Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:109

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
CUR201900553
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvan klaagster werd verdacht liep ten tijde van de totstandkoming van het schorsingsbesluit al. Schorsing terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[klager],

wonende in Curaçao,

klaagster,

gemachtigde: A.V.E. Vilchez,

tegen

de Regering van Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. S.X.T. Hato, advocaat.

Procesverloop

Bij landsbesluit van 15 november 2018 heeft verweerster klaagster met toepassing van artikel 94 aanhef en onder a van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) voor de duur van zes maanden geschorst en bepaald dat gedurende de schorsing een derde van het inkomen van klaagster wordt ingehouden (het schorsingsbesluit).

Klaagster heeft op 14 februari 2019 daartegen bezwaar ingesteld bij het Gerecht (het bezwaar). Bij verzoekschrift van dezelfde datum heeft klaagster het Gerecht om een beslissing bij voorraad verzocht (CUR201903681).

Partijen hebben producties ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van het Gerecht op 7 oktober 2019. Partijen hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting heeft verweerster een contramemorie tevens pleitnota overgelegd. Klaagster heeft het verzoek om een beslissing bij voorraad ter zitting ingetrokken.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 94 van de LMA kan de ambtenaar onverminderd het bepaalde in artikel 88 door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt:

a. wanneer er een strafrechtelijke vervolging terzake van misdrijf tegen hem

wordt ingesteld;

b. wanneer hem door het bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met

onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van

deze straf mededeling is gedaan;

c. in andere gevallen, waarin schorsing naar het oordeel van het daartoe

bevoegde gezag wordt gevorderd door het belang van de dienst.

2. Klaagster heeft betoogd dat het schorsingsbesluit niet in stand kan blijven omdat deze niet van een draagkrachtige motivering is voorzien en niet volgens de daarvoor geldende procedure tot stand is gekomen.

3. Klaagster is ambtenaar en heeft de functie van medewerker intake bij de onder het Ministerie van Justitie ressorterende Toelatingsorganisatie. Bij brief van 4 augustus 2017 heeft de minister van Justitie aan klaagster een toegangsontzegging opgelegd. Daarin is, voor zover hier van belang, vermeld: “Zoals reeds aan u bekend, bent u inmiddels als verdachter aangemerkt in een lopend strafrechtelijk onderzoek. Met referte aan het onderzoek dat direct gerelateerd is aan het verrichten van uw dagelijkse werkzaamheden bij de Toelatingsorganisatie, deel ik u mede dat ik mij genoodzaakt zie om u op grond van artikel 46 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (A.B. 2010, no. 87) (L.M.A.) met onmiddellijke ingang en voor de duur van het strafrechtelijk onderzoek de toegang tot het kantoor van de Toelatingsorganisatie, alle andere dienstgebouwen, dienstlokalen en gebouwen van de overheid te ontzeggen.” Klaagster heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend. Bij brief van 7 augustus 2018 heeft verweerster aan klaagster meegedeeld voornemens te zijn om de ordemaatregel van schorsing aan haar op te leggen en haar voorts in de gelegenheid gesteld om zich binnen zeven dagen daartegen te verweren. Bij op 20 september 2018 ingediende brief heeft klaagster zich tegen oplegging van de voorgenomen schorsing verweerd. Verweerster heeft in dat verweer geen aanleiding gezien om de schorsing achterwege te laten en heeft het schorsingsbesluit op 14 januari 2019 aan klaagster uitgereikt.

4. Verweerster heeft, onder verwijzing naar pagina 6 van het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van de Landsrecherche Curaçao dat zij als productie 9 heeft overgelegd, aangevoerd dat een ambtenaar van de Landsrecherche klaagster op 28 augustus 2017 heeft meegedeeld dat zij als verdachte werd aangemerkt van knevelarij c.q. het aannemen van steekpenningen. Klaagster heeft dat niet betwist, zodat daarmee vast staat dat klaagster vanaf die datum wist dat zij verdachte was in een lopend strafrechtelijk onderzoek. Klaagster heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat het Openbaar Ministerie dat strafrechtelijk onderzoek heeft gestaakt en haar niet langer als verdachte aanmerkt. Verder kan, vooral gelet op de vrij recente datum daarvan, uit het als productie 8 door verweerster overgelegde memorandum van de Landsrecherche Curaçao gedateerd 11 juni 2019 juist worden afgeleid dat het strafrechtelijk onderzoek niet is gestaakt. Daarmee is aannemelijk geworden dat klaagster vanaf 28 augustus 2017 tot heden verdacht wordt van strafbare feiten die zij als ambtenaar binnen de uitoefening van haar functie zou hebben gepleegd.

5. Uit het voorgaande volgt dat het strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvan klaagster werd verdacht ten tijde van de totstandkoming van het schorsingsbesluit al liep. Reeds gelet daarop was verweerster op grond van artikel 94, aanhef en onder a en artikel 96, eerste lid, van de LMA bevoegd om klaagster te schorsen met inhouding van een derde van haar loon. Verweerster heeft onder verwijzing naar eerstgenoemde bepaling in het schorsingsbesluit vermeld dat het lopende strafrechtelijke onderzoek de reden was voor oplegging van de schorsing, zodat niet kan worden geoordeeld dat het schorsingsbesluit niet van een draagkrachtige motivering is voorzien. Omstandigheden op grond waarvan verweerster onredelijk heeft gehandeld jegens klaagster door aan haar die schorsing en looninhouding op te leggen zijn niet gesteld. Voor zover klaagster heeft gesteld dat verweerster bij het opleggen van de schorsing niet de juiste procedure heeft gevolgd, heeft zij die stelling niet toegelicht en treft het al om die reden geen doel. Hoewel zij op grond van de wet daartoe niet verplicht was, heeft verweerster klaagster in kennis gesteld van haar voornemen om haar te schorsen en haar in de gelegenheid gesteld daartegen verweer te voren. Gelet daarop kan niet worden geconcludeerd dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van het bestreden besluit, zoals klaagster kennelijk beoogt te stellen.

6. Het voorgaande brengt met zich dat het schorsingsbesluit in stand kan blijven.

7. Gelet op het voorgaande ziet het Gerecht geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

- verklaart het bezwaar tegen het schorsingsbesluit van 15 november 2018 ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open op de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAr.