Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:24

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
25-03-2019
Datum publicatie
15-04-2019
Zaaknummer
AUA201801990
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat klaagster in de periode van 1 januari 2012 tot 1 december 2014 feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht. Reeds het feit dat in de betreffende periode feitelijk geen werkzaamheden zijn verricht, leidt ertoe dat klaagster niet aan alle bevorderingseisen, zoals een gunstige beoordeling, heeft kunnen voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 25 maart 2019

AUA201801990

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[klaagster],

wonend in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. N.R. Sneek,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: dhr. A. Lumenier (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 22 mei 2018 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek van klaagster van 26 mei 2014 om per 1 januari 2014 bevorderd te worden naar de rang van hoofdcommies 1ste klasse (schaal 11) afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft klaagster op 5 juli 2018 bezwaar gemaakt, door indiening van een bezwaarschrift bij dit gerecht.

Verweerder heeft op 29 november 2018 en 3 december 2018 stukken ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 3 december 2018, alwaar partijen bij hun gemachtigden voornoemd zijn verschenen.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid

1. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: de La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking heeft kunnen kennis dragen.

Klaagster heeft onweersproken gesteld dat zij de bestreden beschikking op 29 juni 2018 heeft ontvangen. Gelet hierop heeft klaagster haar bezwaarschrift binnen de in artikel 41, derde lid, van de La bepaalde uiterlijke indieningsdatum ingediend en is zij derhalve ontvankelijk in haar bezwaar.

Inhoudelijk

2. Het gerecht gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Klaagster is op 4 juli 1989 in tijdelijke dienst van het Land getreden en is bij landsbesluit van 7 mei 1991 met ingang van 1 mei 1991 in vaste pensioengerechtigde dienst benoemd.

2.2

Bij landsbesluit van 23 augustus 2010 is klaagster met ingang van 1 januari 2010 bevorderd naar de rang van commies 1ste klasse.

2.3

Bij landsbesluit van 9 februari 2011 is klaagster met ingang van 1 januari 2011 voor maximaal één jaar ter beschikking gesteld van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2.4

Klaagster is met ingang van 1 januari 2012 ter beschikking gesteld van de Minister van Justitie en Onderwijs.

2.5

Bij landsbesluit van 20 september 2012 is klaagster met ingang van 1 januari 2012 bevorderd naar de rang van hoofdcommies (schaal 10).

2.6

Bij landsbesluit van 12 februari 2016 is klaagster met ingang van 1 december 2014 geplaatst in de functie van medewerker archiefselectie bij het Archivo Nacional Aruba (ANA) en is aangetekend dat klaagster gedurende de periode van 1 januari 2012 tot 1 december 2014 niet in actieve dienst was.

3. Bij de bestreden beschikking heeft verweerder klaagsters verzoek om haar te bevorderen naar de rang van hoofdcommies 1ste klasse (schaal 11) afgewezen. Aan deze beslissing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klaagster vanaf 1 januari 2012 tot 1 december 2014 non-actief was, dat zij in deze periode geen werkzaamheden heeft verricht, dat dit ertoe heeft geleid dat geen oordeel kan worden gegeven omtrent het functioneren van klaagster gedurende die periode en dat klaagster derhalve niet voldoet aan het vereiste van een gunstige beoordeling om te worden bevorderd.

4. Klaagster kan zich niet verenigen met de afwijzing en stelt - kort samengevat - dat het feit dat zij in de periode vanaf 1 januari 2012 tot 1 december 2014 geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht niet aan haar te wijten is en thans derhalve niet als argument kan worden gebruikt om te stellen dat zij niet aan het vereiste van een gunstige beoordeling voldoet. De verantwoordelijkheid en de inspanningsverplichting om een passende en/of een gelijkwaardige nieuwe functie voor haar te vinden lag bij verweerder, aldus klaagster.

5. Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling 1986 (BRA) dient de ambtenaar om in aanmerking te kunnen komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B van de BRA opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht. Voor bevordering naar de rang van hoofdcommies 1ste klasse geldt volgens voormelde bevorderingseisen een anciënniteitseis van ten minste twee jaar in de rang van hoofd-commies.

6. Het gerecht stelt voorop dat bevordering geen recht van de betrokken ambtenaar is noch een automatisme, doch een discretionaire bevoegdheid van het bevoegde gezag. Dit betekent dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beslissing heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

7. Vaststaat dat klaagster in de periode van 1 januari 2012 tot 1 december 2014 feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht. Reeds het feit dat in de betreffende periode feitelijk geen werkzaamheden zijn verricht, leidt ertoe dat klaagster niet aan alle bevorderingseisen, zoals een gunstige beoordeling, heeft kunnen voldoen. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het functioneren niet beoordeeld kan worden en dus niet is voldaan aan alle bevorderingseisen.

Voorts is niet gebleken dat verweerder heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

8. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar van klaagster ongegrond dient te worden verklaard. Voor een kostenveroordeling biedt de La, gelet op dit resultaat, geen mogelijkheid.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. E.M.D. Angela, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter zitting van maandag 25 maart 2019 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.