Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:104

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
AUA201803765
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht stelt vast dat de uitbetaling van de schaarstetoelage een duuraanspraak betreft. Indien een duuraanspraak in het geding is, het is aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft het verleden, dient de ambtenarenrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om de oorspronkelijke beschikking te herzien. Wat betreft de toekomst, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Daarom zal het in de regel bij een duuraanspraak niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een beschikking waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de belanghebbende wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het betrokken bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 30 september 2019

Gaza nr. AUA201803765

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster],

wonende in Aruba,

KLAAGSTER,

procederend in persoon,

tegen:

DE MINISTER VAN FINANCIËN, ECONOMISCHE ZAKEN EN CULTUUR,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: Y.F.M. Kaarsbaan (Departamento Recurso Humano).

PROCESVERLOOP

Klaagster heeft op 21 november 2018 bezwaar gemaakt tegen het besluit vervat in haar salarisstrook van 22 oktober 2018 voor wat betreft de schaarstetoelage van 15%.

Verweerder heeft een contramemorie ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 27 mei 2019. Klager is in persoon verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1

Klaagster is bij landsbesluit van 18 augustus 2003 No. 29 (No. DPO/272) in tijdelijke dienst benoemd bij de Directie der Belastingen.

1.2

Bij Landsbesluit van 30 mei 2007 No. 92. (No DPO/1013/07) is klaagster een schaarstetoelage toegekend van 10% van haar bezoldiging. Bij datzelfde landsbesluit is de schaarstetoelage met ingang van 1 december 2005 verhoogd naar 15% en met ingang van 1 december 2006 verhoogd naar 20%.

1.3

Klaagster heeft op 27 november 2017 bezwaar gemaakt tegen haar salarisstrook van 21 juni 2017 waarbij verweerder een bedrag van Afl. 1.319,- heeft ingehouden terzake van teveel ontvangen schaarstetoelage.

1.4

Klaagster is per brief van 2 februari 2018 in kennis gesteld dat haar schaarstetoelage per 1 februari 2017 wordt verlaagd naar 15% omdat klaagster onvoldoende functioneert.

1.5

Op 8 oktober 2018 (AUA201703264) heeft het gerecht het bezwaar van klaagster niet-ontvankelijk verklaard.

1.6

Per mail van 23 oktober 2018 heeft klaagster verweerder een aanzegging nieuwe beoordeling verzocht in verband met toekennen van haar schaarstetoelage.

De standpunten van partijen

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is. Verweerder heeft nog niet beslist op klaagsters verzoek van 21 november 2018 (haar klaagschrift) om haar schaarstetoelage te verhogen naar 20%. Voorafgaande aan dit verzoek heeft zij geen ander verzoek ingediend ter verhoging van haar schaarstetoelage. De redelijke termijn om op dit verzoek te beslissen is nog niet verstreken zodat er geen sprake is van een fictieve weigering. Daar komt bij dat klaagster bij brief van 15 januari 2018 is geïnformeerd dat eerst na een positieve afronding van de beoordelingsperiode de schaarstetoelage kan worden verhoogd. De beoordelingsperiode is in mei 2019 afgerond.

2.2

Klaagster stelt zich op het standpunt dat zij in haar rechtspositie wordt benadeeld omdat de verlaging van de schaarstetoelage niet conform het beleid is geschied nu er geen beoordeling aan de verlaging van de schaarstetoelage ten grondslag ligt. Voorts heeft de directeur van Departemento di Impuesto in haar brief van 15 januari 2018 geschreven dat klaagster goed functioneert en dat zij opnieuw beoordeeld moet worden ter verhoging van de toelage. Klaagster meent dat uiterlijk op 1 augustus 2017 een nieuwe beoordeling aangezegd had moeten worden. Nu er pas op 1 november 2018 een beoordeling is aangezegd, wordt klaagster benadeeld.

Regelgeving

3.1

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) kan de betrokken minister aan de ambtenaar, aan wie zodanige eisen gesteld worden dat zijn positie of taak een bijzonder karakter draagt, een in ieder bijzonder geval vast te stellen toelage toekennen.

De beoordeling

4.1

Klaagster heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de beschikking vervat in haar salarisstrook van oktober 2018 waarbij een schaarstetoelage is uitbetaald van 15%. Het gerecht stelt vast dat de uitbetaling van de schaarstetoelage een duuraanspraak betreft. Indien een duuraanspraak in het geding is, het is aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft het verleden, dient de ambtenarenrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om de oorspronkelijke beschikking te herzien. Wat betreft de toekomst, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Daarom zal het in de regel bij een duuraanspraak niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een beschikking waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de belanghebbende wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het betrokken bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

4.2

Voorzover het klaagschrift van klaagster ziet op de uitbetalingen van de schaarstetoelage gelegen voor de datum van het klaagschrift, overweegt het gerecht als volgt. Verweerder heeft niet expliciet beslist op dit verzoek. Echter uit verweerders standpunt, zoals verwoord in de brief van 15 januari 2018 en herhaald ter zitting, dat klaagsters schaarstetoelage pas kan worden verhoogd na afronding van de beoordelingsperiode in mei 2019, maakt het gerecht op dat verweerder niet wenst terug te komen op de hoogte van de reeds uitbetaalde schaarstetoelage. Uit overwegingen van proceseconomische aard zal het gerecht dit standpunt beoordelen. Het gerecht is van oordeel dat verweerder terecht de hoogte van de reeds uitbetaalde schaarstetoelage handhaaft nu klaagster geen nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden teruggekomen op dit eerdere besluit.

4.3

Met betrekking tot de toekenning van de schaarstetoelage van oktober 2019 overweegt het gerecht als volgt. Verweerder heeft met betrekking tot zijn bevoegdheid op grond van artikel 25, eerste lid, van de Lma een toelage toe te kennen beleid opgesteld en uitgewerkt in het Handboek Personeel en Organisatie. Op grond paragraaf 4.1.14 van dit Handboek kan verweerder bij een slechte beoordeling de schaarstetoelage intrekken of verlagen. Bij besluit 2 februari 2018 heeft verweerder klaagsters schaarstetoelage met ingang van 1 februari 2017 verlaagd naar 15% in verband met onvoldoende functioneren van klaagster. Dit besluit staat in rechte vast. Niet is gebleken dat klaagster na 1 februari 2017 een positieve beoordeling heeft gehad. Per brief van 15 januari 2018 is klaagster geïnformeerd dat een nieuw RGA-traject zal worden aangezegd en na afronding van de beoordelingsperiode wordt geconcludeerd of de schaarstetoelage met 5% kan worden verhoogd. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat het beoordelingstraject ten tijde van het bezwaar nog niet was afgelopen en het beoordelingsgesprek nog moet plaatsvinden. Verweerder heeft derhalve bij het bestreden besluit de schaarstetoelage terecht vastgesteld en uitbetaald op 15%.

4.4

Weliswaar betoogt klaagster terecht dat verweerder op grond van het beleid zoals vastgelegd op pagina 9 van het “geactualiseerd beleid bij schaarstetoelage” haar een half jaar na de verlaging van haar schaarstetoelage een nieuwe beoordeling had moeten aanzeggen. Echter daaruit volgt niet dat verweerder bij gebreke van een tijdige beoordeling moet overgaan tot het verhogen van de schaarstetoelage. Daarbij is ook van belang dat klaagster eerst op 23 oktober 2018 per mail verweerder heeft verzocht haar een nieuwe beoordeling aan te zeggen.

4.5

Het bezwaar is ongegrond.

4.6

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond

Deze uitspraak is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 30 september 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.