 juni 2017 in zijn ambt is geschorst, met inhouding van een derde deel van zijn inkomen. Tevens neemt het gerecht in aanmerking dat door verweerder niet is gesteld en uit het dossier noch het verhandelde ter zitting is gebleken dat klager zijn werkzaamheden als controleur bij de DEZ onder invloed van verdovende middelen heeft verricht dan wel dat hij zijn werkzaamheden vanwege drugsgebruik niet naar behoren heeft verricht.

Tenslotte neemt het gerecht in aanmerking dat klager zijn drugsprobleem heeft onderkend en zelf hulp hiervoor heeft gezocht en gekregen. Uit de brief van de FMAA van 19 november 2018 volgt dat klager tijdens zijn behandeling in de periode van 19 juli 2018 tot en met 14 november 2018 verschillende vormen van therapie met succes heeft afgerond. Ter zitting heeft klager verder te kennen gegeven dat hij sinds zijn aanhouding is gestopt met het gebruik van marihuana.

5.4

Gelet op de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim en op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.3, is het gerecht van oordeel dat de disciplinaire straf van gehele inhouding van het inkomen, in dit geval passend is, met dien verstande dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien klager zich gedurende een jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor deze bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan de volgende voorwaarde: klager zal zich gedurende een periode van een jaar te allen tijde onderwerpen aan drugstesten.

5.5

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- stelt vast dat klager, [klager], zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, bestaande uit het gebruik van marihuana, en dat dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend;

- bepaalt dat aan klager, met toepassing van artikel 83, lid 1 aanhef en sub d, in samenhang met lid 3 aanhef en onder sub c, de disciplinaire straf van gehele inhouding van inkomen wordt opgelegd;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien klager zich gedurende één jaar vanaf de datum van deze beslissing, niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim;

- bepaalt dat klager zich gedurende voornoemde periode van één jaar te allen tijde zal onderwerpen aan drugstesten.

Aldus gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.